Over nr. 124: Koerdische literatuur

In de meeste Koerdische gebieden is censuur niet eens het ergste wat de literatuur treft. De situatie is veel dramatischer: het gebruik van de Koerdische taal wordt veelal gewoon verboden – de bestaansvoorwaarde voor literatuur wordt gefnuikt. Dat er in deze repressieve context überhaupt iets is ontstaan als een Koerdische literatuur, heeft te maken met een sterke orale traditie, ontzettend veel moed van hen die hun heimat niet verlieten en toch publiceerden én met nieuwe impulsen van schrijvers in ballingschap.In samenwerking met Het Beschrijf en het Koerdisch Instituut Brussel heeft  Deus ex Machina een selectie gemaakt van hedendaagse Koerdische schrijvers, zowel uit Koerdisch gebied als – veelal – uit de diaspora. Teksten uit Syrië, Irak, maar ook uit Duitsland, Frankrijk of Australië. Teksten in het Kurmanci of het Sorani (de grootste Koerdische dialecten) maar ook in het Engels of het Frans. Dat dit een bijzonder kleurrijk palet oplevert, hoeft niet te verbazen. Met dit nummer bieden we een zeldzaam forum aan een literatuur die amper ooit rechtstreeks in het Nederlands werd vertaald.

Verder starten we in dit nummer met twee nieuwe rubrieken. ‘In de luwte’ wordt een plek waarin schrijvers in een essay een werk uit de Nederlandse literatuur opdiepen en zo indirect meewerken aan een verrijking van de canon. In dit nummer viste Christophe Vekeman Een zwakke van Frans Coenen op.

De tweede nieuwigheid is een hoekje waarin auteurs reflecteren over hun debuut. Het wordt een veelbelovende reeks, een plek waarin auteurs hun poëticale ontwikkeling schetsen. Paul Mennes steekt openhartig van wal.

In de rubriek ‘Klein gedrukt’ belichten we ditmaal de Franse uitgeverij Allia. We trakteren u op een interview met de eigenzinnige uitgever, Gérard Berréby, en op teksten van nieuwe Allia-talenten, Eric Chauvier en Claire Marin.

Verder zaten in onze postbus verstorende kortverhalen van Agota Kristof, een dromerige Nocturne van Arjen van Meijgaard en Loopse teven van John Toxopeus. En poëzie van Herman Leenders, Anna De Bruyckere en van Juan Manuel Roca, in een vertaling van Stefaan van den Bremt.

Nick Hannes zorgde voor schitterende foto’s uit de Koerdische regio.

De redactie

 MEER OVER HET KOERDISCHE NUMMER VIND JE HIER

 

 

 

 

 

Over nr. 125: Kafka

Op 3 juli 2008 was het 125 jaar geleden dat Franz Kafka werd geboren. Voor Deus ex Machina een uitgelezen gelegenheid om eens stil te staan bij de literaire nalatenschap van deze cultauteur en bij de invloed die hij vandaag op de literatuur uitoefent.

Een internationaal gezelschap van auteurs, kenners en wetenschappers dompelen u onder in Kafka’s denkwereld. De Britse succesauteur Zadie Smith analyseert haarscherp de kracht en aantrekkingskracht van Kafka’s werk. Yves Petry en Thomas Gunzig brengen een literaire hulde, en via DeM-redacteur Michiel Kroese leren we ook Vladimir Nabokovs waardering voor Franz Kafka kennen. Professor Vivian Liska en Urbanmag-redacteur Gunther De Wit buigen zich beide over Kafka’s ambigue houding ten opzichte van de vrouw. Op het leven van de laatste vrouw in Kafka’s leven baseerde Kathi Diamant een gefictionaliseerde biografie, waaruit we een fragment publiceren.

