DEM_164_Cover_corr3-page-001Als aanvulling op het themanummer 'De Praagse lente' DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. We zetten ze de volgende dagen online. Dit is nummer twee: Josefa Slansky: De Waarheid over mijn man- de zaak Slansky

EEN REHABILITATIE IN SCHIJFJES

Vanaf de jaren vijftig waarde er een spook door Tsjechoslowakije, niet het spook van het communisme, maar wel dat van een communist, luisterend naar de naam Rudolf Slansky. Hij was de belangrijkste aangeklaagde tijdens het showproces waarbij een dozijn vooraanstaande partijkaders tot de strop werd veroordeeld. In tegenstelling tot andere Oostblokstaten, waar dergelijke slachtoffers relatief snel na Stalins dood werden gerehabiliteerd, bleef de regering in Praag onwillig haar misdaad toe te geven, ook al had ze die in de schoenen van de dode dictator kunnen schuiven. In stukjes en beetje kwam de rehabilitatie, maar de buitenwereld moest tot 1968 wachten voor de volledige waarheid boven tafel kwam, via het door Pavel Kohout geredigeerde De Waarheid over mijn Man.

Tekst: Max Moragie

Slanksy, Pauker, Gomulka, Rajk – elk Oost-Europees land dat binnen de invloedsfeer van de Sovjet-Unie viel zag in de vroege jaren vijftig de nummer twee van de communistische partij beschuldigd worden van spionage en sabotage. Ineens bleek deze held van de revolutie een stiekeme schurk die jarenlang in het geniep had samengewerkt met westerse inlichtingendiensten om de leidende rol van zijn eigen partij te ondermijnen, de nummer één te vermoorden en het socialisme te vervangen door het kapitalisme. In zijn kielzog werden honderden andere partijkaders gearresteerd. Voor de bevolking was het moeilijk te geloven dat zich in het centrum van de macht zo’n enorme samenzwering had kunnen ontplooien, maar aangezien de partij altijd gelijk had moest het wel waar zijn. Trouwens, de aangeklaagden gaven alles zelf toe in de rechtszaal. Via het bioscoopjournaal en de radio hoorde de bevolking de afgezette leiders zichzelf beschuldigen van de meest groteske misdaden. Via petities en telegrammen drongen arbeiders uit het hele land er bij de rechters op aan geen clementie te tonen met deze gevaarlijke misdadigers.  Het socialisme moest hard terugslaan. Dat deed het, met snelle en genadeloze doodstraffen.

Asbestemming

De showprocessen in Praag, Bukarest, Warschau en Budapest waren herhalingen van die in Moskou anderhalf decennium eerder. Toen verdween zowat de hele oude bolsjewistische garde naar het schavot en trad een nieuwe generatie van kopstukken aan. Het was Stalin zelf die aandrong op de zuiveringen. Zo rekende hij niet alleen af met mogelijke oppositie maar maakte hij de nieuwe generatie ook medeschuldig. Zij had haar steile opgang immers te danken aan de ondergang van de voorgaande. In eigen land bereidde de oude tiran ook een nieuwe reeks van showprocessen voor, maar zijn plotselinge dood maakte daar een einde aan. Drie jaar later onthulde opvolger Chroestsjov de ware toedracht. De man die de Poolse communist Gomulka de gevangenis had ingeduwd kreeg tijdens het aanhoren ter plekke een hartaanval en overleed, maar ook de Praagse kameraden hielden hun hart vast. Klement Gottwald, de eerste man tijdens het proces tegen Slansky was al dood, dus misschien voelden zijn opvolgers zich minder verantwoordelijk en dus veiliger dan anderen. Hoe dan ook bleef een directe rehabilitatie van Slanksy en de andere veroordeelden – bijna uitsluitend Joden, iets wat ook werd benadrukt tijdens het proces - uit. Stukje bij beetje sprak de partij hem vrij van nu eens deze, dan weer gene verzonnen misdaad. Maar nog in 1963 kreeg zijn weduwe geen uitsluitsel over de asbestemming. Terwijl in de jaren voordien de ene na de andere van zijn zogenaamde medeplichtigen werd gerehabiliteerd bleef Slansky een verrader. Maar misschien was de waarheid over de asbestemming te onthutsend in haar banaliteit om te onthullen. De chauffeur grapte dat hij nog nooit zoveel mensen tegelijk in zijn auto had vervoerd en ze allemaal had ‘vrijgelaten’ bij een brug over de rivier.

Proletenvrijheid

De lange nasleep van ‘de zaak Slansky’ heeft de Praagse communisten geen goed gedaan. Het is juist door die onwil tot volledige rehabilitatie dat ze zichzelf steeds meer bloed aan hun handen praatten. Nog tijdens de Praagse Lente speelde deze affaire de dogmatici in de partij parten. Het is ook midden in het hervormingsproces dat het boek De Waarheid over mijn Man verscheen. De auteur ervan is Josefa Slanska, de weduwe van de vermoordde communist en de moeder van een andere Rudolf Slansky: een dissident tijdens de jaren zeventig en de eerste ambassadeur van de nieuwe Tsjechische republiek in het kersvers onafhankelijke Slowakije. Het boek is een pijnlijk werk, vooral omdat het zo gedetailleerd beschrijft aan welke martelingen de politieke gevangenen in de vroege jaren vijftig bloot stonden en aan welke pesterijen in de late. Pijnlijk is misschien vooral dat een groep proleten tijdens de heksenjacht een grote mate van vrijheid kreeg. De vernederingen en slaaponthouding mochten dan georkestreerd zijn, de memoires van Josefa Slansky geven de indruk dat veel van de wreedheden ook willekeurig waren, zuiver voor het plezier van de cipiers.

