Deux ex Machina nr 164 is een dubbel(dik)nummer rond twee thema's. Enerzijds een terugbliDEM_164_Cover_corr3-page-001k op de Praagse Lente, anderzijds een unieke verzameling nieuwe teksten van en over J.M.H. Berckmans. 

Het dubbelnummer wordt dan ook op twee gelegenheden voorgesteld:

De Praagse lente in het Prague House in Brussel (uitnodiging)
De minifocus J.M.H. Berckmans in de Boekowski in Antwerpen (uitnodiging)

 

PRAAGSE LENTE

‘Es war hörbar, sichtbar, greifbar und doch nicht zu fassen.’ Zo begint Heinrich Böll zijn verslag van de gebeurtenissen die zich in de nacht van de 20ste op 21ste augustus 1968 in Praag afspeelden. Böll was enkele uren voordien in Praag gearriveerd op uitnodiging van de Tsjechische schrijversbond. De latere Nobelprijswinnaar literatuur die zich in de loop der jaren wist te ontpoppen tot vooraanstaand politiek activist en tot het morele geweten van (West-)Duitsland, geloofde zijn ogen niet toen de tanks van het Warschaupact de Tsjecho-Slowaakse hoofdstad binnenrolden en een einde maakten aan een experiment dat de geschiedenis zou ingaan als de ‘Praagse Lente’.

Niet te vatten was de Russische inval uiteraard ook voor vele Tsjechen en Slovaken. ‘Ik hoop dat dit alleen maar een slechte droom is’, zong de populaire zanger Karel Černoch ongeveer op hetzelfde moment. Een nachtmerrie was het evenzeer voor Moskou. Spoedig gingen de filmbeelden en foto’s van Josef Koudelka en co de wereld rond. Beelden van meestal ongewapende Tsjechen die het opnamen tegen Russische pantsers – het mag duidelijk zijn waarnaar de sympathie van de modale wereldburger uitging, en dit niet alleen in het kapitalistische Westen. ‘De Tsjechische fotografen en cameramensen begrepen dat juist zij het enige konden doen dat nog gedaan kon worden: voor de verre toekomst het beeld van het geweld bewaren’, schreef Milan Kundera later in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.
Samen met Kundera lieten ook andere Tsjechische en Slovaakse auteurs zich niet onbetuigd. Naast economische hervormingen en de toename van de persoonlijke vrijheid, betekende de Praagse Lente een tot dan toe ongekende explosie aan artistieke creativiteit, die zich onder meer vertaalde in de literatuur. Ludwíg Vaculík, Milan Kundera, Arnošt Lustig, Ivan Klíma en de nog jonge Václav Havel – om het bij dit vijftal te houden – schuwden hun kritiek op het (vroegere) regime niet en steunden de toenmalige politieke leider Alexander Dubček in zijn poging om het communistische Tsjechoslowakije om te vormen tot een ‘socialistische staat met een menselijke gezicht’.

Deze DEM gaat onder meer over deze literaire revolte. In het inleidende ‘De ongekende dynamiek van Priestor’ beschrijft Vincent Scheltiens hoe de liberalisering in het Tsjechoslowakije van de jaren zestig een dynamiek ontketende die zou leiden tot augustus 1968. Max Moragie herlas het werk van Pavel Kohout en Zdeněk Mlynář. De Tsjechisch-Nederlandse auteur Jan Stavinoha en de Tsjechische fotograaf/dichter Pavel Baňka kijken terug op augustus 1968. De eerste maakte alles mee in Praag; de tweede neemt ons mee naar Italië. Want ook dat was de Praagse Lente: Tsjechen die door de open grenzen in de mogelijkheid verkeerden met een decadente Amerikaanse automobiel uit de jaren dertig naar Italië te reizen. Irma Pieper vertaalde gedichten van Václav Hrabě, een in 1965 jong gestorven beat-dichter die na
zijn dood zou uitgroeien tot een ware cultauteur. Wim Michiel schetst in ‘Franz Kafka en de Praagse Lente’ hoe Praags bekendste auteur veertig jaar na zijn dood door de hervormingsgezinden werd ingezet om zowel op literair als maatschappelijk vlak een en ander te doen bewegen. Afsluiten doen we met Jasper Vervaeke, die uitweidt over de wonderbaarlijke ontmoeting tussen Milan Kundera enerzijds en Gabriel García Márquez, Carlos Fuentes en Julio Cortázar anderzijds

