DEUS EX MACHINA NR 174: MYTHOMANIE

Woord vooraf

‘Never trust the artist. Trust the tale’, schreef D.H. Lawrence ooit in Studies in Classic American Literature (1923). Lawrence’s quote is een advies aan de literaire criticus om een tekst als een op zichzelf staand geheel te beschouwen, los van de mogelijke intenties die de auteur hiermee heeft. Nochtans is een gezonde dosis wantrouwen tegenover auteur én tekst in sommige gevallen geen overbodige luxe. Zeker wanneer we te maken hebben met teksten die zichzelf als ‘non-fictie’ of ‘op ware feiten gebaseerd’ presenteren en die achteraf gedeeltelijk of volledig bij elkaar gelogen blijken te zijn.

Liegen, zo verzekeren psychologen en psychiaters ons, doen we allemaal en daar is op zich niks mis mee. Filosofen als Immanuel Kant mogen dan wel beweren dat een wereld zonder liegen een betere wereld is omdat de leugen het vertrouwen onder de mensen ondermijnt. Een leugentje om conflictsituaties te vermijden of om een gevoel van schaamte of schuld te verdoezelen kan heus geen kwaad. Problematisch wordt het wanneer dit liegen allesoverheersend en pathologisch wordt en het vaak niet duidelijk is of de ‘leugenaar’ zijn eigen leugens gelooft. In de psychiatrie wordt deze ziekelijke vorm van liegen wel eens aangeduid als ‘pseudologia phantastica’ of ‘mythomanie’ – waarbij het volgens sommigen om een zelfstandige psychische stoornis gaat, terwijl het voor anderen eerder een symptoom is van een dieper liggend probleem.

In een essay over Holocaust-mythomaan Binjamin Wilkomirski verderop in dit nummer wordt de Nederlandse psychiater Hans Stoffels geciteerd. Bij de pathologische leugenaar detecteert hij twee belangrijke eigen-schappen: ‘Ten eerste een abnormale geldings- en erkenningsdrang, gemotiveerd door een onverzadigbare wens om de eigenwaarde te doen stijgen; ten tweede een ongewoon sterke fantasie, die vaak zeer origineel is, boordevol frisse ideeën en originele gedachten, vaak ook afgeleid en van buitenuit geïnspireerd door romans en films.’Met een beetje slechte wil zou je Stoffels’ opmerking over de mythomaan ook kunnen toepassen op de schrijver of, meer algemeen, op de kunstenaar. Over de eerste eigenschap valt stevig te discussiëren, maar de tweede is zonder meer een kwaliteit waar menig auteur mee gezegend is.

Deze Deus Ex Machina onderzoekt het snijvlak tussen pathologische mythomanie en literatuur. In wat volgt serveren wij u essays, kortverhalen en gedichten van en/of over mythomanen, fantasten, leugenaars, bedriegers, onbetrouwbare vertellers en literaire personages als Don Quichot en de Baron von Münchhausen.

In twee inleidende essays verkent Michiel Kroese de grenzen tussen fictie, mythomanie, bedrog, waarheid en waarachtigheid in de literatuur. Max Moragie las de biografie van de bekende Nederlandstalige mythomaan Boudewijn Büch en speurt naar mogelijke drijfveren. Gaea Schoeters schreef een brief aan Harry Mulisch. Wim Michiel fileert leven en werk van Holocaust-mythomaan Binjamin Wilkomirski, terwijl Elke d’Hoker reflecteert over het statuut van de onbetrouwbare verteller. Roland Breeur filosofeert over leugen, bedrog en fantasie in Cervantes’ Don Quichot.

Driehonderd jaar geleden werd de (historische) Baron von Münchhausen geboren. Wij vertaalden een kort fragment uit de Münchhausen-versie van Gottfried August Bürger en we vroegen aan zes auteurs om een ‘leugenverhaal’ te schrijven. Geen verhaal met de leugenbaron als protagonist; maar een verhaal ‘waarvan de lezer op voorhand weet dat het gelogen is’. Astrid Haerens, Frederik Lucien De Laere, Aleksandr Skorobogatov, Jonis Hartmann, Nefeli Kavouras en Lubi Barre gingen de uitdaging aan. De zeer diverse resultaten vindt u in dit nummer.

Voor het beeldmateriaal trokken we naar de Karl May-stad Radebeul. In deze vlakbij Dresden gelegen provinciestad beheert kunstenaar en Münchhausen-geestesgenoot Reinhard Zabka (ofte Richard von Gigantikow) al een tiental jaar zijn unieke ‘leugenmuseum’.

