Waarom ik van Jozef Eijckmans hou

Door Marc Bruynseraede

jozefeijckmansMidden de jaren tachtig kom ik op een receptie een kunstvriend-dichter en muziekrecensent tegen. Al pratend met Al (zo heet hij) valt de naam Jozef Eijckmans. Meestal zie je dan, als je deze naam uitspreekt, de vraagtekens in de ogen van je gesprekspartner rijzen. Want : “Wie mag Jozef Eijckmans wel zijn ?” “Jozef Eijckmans ? Nooit van gehoord !”.

In diezelfde periode vindt er een marktonderzoek plaats, waarin naar de kennis van de Belgen inzake kunst gepeild wordt, onder de titel : “De Belgen en de Kunst”. Bedoeling was een zicht te krijgen op het algemeen kennispeil van kunst. Eén van de vragen luidde : “Wie is Eugeen Laarmans ?” . “Laarmans ? Is dat die coureur niet ?”

Conclusie : 95% van de Belgen antwoordt : weet het niet.

Daar moest ik aan denken als we het over Eijckmans hadden.

Maar bij onze goede vriend Al gaat er een belletje rinkelen. “En waarom hou jij van hem ?” vroeg ik hem. “Ah, zijn origineel, experimenteel taalgebruik, zijn unieke taaldeconstructie : weg met de leestekens, hoofdletters, weg met de spraakkundige regels en de onderlinge samenhang van de woorden en betekenissen. Bij hem is poëzie een taal-, klank- en sfeer-bouwwerk dat vaak slechts een indirecte betekenis krijgt. Iets dat een nieuwe inhoud geeft aan de taal. Een methode die absoluut uniek is in de Nederlandse dichtkunst en die ook gauw opgemerkt wordt door collega-dichters in de kroeg.

Jozef Eijckmans is natuurlijk niet de gemakkelijkste dichter. En het staat ook koket om, als poëziekenner, een beetje uit te pakken met een dichter waarvan weinigen begrijpen wat hij eigenlijk wil zeggen, laat staan inschatten wat zijn betekenis is.

Maar dat is niet het geval bij onze vriend Al. Bij wie, zoals hij, met taal bezig is ontstaat, bij de lezing van de poëzie van Jozef Eijckmans, spontaan een zekere verwondering en respect voor de originaliteit en zeggingskracht. Je staat ervan te kijken wat hij met taal doet.

Ook zit er in zijn werk een stuk mysterie; ik zou zelfs zeggen “verhulling”, zich niet helemaal blootgeven. Eijckmans is geen blootloper, geen dichter-van-de-sentimentele ontboezemingen, geen uitpakker met grote gevoelens en oeverloze, overbodige beschrijvingen.

Neen, zijn taal is eerder staccato. Geen volzinnen, geen woord teveel. Woorden met stilten ertussen die ruimte geven aan de verbeelding van de lezer.
Dat brengt natuurlijk gedachtensprongen, vreemde associaties en onverwachte wendingen met zich mee.

Maar bij een aandachtige lezing merk je toch dat het er de dichter niet in de eerste plaats om te doen is “origineel” over te komen of “exotisch” maar eerder het onuitsprekelijke te benaderen, zonder het volmondig te willen formuleren. De limieten van de taal te verkennen tot aan de grens van het verstaanbare.

Jozef Eijckmans houdt van enige mystificatie – de waarheid kan je toch nooit volkomen kennen - en heeft iets van de alchemist, de stoutmoedige leerling-tovenaar apothekersassistent Johan Friedrich Böttger die in 1734, in de kelders van de keurvorst van Saksen August de Sterke, van banale grondstoffen goud wilde maken en daarbij, bijna per ongeluk, de formule ontdekte om porselein te maken. Dit was alleen maar mogelijk door ongekende chemische verbindingen te creëren, door dingen te doen niemand vóór hem gedaan had. In het geval van Eijckmans ook : door de vibraties en resonanties van zijn gemoed en zijn omgeving haarfijn te registreren en vervolgens op papier te zetten.

In die zin kan men niet spreken van een hermetisch of cryptisch dichter, eerder van iemand die, op een heel aparte wijze, volkomen zichzelf is en die, uit de smeltkroes van zijn kennis én achtergrond - jeugdjaren, milieu en opvoeding - gekomen is tot de zegging die hem eigen is.

