ZONDER EMPATHIE GEEN VERZET

EXISTENTIEEL ALLEEN IN HET BERLIJN VAN DE NAZI’S

Door Max Moragie

fallada alleen in berlijnHans Fallada sloot zich in 1933 niet aan bij de stroom auteurs die Duitsland verliet. Hij sloot zich evenmin aan bij het nazisme, zoals Gottfried Benn dat wel deed (om er zich na 1934 alweer vanaf te keren). Hij bleef in Duitsland, net als Erich Kästner, maar werd door de nazi’s niet zo hard aangepakt als Benn en Kästner en kon blijven publiceren. Dat nam niet weg dat Goebbels hem wantrouwde en de auteur zich gedwongen voelde zijn thematiek aan te passen. Het was een beetje als met de actrice Marlène Dietrich: de nazi’s wilden internationaal graag kunnen uitpakken met lievelingen van het publiek, want als élke kunstenaar van naam voor de emigratie of het zwijgen koos, stond het Duizendjarige Rijk er artistiek wel erg pover bij. Dus probeerden ze Dietrich te overreden terug te keren en lieten ze Fallada boeken publiceren die door het grote publiek gesmaakt werden. Maar het was voor Fallada ook een beetje als met Sjostakowitsch en Prokovjef, de componist die in de Sovjet-Unie bleef en degenen die er naar terugkeerde: ze ontdekten al snel dat het kunstenaarsleven in een dictatuur een zenuwslopend bestaan was. Fallada greep vaak en graag naar de fles, was ook verslaafd aan morfine en verbleef meer dan eens in een psychiatrische inrichting. Toen hij de oorlog en de dictatuur had overleefd was hij fysiek een wrak. Amper twee jaar later overleed hij in Oost-Berlijn, nog vóór de communisten hem op hun beurt voor hun karretje hadden kunnen proberen te spannen. Eén van de werken die hij naliet was de roman ‘Jeder stirbt für sich allein’.

Een stille storm

Deze postuum gepubliceerde roman kan oppervlakkig gelezen worden als een ode van het verzet van de ‘gewone man’ tegen het nazibewind. Het verhaal is gebaseerd op aktes van de Gestapo en dus even historisch als het beroemde verzet van de studenten Sofie en Hans Scholl. Het gaat in beide gevallen om papieren en niet om gewapend verzet: het verspreiden van vlugschriften die de leugenachtigheid van het bewind aantonen. Toch wordt het geleidelijk aan duidelijk dat Fallada een veel complexer beeld wilde schetsen, en er ook niet van overtuigd was dat alle vormen van verzet onder alle omstandigheden even effectief waren, laat staan gerechtvaardigd.

De belangrijkste personages zijn Otto en Anna Quangel, twee echtelieden op middelbare leeftijd die bericht krijgen dat zijn enige zoon tijdens de veldtocht tegen Frankrijk gevallen is. Zijn dood verandert uiterlijk niets aan hun leven, maar innerlijk wordt dat overhoop gezet. De zwijgzame voorman in de meubelfabriek wordt nog stiller en geleidelijk aan transformeert zijn verdriet zich in woede. Hoeveel vaders en moeders zal Hitler nog hun zonen ontnemen? Uiteindelijk geeft Otto uiting aan die woede in de tekst op een briefkaart. Deze anonieme kaart legt hij op een ochtend in het trapportaal van een groot herenhuis waarin tal van kantoren gevestigd zijn. Het is de eerste in een lange reeks. De twee daaropvolgende jaren zullen overal in Berlijn briefkaarten met staatsvijandige teksten opduiken. De Quangels menen dat ze op deze manier honderden, zo niet duizenden stadsgenoten aan het nadenken zetten en dus een stille storm van protest ontketenen. De werkelijkheid is heel anders.

              Fallada slaagt erin het benauwde perspectief van de Quangels te overstijgen door als eigenlijk hoofdpersonage van het boek het gebouw te nemen waar het echtpaar woont. Alle huurders worden als vertelperspectief gekozen, waardoor via een breed spectrum van personages ook een breed pallet aan opvattingen en karakters aan bod komt. Er is de oudere joodse dame op de bovenste verdieping, die tevergeefs wacht op de terugkeer van haar gearresteerde echtgenoot. Er is de gepensioneerde rechter, die zich letterlijk en figuurlijk heeft teruggetrokken in zijn appartement en zijn bibliotheek. Er is het nazi-gezin dat wordt geterroriseerd door de zestienjarige zoon die zó fanatiek is in zijn Hitler-trouw dat hij in staat zou zijn de eigen familieleden aan te geven bij de Gestapo. Er is de vrouwelijke postbode die probeert haar gokverslaafde en vreemdgaande echtgenoot uit huis te weren. En er is de nietsnut die als conciërge fungeert en die samen met zijn vrouw en vijf kinderen op de begane grond woont.

