DEM_164_Cover_corr3-page-001Als aanvulling op het themanummer 'De Praagse lente' DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. We zetten ze de volgende dagen online. Dit is nummer één: Ludvik Vaculik: De Bijl

DE BIJL AAN DE WORTEL

Tekst: Max Moragie

IEDER VOOR ZICH EN DE PARTIJ OOK NIET VOOR ONS ALLEN

In de jaren vóór de Praagse Lente glipte er een aantal romans door de censuur die verrassen door hun literaire vernieuwing en vooral hun bijtende kritiek op het systeem van het ‘reëel bestaande socialisme’. Een ervan is De Bijl van Ludvik Vaculik. In 1966 was de 42 jarige Vaculik een regimetrouwe, communistische verslaggever bij het partijblad Rude Pravo (De Rode Wet). Ook de ik-figuur in zijn debuutroman is een dagbladjournalist, maar een die in opstand komt tegen de geïnstitutionaliseerde leugenachtigheid om hem heen. De Bijl valt in eerste instantie op door zijn poëtische stijl en zijn humor, en misschien leidden die beide aspecten destijds de censor om de tuin, maar daaronder is het een rauw, ongenadig en ook vijftig jaar later nog verrassend actueel boek.

De Bijl is een cirkelvormig opgebouwde roman. Op de eerste bladzijde kondigt de verteller aan dat hij bij zijn ‘chaufferende broer op bezoek moet gaan’, in het laatste hoofdstuk is het eindelijk zover. Tussendoor vertelt hij over zijn problemen op de redactie, naar aanleiding van een artikel dat nooit had mogen verschijnen, maar eigenlijk is het verhaal één lange uitweiding over zijn leven en vooral over dat van zijn vader. Om de cirkelvorm complexer te maken verweeft Vaculik brieven van de vader in het verhaal. Als lezer herken je de overgangen in eerste instantie enkel aan een iets andere spelling – alle o’s zijn dubbel, zoals in zoo en alzoo – maar gaandeweg raak je vertrouwd met de stijlverschillen. Geleidelijk aan maken de brieven trouwens plaats voor gedachten. Onmerkbaar wordt de vader de eigenlijke ik-figuur in steeds meer hoofdstukken, tot hij overlijdt.

Ondankbaar en oprecht

De journalist heeft verschillende broers en diverse neven. Het opvallende aan hun levenswandel is dat die helemaal niet zo geordend is als je in een communistisch land zou verwachten. Er wordt zwart gewerkt, vanuit de kofferbak verkocht, gesjoemeld en gestolen. Eigenlijk zijn de ik-figuur en de ‘chaufferende broer’ de enigen met een vaste betrekking, maar ook zij zijn niet te beroerd om hout te stelen uit het bos of op een andere manier wat bij te verdienen. Ze kunnen ook niet anders.  De communistische machtsovername van februari 1948 heeft het door oorlog gehavende land niet van de ene op de andere dag welvarend gemaakt. Sterker nog: de revolutie die de samenleving egalitair zou moeten maken zorgt voor een nieuwe kloof. Een deel van de boeren in het Moravische geboortedorp van de ik-figuur weigert lid te worden van de nieuwe landbouwcoöperatie. De verteller beschrijft – met de wijsheid achteraf – dat ze door het regime gestraft worden tot in het zoveelste geslacht. De boer blijft verstoken van mechanische hulpmiddelen, zijn kinderen mogen niet studeren – als zonen en dochters van een contrarevolutionair – zijn kleinkinderen worden al geboren met achterstand, in een marginaal gezin. De vader van de ik-figuur had hen kunnen helpen. Hij is immers benoemd tot bestuurslid van het Volkscomité, als beloning voor zijn jarenlange lidmaatschap. Maar hij probeert het niet eens - en niet uit lafheid, maar uit overtuiging dat de partij precies weet wat ze doet. Hij schenkt zelfs een van zijn eigen akkers aan de coöperatie, hoewel die daar niet om gevraagd heeft. Zijn oprechtheid wordt hem niet in dank afgenomen.  De boze bourgeois boeren stelen zijn hout, vernielen zijn huis en beschieten hem zelfs. De klasse-oorlog woedt nog jarenlang op het platteland en is niet te onderscheiden van ordinaire familievetes.