Hagiografisch

De Waarheid over mijn Man valt in twee delen uiteen. Het eerste is een geschiedenis van het proces in documenten. Pavel Kohout, de journalist/schrijver die de weduwe Slansky na veel gesprekken wist te overhalen haar memoires te publiceren, laat aan de hand van processtukken maar vooral van krantenberichten zien hoe er destijds over het showproces geschreven werd. Het zijn stuitende staaltjes van haatdragend proza, opgesteld in een bombastische stijl. De herinneringen van Slansky’s weduwe staan daarmee in schril contrast. Ze beschrijft zoveel mogelijk van een leven dat ze meer niet dan wel met haar Rudolf heeft gedeeld. In de jaren dertig leefde het echtpaar als opgejaagd wild in Praagse appartementen, altijd op de hoede voor de politie, altijd aan het werk voor de partij, amper een of twee nachten per week bij elkaar. Tijdens de oorlog werkten beiden voor de Tsjechische afdeling van Radio Moskou. Voor een gezinsleven was nu nog minder tijd dan voordien. En toch is er geen woord van geklaag te vinden in al die pagina’s. Josefa was zowel haar man als de partij honderd procent toegewijd. Geen moment twijfelt ze aan hun liefde of aan de juistheid van de partijlijn. Ze bewondert het organisatietalent van haar echtgenoot, zijn kameraadschap, zijn tomeloze energie. Desalniettemin overtuigt dit hagiografisch portret niet echt. Als lezer krijg je gaandeweg de indruk dat Rudolf Slanksy meer iets van een houwdegen dan van een dichter moet hebben gehad om zo’n steile carrière in zo’n militaristische partij te kunnen maken. Tegelijk komt zijn vrouw steeds verfijnder over. Haar stijl is eenvoudig maar helder, haar belezenheid groot. Ze schreef en vertaalde teksten, redigeerde nieuwsberichten en las ze ook zelf voor. Op den duur krijgt haar bescheidenheid zelfs iets irritants.

Harde noot

Dat de Russen iets zochten om mensen als de Slansky’s te kunnen chanteren wordt duidelijk wanneer in 1943 hun dochtertje wordt ontvoerd. Ook ver na de oorlog geven de Russische autoriteiten niet thuis over deze kwestie, wat erop kan duiden dat er van hogerhand opdracht is gegeven de zaak in de doofpot te stoppen. Tijdens het proces wordt deze ontvoering echter gebruikt als hoofdmotief voor de zogenaamde haat van de Slansky’s tegen de Russen en hun systeem. Josefa is verbijsterd dat haar ondervragers dit durven opperen. Maar verbijsterd is ze nagenoeg voortdurend, vanaf het moment dat het echtpaar in de villa van een partijgenoot wordt gearresteerd tot de dag dat ze als weduwe de gevangenis mag verlaten en verbannen wordt naar een dorpje aan de Poolse grens. Ze ondergaat de vernederingen met onbegrip en zonder agressie, in tegenstelling tot haar man die weigert welk protocol dan ook te ondertekenen, elke beschuldiging met klem ontkent en probeert zichzelf op te hangen tijdens een onbewaakt moment. Rudolf Slansky is een zeer harde noot voor de geheime dienst om te kraken. Het kost heel wat emmers koud water, heel wat nachten zonder slaap en heel wat slagen en scheldpartijen eer zijn wil gebroken is.

Een blijvend besmette naam

Om zichzelf te beschermen tegen de oprukkende depressie en apathie blijft Josefa Slansky geloven in de goedheid van de mensen. Ze geeft voorbeelden van menselijk gedrag door bewakers, kleine staaltjes van begrip en mededogen die haar geestelijk op de been houden. Ze beschrijft ook hoe ze in later jaren probeert contact op te nemen met vroegere vrienden, die nog steeds hooggeplaatste kameraden zijn. Sommigen ontvangen haar, geven haar geld, beloven het voor haar te zullen opnemen, maar uiteindelijk ondernemen ze niets. De naam Slanksy blijft besmet, als het synoniem van een ziekte. De weduwe camoufleert zich achter haar doorzettingsvermogen, haar trots, deels om het vol te kunnen houden, deels ook om niet te hoeven twijfelen aan de aard van het systeem zelf. Want hoewel Rudolf Slanksy zonder twijfel een vooraanstaand slachtoffer is van het stalinisme heeft hij ook jarenlang gehandeld uit naam van datzelfde stalinisme. Drie jaar lang, van 1948 tot eind 1951, was hij de tweede man van het land, en precies in die tijd begon de gedwongen collectivisatie van de landbouw, de nationalisering van de industrie en de onteigening van rijke burgers. Hoeveel bloed heeft er aan de handen van Slanksy zelf gekleefd voor ze zelf geboeid werden? Die vraag wordt niet beantwoord in dit boek, zelfs niet opgeroepen. Het hoefde ook niet, want in 1968 was het belangrijker het getuigenis te lezen van Josefa Slansky dan een objectieve biografie. Als getuigenis van de stalinistische vervolging is dit boek nog altijd zeer lezenswaardig, als historische waardebepaling van de rol en de persoon van Rudolf Slanksy zelf schiet het natuurlijk sterk tekort.

Josefa Slansky: De Waarheid over mijn man- de zaak Slansky, vertaald door Kliphuis-Vlaskamp, Sijthoff, 197 bladzijden.    

©Max Moragie