Domheid en gewetenloosheid

               Hans Fallada werd niet voor niets beroemd met de roman ‘Kleiner Mann, wass nun?’. Hij is op zijn best wanneer hij de gedachten en gedragingen van mensen uit de zogeheten lagere klassen beschrijft. Bijvoorbeeld de echtgenoot van de postbode, Egon Kluge, een arbeidsschuwe charmeur, die leeft op de kap van vrouwen. Domheid en gewetenloosheid gaan bij dergelijke types hand in hand. Kluge wordt verantwoordelijk voor de ondergang van zijn joodse buurvrouw, maar niet eens omdat hij een overtuigde antisemiet is, enkel omdat hij de nazi-propaganda gelooft die stelt dat de joden hebben gestolen van de Duitsers. Hij rechtvaardigt zijn daden met de uitroep: “Ik wil toch enkel terug wat ze mij ontnomen heeft?”. Dat hij hoe dan ook niets bezat en dus ook nooit kon worden bestolen komt niet in hem op. Het nazisme speelde doelbewust in op de gevoelens van minderwaardigheid waarmee dergelijke proleten behept zijn. Eenzelfde soort rechtvaardiging houdt de conciërge Borkhausen erop na voor zijn betaalde spioneren voor de Gestapo. Het leven is niet royaal voor hem geweest: hij zit opgescheept met een vrouw die geregeld de hoer speelt en als gevolg daarvan vijf kinderen heeft (slechts één ervan is – waarschijnlijk- van hem). Hij heeft dus recht op de vergoedingen die de politie hem uitkeert als beloning voor zijn verraad – en natuurlijk op de centen die zijn vrouw bij elkaar tippelt.

Zowel Kluge als Borkhausen spelen een hoofdrol in de zoektocht van commissaris Esscherich naar de zogeheten ‘Klabautermann’: de geheimzinnige briefkaartenschrijver die de Gestapo het leven zuur maakt met zijn onvindbaarheid. Want de tweehonderd handgeschreven boodschappen die de Quangels her en der in de hoofdstad deponeren komen bijna zonder uitzondering bij de Gestapo terecht. De vinders zijn doodsbang dat ze met een dergelijke kaart op zak worden betrapt en leveren deze zo snel mogelijk bij de autoriteiten in. Sommigen worden hierdoor alsnog verdacht van staatsvijandige activiteiten, anderen verdenken hun beste vrienden ervan hen op die manier een loer te hebben willen draaien. Hoe dan ook hebben de boodschappen telkens het tegenovergestelde effect van wat ze beogen. Ze verhogen de angst en brengen onschuldigen in moeilijkheden. Maar ook de Gestapo zelf heeft er de handen vol mee. De Obergruppenführer die als Esscherichs superieur is aangesteld dringt steeds harder aan op resultaat: de schrijver zet de dienst voor schut en móet opgepakt worden. De commissaris weet dat dit enkel een kwestie van tijd is. Vroeg of laat loopt de Klabautermann tegen de lamp, maar de Obergruppenführer heeft dat geduld niet. Hij tiranniseert zijn ondergeschikte, zodat deze zijsporen gaat bewandelen om maar van die druk verlost te zijn. Zo kruist zijn pad dat van Kluge en Borkhausen en via deze nietsontziende egoïsten ook dat van enkele goedbedoelende vrouwen. Voor ieder van hen betekent dit het einde van hun vrijheid, en soms ook hun leven.

Pure paniek

En ondertussen schrijft Otto Quangel elke zondagochtend rustig voort aan zijn kaarten, droomt van een stille opstand tegen de Führer en verricht verder braaf zijn werkzaamheden. In de fabriek is van meubels overgeschakeld op doodskisten, een van de weinige aanduidingen over het voor de Duitsers slechter wordende verloop van de oorlog. Hij beseft niet hoeveel geluk hij telkens weer heeft, maar tegelijk tart hij het lot steeds vaker. Het schrijven en neerleggen van kaarten wordt een verslaving, een doel op zich om een zinloos geworden bestaan nog wat betekenis te verlenen. Als hij tijdens een dienst in de fabriek per ongeluk een kaart uit zijn jas laat vallen kan hij de verleiding niet weerstaan een arbeider te bevelen hem te lezen - “Wat ligt daar? Pak dat eens op.” – en dan pas vallen hem de schellen van de ogen. Pure paniek bij de lezer in plaats van instemming en stiekem doorgeven, en vervolgens alarm in de fabriekshal. De Gestapo wordt gewaarschuwd en dat is het onvermijdelijke eind van het spel voor de Quangels.