Naast de ‘Praagse Lente’ is er poëzie van Tess Gallagher, Hendrik Carette, Bert Van Raemdonck, Christophe Vansteeland en Peggy Verzett. Het laatste woord krijgt Robert Musil, die zich in een eigenzinnige hertaling van Harry van Doveren de pertinente vraag stelt wat een dichter is.

MINI-FOCUS J.M.H. Berckmans

Tien zomers geleden werd J.M.H. Berckmans (1953-2008) dood aangetroffen in de sofa waarin hij een groot deel van zijn laatste jaren doorbracht. Toen hij stierf, was Berckmans al een legendarisch schrijver. Tien jaar later is de ‘chroniqueur van Barakstad’ niet vergeten. Integendeel. Nu het stof van zijn woelige poète mauditbestaan is neergedaald, blijft zijn unieke literaire stem intrigeren en inspireren.
Hij verenigde de oerkracht van Louis Paul Boon en de experimentele speelsheid van Ivo Michiels. Met beide voorgangers had hij niet alleen de volstrekt eigen toon gemeen, maar ook de arbeidersjeugd en het koppige selfmade schrijverschap.

Ook Berckmans wilde met zijn literatuur geen ‘verhaaltjes vertellen’, maar greep proberen te krijgen op het bestaan. Berckmans’ bestaan kende heel wat breuklijnen en ook in zijn schrijven bleef hij evolueren. In deze special leggen we vooral de nadruk op de laatste periode van zijn schrijversleven, toen hij zich in een kleine biotoop terugtrok en een radioscopie van een geïmplodeerde existentie op papier zette.
Over Berckmans werden al vele beschouwingen geschreven. We kozen er daarom voor unieke scherven te tonen uit Berckmans’ universum. Eerst en vooral met een ongepubliceerde literaire litanie (een van Berckmans’ favoriete vormen) van Berckmans in de vorm van een brief aan zijn laatste muze Kristien. De actrice en toneelauteur Kristien De Proost, de laatste jaren een brandpunt in Berckmans’ teksten, antwoordt tien jaar later met een aangrijpende brief aan haar ‘donkere zon’. Ook Berckmans’ boezemvriend, personage en ‘literair & muzikaal secretaris’ Geert Breës blikt voor het eerst terug op zijn intense jaren met Jean-Marie.

Om deze bijzondere scherven te kaderen, publiceren we een fragment uit de deze zomer te verschijnen Berckmans-biografie Schrijven in de Grauwzone van Chris Ceustermans. En DEM-redacteur Jan Bettens zwierf wekenlang langs Berckmans’ prozawegen, op zoek naar datgene wat de auteur legendarisch maakt. Dichter Frederik Lucien De Laere, die op instigatie van Berckmans zijn eerste bundel publiceerde, bezweert samen met Kromsky de demonen van de Grauwzone.

Ten slotte blikken twee auteurs terug op Berckmans’ invloed. Elvis Peeters ontbeet in Berckmans’ vilbeluik. En de jonge Michiel Cox beschrijft zijn Saulus-moment: een jonge auteur van de schrijfstoel gebliksemd door Berckmans’ swingende & krinklende taalpandemonium.
Een mensenleven is geen puzzel. Deze scherven bieden de lezer een gebarsten en doorleefd beeld van Berckmans en diens werk; proza dat vooral worstelt met een gebarsten zelf. Jean-Marie, met zijn afkeer voor academische mierenneukerij, zou deze benadering wellicht geapprecieerd hebben. Wat u als lezer daarvan denkt zou, in de geest van zijn helden John Coltrane en Samuel Beckett, niet meteen zijn allergrootste zorg zijn geweest. Toch wensen we u een boeiend verblijf in Berckmans’ Grauwzone.