De poëzie-bijdragen zijn van de hand van Julio Cortázar (in een vertaling van M. Vanderzee), Léa Festraets, Jolanda Kooijmans en Yerna Van den Driessche. En tenslotte is er nog indringend proza van Uschi Cop en flash fiction van de vijf Vlaamse laureaten van de EACWP-wedstrijd.

De redactie

Frederik Willem Daem over ‘Tekens van leven’: “Pijn doet je meer levend voelen dan berusting”


Door Tess Jacobs, student journalistiek AP Hogeschool

Frederik Willem Daem debuteerde in 2015 met zijn verhalenbundel Zelfs de vogels vallen, die enthousiast onthaald werd. Nu, vijf jaar later, verschijnt zijn eerste roman Tekens van leven. Een boek over cruciale keuzes met desastreuze gevolgen, verslaving en de schoonheid die zich in de saaiheid van het leven verschuilt.

Frederik en ik spreken af in de Tropicana in Brussel, waar hij ijverig aan het knutselen is aan zijn kartonnen versie van Café De Kauw. Een fictieve bruine kroeg die de uitvalsbasis vormt voor Andreas, de protagonist in Tekens van leven. Frederik biedt me een plastieken flesje water aan en we zoeken een plekje naast zijn eigenhandig in elkaar geknutselde pooltafel. Dit leunt het dichtste aan bij ‘op café gaan’ sinds COVID-19 het land in lockdown dwong.

Welk gevoel overheerst er, nu het boek klaar is? Opluchting? Gemis?

“Allebei. Hoewel ik er naar het einde toe echt klaar mee was, is het een heel fijne fase geweest. Ik heb de afgelopen jaren héél veel geschreven. Altijd ’s nachts, waardoor ik in een stroom ben beland. Elke dag ging ik tegen elf uur ’s avonds neerzitten en schreef ik makkelijk door tot vijf uur ’s ochtends. Ik lag hele dagen in bed, omdat het zwaartepunt van mijn dag zich aan het einde bevond. Ik had schrik om ook maar iets te doen, omdat ik niet wilde dat het mijn prestaties zou beïnvloeden.”

“Wanneer ik daar dan ’s nachts zat, dacht ik: ik doe het toch maar. Hoe zot is dat eigenlijk, dat je iets zo belangrijk vindt, dat het je ertoe drijft nachtenlang te schrijven. Ik prijs me er gelukkig om, dat iets me zo bezighoudt dat ik dat daarvoor over heb. Maar je kan zoiets enkel doen, wanneer het ergens naartoe gaat.”

Al dat nachtenlange schrijven moet heel wat materiaal opgeleverd hebben.

“Ik ben iemand die heel veel schrijft, om vervolgens weer heel veel te schrappen. Tekens van leven was een boek van zeshonderd pagina’s, waarvan ik er uiteindelijk driehonderddertig heb overgehouden. Momenteel ben ik bezig aan een nieuw project en ondanks dat ik weet welke werkwijze me het beste ligt, voelt het beginnen aan een nieuw boek nog steeds even onwennig.

Gaat het schrijven van een roman niet heel anders in zijn werk dan het schrijven van een verhalenbundel?

“Absoluut. Bij Zelfs de vogels vallen schreef ik soms maar een maand aan een kortverhaal. Wanneer je de bundel afwerkt, zijn sommige verhalen al een jaar oud. Terwijl je een roman telkens van begin tot eind onder handen neemt en dus eigenlijk gelijk schrijft met het moment waarop jij je bevindt in je leven.”

Vond je het moeilijk om Tekens van leven los te laten?

“Zeker. Maar je komt op een punt wanneer het bijna onmogelijk is om bepaalde zaken nog aan te pakken. Ik had dat boek op tien verschillende manieren kunnen schrijven en dan waren het ook tien verschillende boeken geworden. Elke keuze legt je verhaal in een bepaalde plooi en sluit daardoor mogelijkheden uit. Je kan nog teruggaan op je stappen, maar eens de fundering er staat, moet je daarbinnen blijven werken. Dan probeer je van het huis dat je bouwt, een zo mooi mogelijk huis te maken. Want het huis staat er al. Je kan natuurlijk alles met een sloopkogel met de grond gelijk maken en opnieuw beginnen, maar dan schrijf je een ander boek.”

Wanneer beslis je dan dat het goed is?

“Je moet kunnen loslaten, want je kan altijd tot aan het einde details veranderen, wat ik ook gedaan heb. De dag voordat het boek naar de drukker werd gestuurd, heb ik de laatste zin veranderd. Dat is haast zo symbolisch, dat het lachwekkend wordt. Wanneer je dan het definitieve punt zet, creëer je een afstand tegenover je werk, waardoor er plaats wordt gemaakt voor een zekere schaamte.”