Onmiddellijk ga je dan associaties zoeken en vergelijkingen maken met dichters of bewegingen die verwantschap vertonen. Spontaan komt dan de poëzie van de tijdgenoten-vijftigers in the picture. Paul Rodenko was diegene die in 1955 de eerste spadesteek gaf tot bundeling en publicatie van de eerste gedichten van Jozef Eijckmans. Een beetje in het kielzog van de taalexperimentele kunstenaars. Eigenlijk was Eijckmans in die dagen het gedroomde ideaal voor de taalkunstenaars die weg wilden van de stroperige lyriek/romantiek of egotripperige belijdenispoëzie. De taal moest opnieuw uitgevonden worden.

Aan de definitie van Paul van Ostaijen : “Poëzie is een metafysisch spel met woorden” zou Eijckmans toegevoegd hebben : “Mij is het er niet om te doen de realiteit te beschrijven, vorm te geven of te “verhevigen”. Neen, ik schep een NIEUWE realiteit.”

Hoe het ook zij Jozef Eijckmans kan men alleen onderbrengen bij de modernistische strekkingen in de kunst van de twintigste eeuw. Hij hoort overal en nergens thuis. Zijn poëzie is zuiver Eijckmansiaans (zie HST V : Jozef en het Licht). Zijn verzen schieten uit met een ongeremde verbeeldingskracht en een ongeziene woordenschat. Soms denk je : “Jezus, waar gààt dit over ?” Maar geen nood : in de bredere kontekst wordt algauw meer duidelijk.

En achter de borrelende taalkolven in het laboratorium staat een glimlachende dichter : de magister artifex die deze wonderlijke wereld tot stand brengt, vol kleur, rookwalmen en vreemde geuren.

Wat is dit voor een spektakel ! Waar haalt ie het vandaan ? En vooral hoe komt het dat hij zo schrijft ?

Dan kom je bij de biografische gegevens terecht. Jozef Eijckmans, geboren te Gorinchem in 1907. Verliest zijn vader op de leeftijd van 9 jaar. Precies wat schrijver dezes ook is overkomen. Je kan je dus voorstellen wat dit betekent voor de jongen. Ook op kostschool gaan heb ik met Eijckmans gemeen. Heel jong word je geleerd wat eenzaamheid, gemis aan affectie, plantrekkerij en “je-eigen-gang-gaan” betekent. Ergens – onbewust – ga je op zoek naar een vaderfiguur, iemand naar wie je opkijkt, iemand die het gezag vertegenwoordigt.

De familiale en schoolse tribulaties in die jonge jaren, ten tijde van Wereldoorlog 1, smeden zijn karakter, gaan de humus en achtergrond vormen van zijn gedichten.

Zélf zei Eijckmans: “Ach, die biografische gegevens zijn niet belangrijk. Waar het om gaat zijn de gedichten. Vergeet al de rest”. Maar voortdurend zie je zijn verleden in zijn gedichten en gedachten opduiken. Zijn vader, zijn moeder, zijn thuis, zijn omgeving zijn méér dan sentimentele herinneringen (zie HST I Het geslacht Eijckmans)

Biografische gegevens, hoezo, onbelangrijk ? Recensenten, interviewers en bewonderaars hebben decennialang dit verhaal door Jozef ingelepeld gekregen.

Nu wilden we toch graag weten wat er écht is gebeurd in dat stuk van zijn leven waarover hij niet wilde spreken.

Wij duiken de archieven in, praten met vrienden en kennissen en lezen de briefwisseling, om de origine van deze aparte, zachtmoedige, schuchtere maar bovenal oorspronkelijke, eigenzinnige persoonlijkheid te ontraadselen.

Aan het eind van dit werk zullen we zijn gedichten met andere ogen gaan lezen en wellicht ook beter een plaats kunnen geven, laat staan begrijpen.

Tegelijk willen we ook de bekendheid verbreden van iemand die toch tot de grote Nederlandse dichters van de twintigste eeuw mag gerekend worden.

Dat is de opzet van dit werk.

©Marc Bruynseraede

Marc Bruynseraede is één van de oprichters van Deus Ex Machina. Hij maakt momenteel een studie van de 'vergeten Haagse dichter' Jozef Eyckmans.

 

Uit : “Dit tedere ruige landschap van de haast” (1980)

licht bij

hier in het donker

goed

 

daar liep een kind

later een man telkens

weer

ofschoon

anderen

zij wisten het wel

dat was

vuur

 

en niet alleen de lamp op

de trap naar

boven

help nu maar

 

ginds

aan die bosrand van doden

en hier in de modder

 

ben je wel warm

gekleed

©Jozef Eijckmans