Maar we wilden meer dan alleen stilstaan bij het leven en werk van Franz Kafka. We wilden een actuele, maatschappelijke dimensie aan dit nummer geven. Want de verbanden tussen het wereldbeeld dat Kafka in zijn romans en novellen schetst en de reële wereld van vandaag worden steeds duidelijker en talrijker. Politieke spanningen en mondiale bedreigingen, maatschappelijke paranoia, oprukkende beveiligingscamera’s, internationale DNA-banken en onuitwisbare virtuele vingerafdrukken – allemaal fenomenen waardoor het individu steeds meer het gevoel krijgt de controle op de hem omringende wereld en, erger nog, op zijn eigen bestaan te verliezen. Of zoals John Calder, jurylid van de prestigieuze Praagse Franz Kafka Award, in zijn bijdrage tot dit nummer het verwoordt: Kafka’s imaginaire wereld is ‘een pijnlijk nauwkeurige metafoor [geworden] voor de mogelijke toekomst waarmee we tegenwoordig worden geconfronteerd.’

Juist daarom leek het ons interessant om bij auteurs en artiesten te peilen naar kafkaëske factoren in hun eigen bestaan of om hen te vragen zich in te leven in een hedendaagse versie van Josef of Josefina K. Die vraag leverde een aantal verrassende resultaten op. Thomas Möhlmann sluit, in de reeks gedichten die hij voor dit themanummer schreef, de lezer op in een raadselachtig existentieel labyrint. De jonge Nederlandse schrijfster Claire Polders stelt de eigen identiteit in vraag. Frans Kusters roept de machteloosheid op van een huiselijk, psychisch drama. Het Antwerpse theatercollectief Salomee Speelt liet zich door Lewis Carrol en Murakami maar vooral door Kafka inspireren voor de voorstelling ‘Alice in A’. Van de laatste beweging uit de theatertekst van die voorstelling vindt u in dit nummer een bewerking.

Het kafkagedeelte wordt mooi aangevuld door twee vaste rubrieken. In ‘In de luwte’ bespreekt Reinout Verbeke zijn fascinatie voor de dichter Leopold M. Van den Brande en in ‘Het gevaar van debuteren’ gaat Willem van Zadelhoff op zoek naar de betekenis van zijn eerste pennevruchten. We sluiten dit nummer af met een actuele beschouwing van Harold Polis over de invloed van het internet op het papieren boek.

Dat het nummer ook visueel in een mysterieuze, film noir-achtige sfeer baadt, is voornamelijk te danken aan de Franse fotograaf Jérôme Sevrette. Hij stelde zijn unheimliche reeks ‘L’Asile des Mouches’ ter beschikking. Ook is er de adaptatie van Kafka’s kortverhaal ‘De Brug’, door de New Yorkse graphic novelist Peter Kuper. En als kers op de taart presenteren we een unieke reeks portretten van de familie Kafka, inclusief een dromerig portret van een nog piepjonge Franz.

De redactie

MEER OVER HET KAFKANUMMER VIND JE HIER

Brockway Prize voor Jan H. Mysjkin

Omdat DEM altijd de oren spits als er over vertalen wordt gesproken, deze nieuwsflits:

misjkinDe Brockway Prize, de tweejaarlijkse onderscheiding voor vertalers van Nederlandse poëzie,werd gisteren tijdens het 40e Poetry International Festival in Rotterdam toegekend aan Jan H. Mysjkin en Pierre Gallissaires. Zij ontvangen de prijs voor hun vertaling van onder meer de poëzie van Gerrit Kouwenaar en Paul van Ostaijen in het Frans.

Aan de prijs is een bedrag van 5000 euro verbonden. Elke keer staat een ander taalgebied centraal. Vier jaar geleden, toen de prijs voor de eerste keer werd uitgereikt, was dat het Engels. Twee jaar geleden ging het om vertalingen in het Duits, dit jaar betreft het vertalingen in het Frans.

Mysjkin (1955) is een Nederlandstalige dichter en vertaler van en naar het Frans en van en naar het Roemeens. Gallissaires (1932) is een Franse dichter en vertaler. Gezamenlijk vertaalden zij de poëzie van talloze Nederlandstalige dichters.

Gisteren stond het Poetry international festival overigens helemaal in het teken van vertalen en vertalers.