Je hebt een groot deel van het schrijfproces in cafés doorgebracht, werd je daar dan ook tot het vaste klantenbestand gerekend?

“In sommige cafés wel. Ik ging vaak naar dezelfde, waar ik dan de wifi-code vroeg en begon te schrijven. Zoals velen dat in koffiebars doen. Soms koos ik ook onderweg naar huis een café, of zocht ik er een in de buurt wanneer ik ergens wat tijd moest overbruggen. Dan schreef ik details neer die me opvielen, om te verwerken in Café De Kauw. Maar los van mijn schrijfproces, ben ik sowieso in een paar cafés vaste klant. Op café gaan is een fundamenteel onderdeel van mijn leven.”

Vond je het belangrijk om voor een fictief café te kiezen?

“Exact. Café De Kauw is een amalgaam van alle cafés waar ik geweest ben. Ik wou niet vastzitten aan de waarheid. Het idee is begonnen in café De Raaf in de Van Schoonbekelaan in Antwerpen, omdat ik dat zo’n charmant café vond. Daarna ben ik elementen gaan ontlenen van verschillende cafés. Het personage Eckhart komt uit een café om mijn hoek, waar ik een gesprek aanging met iemand waarvan ik zijn naam zelfs niet weet. Hij fladderde als eeuwige single van café naar café. Het gesprek dat we toen hadden, staat neergepend in Tekens van leven. Zo is café De Kauw stilaan een samenraapsel geworden, een fictief voorbeeld van de bruine kroeg die op sterven na dood is.”

De stad speelt een grote rol in Tekens van leven, wat vind je zo intrigerend aan het stadsleven?

“Ik ben opgegroeid in Brussel en heb een tijd in New York en in Antwerpen gewoond. Wat me zo aantrekt aan een stad, is dat er automatisch een confrontatie ontstaat met de werkelijkheid. Dat ontbreekt meer op het platteland.”

Toch heerst er in café De Kauw niet de typische stadsmentaliteit.

“Café De Kauw is eigenlijk heel kleinstedelijk ingesteld, zoals dat gaat in Antwerpen naar mijn gevoel. Brussel is een metropool, waar problemen een grotere omvang lijken te hebben. In Antwerpen heb je meer die kenmerkende ons kent ons mentaliteit. Een mentaliteit die anno 2020 stilaan in gevaar komt. De klanten van De Kauw kenden de stad als hun broekzak en zien die steeds verder ontwikkelen. Daardoor ontstaat er angst. Ze voelen zich bedreigd in hun zijn door de samenleving die alsmaar sneller evolueert en steeds groter wordt. Het lijkt daardoor soms alsof de wereld steeds kleiner wordt, terwijl café De Kauw groeit. Toen ik aan het schrijven was in De Raaf, het bruine café dat me heeft geïnspireerd, wist ik al: die tent kan niet blijven bestaan. Intussen is het gesloten.”

Die evolutie van de stad waarover je het hebt, is heel voelbaar in het boek.

“Ik vind het vreemd dat we niet meer stilstaan bij hoe de stad is ingericht. Daarom wijs ik op het verkeer en de manier waarop de mensen de stad beleven. Ik probeer ze te anonimiseren, omdat het verhaal zich voor mij evengoed in Gent, Utrecht of Marseille kan afspelen in plaats van Antwerpen. Voor de echte Antwerpenaar wordt het na een tijd wel duidelijk dat het om hun koekenstad gaat, maar wie die referenties niet kent, kan het als een verzonnen stad bekijken. Ik ben op zoek gegaan naar woorden met een collectieve betekenis. Zoals ‘Harmonie’. Wanneer je dat woord stript van de plek, herovert het zijn oorspronkelijke inhoud. Dat vind ik interessant, hoe woorden soms geclaimd worden door een praktijk en er dan opeens onlosmakelijk mee verbonden zijn.”

Opmerkelijk in de roman zijn alle dierennamen. Andreas, het hoofdpersonage uit het boek, heeft samen met zijn vriendin Hertje een kat. ‘Vogel’. Vanwaar die bizarre naam?

“Enerzijds omdat het een vogel voor de kat is en aan zijn einde komt door van het balkon te duikelen, maar initieel is het idee er gekomen door mijn beste vriendin. Haar konijn heet ‘vogel’. Ik vind dat zo’n geniale naam, die daarbovenop inhoudelijk nog eens klopte ook. En voordat ik het wist, verwees ik hiermee op een obscure prominente manier naar Zelfs de vogels vallen. Ik vond het grappig om met die diersoorten te spelen en er geloofwaardige bijnamen van te proberen maken. Spinne, Visse, Hertje, Vogel. Daardoor krijgt het boek bijna iets fabelachtigs, alsof ze allemaal symbool willen staan voor iets.”