Een slet dan maar

Maar het nieuwe regime maakt zich aan meer dingen schuldig. Met veel gevoel beschrijft Vaculik de bossen en bergen die het Moravische landschap kenmerken. De wateren zitten vol vis, de bomen hangen vol fruit en als er ergens een grote boom is omgevallen zijn vader en zoon niet te beroerd die een dag lang door midden te gaan zagen om voor winters brandhout te zorgen. De bijl wordt op vele manieren gehanteerd in dit boek: letterlijk om brandhout te klieven maar ook door een boze boer die er woest zwaaiend  een aantal controlerende ambtenaren mee tracht te verjagen. Figuurlijk fungeert de pen van de journalist als bijl, wanneer hij een artikel schrijft over een meisje dat onterecht niet is toegelaten tot een opleiding en dat vervolgens zelfmoord pleegt. De ware reden waarom ze niet werd toegelaten – willekeur - mag niet worden onthuld, dus wordt er maar op gezinspeeld dat ze een slet was. De dokter die verklaart dat ze geen maagd meer was deed dit onder druk. Hoewel het nergens expliciet gezegd wordt, lijkt het erop dat de ik-figuur partij heeft gekozen voor het meisje omdat ze een uitgestotene is, net zoals veel van zijn familieleden en dorpsgenoten. Maar op de redactie werkt men niet met de botte bijl. Anderen verliezen hun baan als gevolg van hun verdediging van het artikel, een halfslachtige, waarbij ze niet echt kritiek durven leveren op de leiding, maar toch een verdediging. Door alle stress rond het vermaledijde artikel sterft zijn collega Slavek aan een hartaanval; de hoofdredacteur wordt ontslagen – en prompt opnieuw benoemd bij een andere krant in dezelfde functie.

Opgestapelde misstanden

In dit laatste zou je ook een halfslachtigheid van Ludvik Vaculik zelf kunnen zien, want natuurlijk kon de auteur in 1966 niet zonder meer schrijven wat hij wilde, niet in de partijkrant maar ook niet in fictie. De echte systeemkritiek is dan ook meer tussen de regels leesbaar, in ieder geval in dit deel van het verhaal. En toch zijn er hele hoofdstukken waar de communistische honden geen brood van moeten hebben gelust. Als de vader na de dood van zijn vrouw het ouderlijk huis aan zijn dochter overlaat wordt hij manager op een grote kolchoze. De oogst binnenhalen op de collectieve boerderij wordt een ramp. De misstanden stapelen zich op. ‘Mijn voorganger heeft tweemaal mijn spullen buiten de deur gezet en vier meisjes van de Werkbrigade hun intrek laten nemen in mijn kantoortje. .. Ik heb geweigerd om voor hem werkbriefjes te ondertekenen waarop de werkomschrijving altijd onleesbaar was en alleen de geldbedragen met koeienletters genoteerd stonden. Hier placht men voor werk te betalen dat nooit uitgevoerd werd. Ik zei hem die bewuste dag: ‘Schrijft u alstublieft de bedragen even onleesbaar als het werk, dan komen we waarschijnlijk aan een exacter bedrag.’ ‘ Hij wordt opnieuw beschoten, uitgescholden en bestolen. Tegen alle ervaring in blijft de vader geloven dat de maatschappij goed kan draaien als alle betrokkenen eerlijk hun plicht vervullen, terwijl de collectieve boerderij in werkelijkheid een wereld is waarin geldt: ieder voor zich en de Partij ook niet voor ons allen.

Betrapt

De cirkel van het verhaal sluit –voorlopig – bij het bezoek aan de chaufferende broer. Die beschrijft hoe zijn bazen telkens weer stukjes van zijn salaris afsnoepen, onder de meest perfide voorwendselen. De beide broers besluiten hun wraak te nemen: in het bos verderop ligt al twee jaar een enorme beukeboom. Ze vertrekken zondags met hun bijlen en hakken de stam en takken aan stukken. ’s Avonds halen ze het hout op met een vrachtwagen en worden daarbij betrapt door de boswachter. Het boek eindigt met een nachtelijke achtervolging over de slecht verlichte wegen, een waarbij ze uiteindelijk de politie weten af te schudden. Uitgeput maar lachend vieren de broers hun overwinning op het systeem, hun wraak voor hun dode vader, voor de armoede en gemiste kansen in hun jeugd. Hun wraak is vol spierpijn, tijdelijk, maar daarom niet minder zoet. Ze hebben even de bijl gezet aan de wortels van het systeem, net als de auteur met de gelijknamige roman. Drie jaar later verdween het boek alsnog onder die van de opnieuw ingestelde censuur.

De Bijl verscheen pas in 1978 in vertaling bij Meulenhoff, maar in wat voor een.. Kees Mercks heeft de roman in een zeer mooi en nog altijd hedendaags Nederlands omgezet. Het boek was toen al een klassieker van de Tsjechische literatuur. Ruim vijftig jaar na verschijnen is het nog steeds zo poëtisch, zó geestig en tegelijk zó schrijnend dat ik het gerust een roman van wereldklasse zou durven noemen.

Ludvik Vaculik: De Bijl, vertaald door Kees Mercks, Meulenhoff, 1978.

 

 

 

© Max Moragie