Sterven met opgeheven hoofd

In de loop van enkele honderden bladzijden is de sympathie van de lezer voor Otto Quangel geleidelijk verminderd. Die voor commissaris Esscherich daarentegen is enigszins gegroeid. Natuurlijk, de man werkt voor de nazi’s en brengt de verkeerden achter de tralies, maar in zijn optreden is hij nooit gewelddadig en vaak zelfs billijk. Bovendien wordt hij zelf geschoffeerd door de SS officieren die hij als oude politieman boven zich moet tolereren. De confrontatie tussen Quangel en Esscherich tijdens de verhoren is het orgelpunt van de roman. Quangel ziet in dat zijn actie tot niets heeft gediend. Een hele rits mensen is erdoor in de problemen geraakt, waaronder de verloofde van zijn gestorven zoon, die als medeplichtige in de gevangenis belandt, net als echtgenoot. Maar ook de commissaris is door ‘De Zaak Klabautermann’ iets gaan inzien, namelijk dat hij jacht maakt op gewone mensen die door het bewind getroffen zijn in het meest dierbare dat ze bezitten: hun kinderen. “En wie gaat u na mij weer achter de tralies brengen?” vraagt Quangel hem brutaal. Dat, en de constante beledigingen en bedreigingen door de SS, wordt Esscherich teveel: hij pleegt zelfmoord met zijn dienstwapen. Otto Quangel daarentegen voelt zich in zijn cel bevrijd van alle lasten, geheimen en verantwoordelijkheden. Hij sterft met opgeheven hoofd. Lang was hij niet zo gelukkig en tevreden als in de weken vóór zijn executie.

               De beschrijving van die periode na de arrestatie is eigenlijk veel te uitvoerig. De roman verliest sterk aan spanning en het verhaal begint larmoyante trekjes aan te nemen. Het evenwicht tussen tragiek en humor, dat Fallada in de meer dan driehonderd bladzijden daarvoor zo fantastisch heeft weten vol te houden is weg. Want in de beschrijving van de avonturen van Borkhausen en Kluge, van de wedervaardigheden van de oudere joodse dame, de leden van het nazi-gezin en de gepensioneerde rechter weet de auteur evengoed op de lachspieren als de kraanklieren te werken. Fallada beschrijft mensen in al hun benepenheid, met al hun vervelende karaktertrekken. Als ze er af en toe in slagen daar bovenuit te stijgen, zoals de rechter bij de joodse bovenbuurvrouw, krijgen ze plotseling op een overtuigende manier iets groots. Dat geeft ‘Jeder stirbt für sich allein’ een grote overtuigingskracht, veel meer dan de historische werkelijkheid waarop het boek gebaseerd is. Ook de stijl van Fallada draagt daartoe bij. Na bijna zeventig jaar heeft ze nog nauwelijks aan vlotheid ingeboet. Veel ‘volksschrijvers’ van destijds hebben onderhand iets zeurderigs gekregen. Dat geldt niet voor deze auteur, wat waarschijnlijk een van de redenen is dat zijn romans aan een revival bezig zijn, ook in Nederlandse vertaling.

               Eigen hachje

               De communisten presenteerden ‘Jeder stirbt für sich allein’ graag als verzetsroman, maar eigenlijk klopt dat niet. Het is een roman waarin de vraag gesteld wordt naar de juistheid van verzet tegen een dictatuur. Het gaat niet om de morele rechtvaardiging, want die staat buiten kijf, maar om de keuze van de middelen. Fallada laat zien uit welke lage motieven mensen die verraad plegen vaak handelen, maar hij plaatst ook vraagtekens bij de zogeheten hogere van de Quangels. Terecht is het echtpaar verontwaardigd over een oorlog die hun enige zoon het leven heeft gekost, maar met hun ondoordachte biefschrijverij helpen ze onbedoeld en indirect de angst onder de bevolking te vergroten in plaats van de verzetslust te vergroten. De lezers van de briefkaarten denken enkel aan hun eigen hachje. In plaats van de schrijver in gedachten een schouderklopje te geven werpen ze een wantrouwige blik over hun eigen schouder. ‘Ieder sterft voor zich alleen’ kan ook worden gelezen als een verwijzing naar de cocon waarin elke burger in een dictatuur leeft. Ieder is op zichzelf teruggeworpen. Waar echter zelfs geen ruimte is voor empathie, is hoe dan ook geen plaats voor verzet.

Een nieuwe vertaling van deze roman verscheen in 2012 bij Cossee onder de titel ‘Alleen in Berlijn’.

 ©Max Moragie

In januari verschijnt het Berlijn nummer van Deus Ex Machina met bijdragen van o.m.Berlijn-kenners Jeroen Kuypers Piet De Moor, Huub Beurskens Dolores Thijs , Bodo Morshäuser, Jorg van Caulil (over voetbal ten tijde van de Muur) en vele vele anderen.

"Jeder stirbt für sich allein" van Hans Fallada werd al in 1976 verfilmd met Hildegard Knef in de hoofdrol. Binnenkort verschijnt een nieuwe verfilming starring Emma Thompson.