Je hebt de cover van het boek zelf getekend, bij Zelfs de vogels vallen beschreef je de covers met de hand. Vind je dat belangrijk, meewerken aan de vormgeving?

“Dat hoort er allemaal bij. Ik kan me niet inbeelden dat ik daar niet aan meewerk. Daar ben ik een veel te grote controlefreakvoor. Wat niet makkelijk is, – niet voor mezelf en ook niet voor de mensen met wie ik samenwerk. Ik bedoel, zie mij hier met karton een café in elkaar knutselen. Met die vormgeving is dat net hetzelfde, dat is iets waar ik van begin af aan al mee bezig ben.”

Het hele boek voelt aan als een totaalconcept.

“Dat is het voor mij ook. In Tekens van leven gaat het op een bepaald moment over nachtbloemen op cactussen. De bloem verwijst naar de tekening die Visse voor Patricia kribbelt. Ik wilde dat de cover een knipoog zou zijn naar een tekening op een bierviltje. De binnenkant van het boek vormt een sterrenhemel, alsook een verwijzing naar Hertje’s sproeten. In de achterflap zit een komeet verstopt. Dat zijn van die kleine dingen waarbij ik me dan inbeeld dat mensen die komeet pas maanden later ontdekken door een vriend die hen daarop wijst. De sterren komen ook terug bij elk hoofdstuk. Ik hoop dat lezers aanvoelen dat er over elk detail is nagedacht.”

Is het daarom dat je aan het einde van het boek een welgemeende ‘sorry’ zegt?

“Ja”, zegt Frederik met een glimlach. “Ik kan nogal doorgedreven zijn in hoe ik de dingen zie, maar steeds met het eindproduct in gedachten. Een tiran zal ik nooit zijn, ik sta open voor andere ideeën, maar ik wil gewoon het best mogelijke product maken. Om dat te bekomen, ben ik streng voor mezelf, maar ook voor de mensen om me heen.”

Andreas is ook een controlefreak, daardoor lijdt hij onder andere aan vliegangst. En toch is hij niet bang om zichzelf te verliezen in alcohol.

“Hij wilt alles begrijpen, maar tegelijkertijd wilt hij zich in de drank verliezen. Dat is de aantrekkingskracht van alcohol, ik merk dat ook bij mezelf. Constant zit ik met mijn werk in mijn hoofd. De momenten waarop ik op café ben of bij vrienden iets drink, zijn één van de weinige momenten waarop ik uit mijn eigen wereld kan stappen. Zelfs thuis zal ik nog ‘snel’ even iets neerpennen of op mijn gsm al wat dingen in gang zetten. Wanneer ik iets drink, heb ik het gevoel dat ik in het ‘nu’ ben, wat heel contradictorisch is, aangezien drank het ‘nu’ juist uitsluit. Ofwel vergeet je wat er gebeurt en creëer je een afstand tegenover het ‘nu’, ofwel ervaar je de tijd anders binnen de dronkenschap.”

En is dat bij Andreas ook het geval?

“Absoluut. Het is voor hem een manier om de controle op te heffen. Op dat moment schuift hij het knagende schuldbesef en het gevoel dat hij zijn leven op de rails moet krijgen, aan de kant. Constant is hij ermee bezig zijn verleden te verwerken, zodat hij terug vooruit kan. Zodat dat hoofdstuk eindelijk afgesloten kan worden.

Drinken is vaak een vlucht, alles wat aan de orde is, wordt uitgesteld. Maar in zijn geval kan dat ook problematisch worden, bijvoorbeeld wanneer dat de enige manier is die overblijft om zijn demonen te verjagen. Het is makkelijker voor hem om zich te verhouden tot die nieuwe wereld die café De Kauw vormt, dan terug zijn oude ‘ik’ te worden. Want wie is die oude ‘ik’? Kent hij die zelf nog wel? Café De Kauw vormt op die manier een uitvalsbasis, een rebound.”

Je schreef in De Standaard dat het in de kleren kruipen van een personage één van de mooiste aspecten vormt van het schrijverschap. Hoe was het om Andreas zijn kleren aan te trekken?

“Dat verliep vlot, aangezien ik hem zie als een generatiegenoot waarin ik ook wat elementen van mezelf toelicht. Enerzijds is er een soort vermoeidheid die wij binnen onze samenleving ervaren waarbij er constant van je verwacht wordt om te weten wat de juiste keuze is. Daar komen heel wat onzekerheden en angsten bij kijken. Een keuze binnen het leven, alsook binnen het schrijverschap, kan heel wat andere keuzes uitsluiten. We hebben maar één leven, en daar zijn we ons hyperbewust van. Vooral dan van de eindigheid die daaraan verbonden is.”

Ook de saaie kant die aan een langdurige relatie verbonden is, komt aan bod.

“Saaiheid is inherent aan het leven en daar zit ook veel schoonheid in. Maar ook daar hebben we schrik van gekregen. Carpe diem. Alsof we elke dag moeten plukken alsof het de laatste is en altijd uit alles het beste moeten halen. Mensen zouden er alles aan doen om hun leven om te gooien, om het zo toch maar spannend te houden. Dat is ook wat Andreas doet en hem ondanks alle pijn een vorm van catharsis bezorgt. Pijn doet je meer levend voelen dan berusting. Ik herinner me dat ook bij mijn eigen momenten van liefdesverdriet: hoe gek is het, dat een mens zo veel pijn kan voelen? Dat ik dat tot in elke vezel van mijn lichaam kan ervaren?”

Zoals je in Tekens van leven schrijft: “Om de een of andere reden hoopte Andreas altijd dat ze fout zat en terzelfder tijd was hij zo fier wanneer ze het juist had.”  Ook dat hoort bij die sleur van het graag zien.

“Ja, dat is een heel wreed gegeven. Je kent elkaar zo goed, dat je enorm bot durft te zijn tegen elkaar. Je weet wat je moet zeggen om de ander te kwetsen, terwijl je die juist ongelofelijk graag ziet. Dat zit ook in die zin. Je bent onder de indruk dat het juist is, maar tegelijkertijd denk je ook: ze is aan het uitpakken met haar kennis. Het schenkt hem een genoegen wanneer ze er dan eens naast zit. Dat zijn dynamieken die in veel relaties voorkomen op verschillende manieren. Of dat nu het parkeren van een auto betreft, of het kruiden van een gerecht. Dat is onvermijdelijk, maar tegelijkertijd ook heel spannend. Het is een zoektocht om te ontdekken hoe jij je moet verhouden tegenover iemand anders. Binnen die verveling van een langdurige relatie ontstaan mooie dingen en dan is het aan jou om daar iets spannends van te maken.”

“Het was alsof zijn sentimentaliteit alleen maar kon bestaan in quarantaine, op een plek waar zijn theoretische liefde niet aangetast kon worden door de werkelijkheid.” – het woord quarantaine trok nu meteen mijn aandacht, aangezien we daar door de Coronacrisis zo op gefocust zijn. Denk je dat de liefde tussen Andreas en Hertje wel stand had gehouden in quarantaine?

“Theoretische liefde is iets gevaarlijks. Je bent niet bij elkaar, en je begint te fantaseren. Dat doet Andreas ook voortdurend over Hertje. Je schrijft een ander verhaal, maakt verschillende hypotheses. Binnen die hypotheses is alles perfect, omdat ze niets te maken hebben met de werkelijkheid. Wanneer je fantaseert heb je controle, in het echte leven heb je dat nooit. Net zoals je dat in quarantaine niet hebt.”

Ben jij tijdens de quarantaine meer gaan houden van bepaalde dingen?

“Van de natuur. Samen met mijn vriendin heb ik zes weken in de natuur van de Ardennen doorgebracht. Dat deed me inzien dat ik ook kan functioneren buiten de wereld waarvan ik dacht dat die onontbeerlijk was.”

Denk je dat het boek anders gelezen zal worden door de crisis?

“Dat is onvermijdelijk. De manier waarop ze in café De Kauw een pint drinken, is bij ons inmiddels al iets van enkele maanden geleden. We zijn gewend geraakt aan het ‘nieuwe normaal’. We leven in dezelfde wereld, maar op een meer afstandelijke manier. Mondmaskers en wachtrijen voor de supermarkt. Op een vreemde manier voelt het vertrouwd aan. Het boek is net verschenen en is al bijna een tijdsartefact. Het wordt hypernostalgisch, omdat het vandaag onbestaand is, en we zijn amper drie maanden verder. Ik hoop dat mensen het fijn vinden om via het boek terug te blikken op die manier van tooghangen.”

Ook het internet, dat zich aan de mens opdringt, wordt meermaals aangehaald in het boek.

“Dat is zo. Vaak heb je het niet door, en voordat je het weet krijg je een pushmelding van Instagram om je te bedanken voor je tienjarig lidmaatschap. Lang hebben we gedacht niet aan die maalstroom van het moderne leven te kunnen ontsnappen, maar eigenlijk zetten we hem zelf in gang.

Tess Jacobs

MEMENTO WOORDFESTIVAL KORTRIJK 2020

memento-minOp vrijdag 20, zaterdag 21 en zondag 22 maart 2020 is er de vijfde editie van Memento Woordfestival in Kortrijk. Het festival vindt plaats in het stadscentrum van Kortrijk. De Letterzetter van Kortrijk Anneleen Van Offel cureert het festival. Ze koos voor ‘Echo’ als artistiek thema. De ambassadeurs van het festival zijn Peter Verhelst, Siel Verhanneman, Christophe Vekeman, Maartje Wortel en het collectief van de Letterzetter van Kortrijk. Er zijn het hele weekend door interventies en toonmomenten van gereputeerde kunstenaars. Bovendien organiseert Creatief Schrijven tijdens het festivalweekend haar jaarlijkse Schrijfdag.

Memento Woordfestival Kortrijk werkt in 2020 voor het eerst nauw samen met Tilt Festival in Tilburg, Nederland.
Meer informatie: www.mementowoordfestival.be.

Tickets, totaalprogramma vanaf 14 januari 2020.

DEM 169 – Literatuuronderwijs

Voorwoord

‘Ich bin fast 18 und hab keine Ahnung von Steuern, Miete oder Versicherungen. Aber ich kann ‘ne Gedichtsanalyse (sic.) schreiben. In 4 Sprachen.’ (‘Ik ben bijna 18 en weet niets af van belastingen, huur of verzekeringen. Maar ik kan een gedicht analyseren. In vier talen.’) Het is alweer een viertal jaar geleden dat weldenkend Duitsland zich bij de ochtendkoffie verslikte in een op het eerste gezicht onschuldige tweet van Naina, een tot dan toe onbekende 17-jarige laatstejaarsstudente van een Keuls meisjesgymnasium. Haar Twitter-bericht ging in een mum van tijd viraal. Het werd een paar tienduizend keer geliket en geretweet, om vervolgens te worden opgepikt door de media: eerst door enkele lokale kranten en televisiezenders, later door Bild-Zeitung alvorens ook eerbiedwaardige dag- en weekbladen als de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Der Spiegel en die Welt hun licht over dit ‘merkwaardige’ bericht lieten schijnen. Naina’s tweet ontketende een lawine aan hele en halve meningen, gaande van meer (of minder) economie-onderwijs op middelbare scholen, minder (of juist meer) klassiek literatuuronderwijs tot het ter discussie stellen van het onderwijssysteem tout court en de problematische geestesgesteldheid van de Duitse jeugd.

Eigenlijk was Naina als laatstejaarsstudente samen met twee vriendinnen alleen maar op zoek naar een kamer in een Wohngemeinschaft. En daarvoor is enige basiskennis over de huurwetgeving en het verzekeringswezen waarschijnlijk nuttiger dan de analyse van een gedicht van Goethe of Schiller. Toen ze haar tweet schreef, was ze zich naar eigen zeggen van geen kwaad bewust. Dat draaide evenwel iets anders uit.

Hoewel de situatie in Duitsland niet helemaal gelijkloopt met die bij ons (een literaire analyse in maar liefst vier talen kunnen schrijven is bij ons tamelijk onvoorstelbaar), maakt ‘het geval Naina’ perfect duidelijk waar het in dit themanummer over literatuuronderwijs over gaat: welke plaats mag literatuur binnen ons 21ste-eeuwse onderwijssysteem, waar de klemtoon meer dan ooit ligt op wiskunde, wetenschappen, economie en technologie, nog ambiëren? Een vraag die – in de slipstream van een ruimer onderwijsdebat over de staat van ons huidige onderwijs – ook politiek de gemoederen beroert. Wij – van Deus Ex Machina – vinden dat we ons als literair tijdschrift in deze discussie niet afzijdig mogen houden. Beschouw daarom dit nummer als een hartstochtelijk pleidooi voor méér literatuur in het onderwijs en – we moeten er geen doekjes om winden – tegelijkertijd een herwaardering van de letteren binnen het vak Nederlands en het vreemdetalenonderwijs. Zonder vooruit te lopen op wat komt, houdt dit onder meer in dat de vaak absurde klemtoon op het vaardigheidsonderwijs moet worden teruggeschroefd, dat erover moet worden gewaakt dat taalvakken niet mogen verglijden tot de status van een servicevak, maar dat bijvoorbeeld ook de banden tussen de academische literatuurwetenschap en het secundair onderwijs opnieuw strakker moeten worden aangehaald.

Dit themagedeelte bestaat hoofdzakelijk uit beschouwende teksten. Met enkele kritische stemmen, zoals we die deels uit de opiniepagina’s van de dagbladpers gewoon zijn. Maar we hebben er ook bewust voor gekozen om daarnaast een positief verhaal te brengen. Wie een pleidooi houdt voor méér literatuuronderwijs, moet dit laatste niet als een vanzelfsprekendheid beschouwen, maar moet ook durven aantonen wat de zin én het nut hiervan zijn. Daarom vindt u in dit nummer ook bijdragen over literatuur in het technisch en beroepsonderwijs, over leesplezier, over literaire projecten met kankerpatiënten, dementerende ouderen en studenten rechten of een beschouwing over een schrijfresidentie in een basisschool voor bijzonder onderwijs.

Verder hebben we er bewust voor gekozen om aan dit ‘papieren’ themanummer een digitaal vervolg te breien. Wij vroegen in deze DEM aan zeven mensen uit de literaire en artistieke wereld welk boek zij aan achttienjarigen zouden aanbevelen. Op onze website en Facebook-pagina zullen nog anderen dezelfde oefening maken met de bedoeling zo uiteindelijk tot een alternatieve leeslijst voor leerlingen van de derde graad te komen. Ook zouden we eind 2019/begin 2020 een bijscholing/inspiratiedag voor leerkrachten uit het secundair onderwijs willen organiseren om zo ons betoog voor meer literatuur in de praktijk te brengen. En ten slotte zullen we ons in ons oktobernummer – om het met Alessandro Baricco te zeggen – begeven in het land van de ‘barbaren’. DEM170 zal – een vijftal jaar na onze papieren Facebookkrant – volledig gewijd zijn aan literatuur en Instagram.

Het beeldmateriaal voor deze DEM werd dit keer geleverd door fotograaf Jef Van Eynde (die in een vorig leven nog directeur van een middelbare school was). Na twee eerdere DEMthemanummers over Roemeense literatuur, selecteerde en vertaalde Jan Mysjkin in het kader van ‘Europalia Romania’ (dat begin oktober 2019 van start gaat) werk van drie Roemeense auteurs: Doina Ioanid, Alexandru Ecovoiu en Irina Nechit. Afsluiten doen we met gedichten van Mattijs Deraedt, Jan Geerts en Rand Helawi en kortverhalen van Mohana van den Kroonenberg en Lotte Ogiers.

De redactie

Inhoudstafel

Stefan Hertmans, Goede bedoelingen en sceptische leerlingen
Wim Michiel, Tussen hoop en pessimisme: literatuuronderwijs  in het Vlaams secundair onderwijs
Elke D’hoker, Literatuuronderwijs en leescultuur
Virginie Platteau, Laat ons lezen
Coen Peppelenbos,  Terug naar het verhaal: literatuuronderwijs in Nederland
Bert Van Raemdonck , Come as you are: een pleidooi voor de canon
Tijmen Govaerts, Het leven is vurrukkulluk (Remco Campert)
Maryam Kamal Hedayat, ‘Recitatif’ (Toni Morrison)
Gülcan Kahraman, Mensenlandschappen (Nazim Hikmet)
Romy Louise Lauwers, Cocaïne (Aleksandr Skorobogatov)
Giuseppe Minervini, Molloy’s kiezels
Anne Provoost, Beste achttienjarige die dit schrift in handen houdt
Gaea Schoeters,  The Powerbook (Jeanette Winterson)
Virginie Platteau, Bam! Slam! Literatuur op een Brusselse school
Ruth Lasters, Wifiwachters: een praktijkvoorbeeld
Yanni Ratajczyk, Mogelijke menselijkheid en menselijke mogelijkheid: pleidooi voor een herwaardering van de roman in  het secundair onderwijs
Iedereen leest, Leesplezier, maïzena voor goed literatuuronderwijs
Marit Trioen,  Van moeten naar mogen: werken aan leesplezier bij  aarzelende lezers in het secundair onderwijs
Dirk Terryn, Samen Lezen: delen is vermenigvuldigen!
Silvie Moors, Frederik Swennen Literatuur & recht / Law & literature
Laïla Koubaa, Mens blijven onderweg
Bertolt Brecht, De twijfelaar
Doina Ioanid, Naden
Alexandru Ecovoiu, De kalligraaf
Irina Nechit, Ben je hier? en andere gedichten
Mattijs Deraedt, Dordrecht
Jan Geerts, Vluchtelingenbrieven
Rand Helawi, Twee gedichten
Mohana van den Kroonenberg, Pruimentaart
Lotte Ogiers, Dat varkentje

DEM 168: Marcel Van Maele

Bert LEzyMensen die jou nooit bij leven gekend hebben, mensen die tien jaar na je dood over jou en en je werk praten, hoe bewonderenswaardig is dat? Wat antwoord je eigenlijk wanneer men je vraagt waar je naar streeft, wat je met kunst wil verwezenlijken? Is het niet net dat: dat mensen jou prijzen, ook na je dood, en ook al heb je hen nooit ontmoet?
Dit is exact wat wij voor je gedaan hebben eergisteren in Galerie: De Zwarte Panter. Anneleen Van Offel gaf er een prachtige inleiding, Didi De Paris pakte uit met een ode en een weergaloze voordracht uit je pamflet, David Troch viste uit jouw ‘ik ruik mensenvlees, zei de reus’ de winnende lottocijfers van deze week, Sylvie Marie vertelde over haar eigen netvliesloslating en de guerrilla die ze met Yanni Ratajczyk op poten zetten met werk van jou en Jan Ducheyne legde de Partij/Parti voor/pour de/la Poëzie/Poésie als nieuw kunstig engagement voor. En Bert Lezy? Die kon jou al improviserend met drie cassettebandjes in de kapel laten oprijzen. En daarna, daarna konden we op je klinken.
Het was geniaal. DEM168 en de heruitgave van je pamflet zijn nu officieel hebbedingen. Dat iedereen zich maar haaste naar de winkel, het goud is schaars.

Marcel, ik en de netvliesloslating – Sylvie Marie

Marcel, ik en de netvliesloslating

door Sylvie Marie

Schermafbeelding 2018-11-22 om 11.58.39
Sylvie Marie

Deze tekst is een preview uit het nieuwe nummer van Deus Ex Machina: DEM 168. Meer lezen? Het nummer kan je hier bestellen.

Op 24 juli 2009 was ik aan het feesten. Al een paar dagen lang. Het waren Gentse Feesten. De dichters Philip Meersman en Jase van Grembergen hadden elke avond literaire activiteiten gepland. Er werd een Kluger Hans voorgesteld, Tine Moniek deed er haar Rage against the dying of the light, Dirk Elst en Daniel Billiet deelden er het podium en zoveel meer. Midden in deze literaire vreugde stierf Marcel van Maele. Ik hoorde het zeggen, fluisteren, nog eens zeggen, meerdere malen, maar ik kende de dichter niet. Googelen. Vragen stellen. Horen vertellen. Netvliesloslating. Hij had het ook gehad. Ik voelde me meteen met hem verbonden.

Juni 2008

Ik ben vierentwintig en aan de slag als eindredacteur bij Het Nieuwsblad. Het is mijn eerste echte job. Ik werk met dagcontracten. Best lastig, die onzekerheid, maar als beginnend journalist ga je niet klagen. Integendeel, je maakt je het liefst zo onmisbaar mogelijk en schikt je naar de grillige wensen van de nieuwsmanagers. De dagen zijn lang. Van twaalf uur ’s middags tot twaalf uur ’s nachts ben ik in de weer. En in de voormiddag doe ik nog wat freelancewerk. Uiteraard.

Tot ik halfweg die maand plots enorm last krijg van mijn zicht. Het lijkt alsof de letters voor me op het computerscherm aan het dansen zijn. Alsof ze op een wapperende vlag staan en af en toe wat woorden in de plooien verdwijnen. Ik snap het niet. Dit is niet zomaar wat waziger zien. Dit is iets anders. Ik moet naar de oogarts. Maar wanneer krijg ik dat geregeld? Ik woon bij mijn lief in Bonheiden, mijn vaste oogarts sinds mijn vijfde bevindt zich nog in mijn thuisstad Tielt en dagelijks word ik op de redactie in Groot-Bijgaarden verwacht.

Ik spreek erover op het werk. Ze snappen het niet goed en ik geneer me een beetje. Iemand raadt me een optometrist in het Mechelse aan. Ik noteer het adres maar maak geen afspraak. Op dinsdag 24 juni ga ik met keelpijn naar de huisarts in Bonheiden. Die stelt een ontsteking vast en schrijft me twee dagen ziekteverlof voor. Zo zie ik mijn kans. Ik maak meteen een afspraak bij de oogarts. Met een dagje vrij is de treinrit heen en terug haalbaar.

Op donderdag kan ik er langs. Dokter Derous schijnt snel met een felle lamp in mijn ogen en laat me letters lezen. Hij vraagt me in welke kleur ik ze het beste kan zien. ‘Rood of groen?’, vraagt hij. Snel zwaait hij met zijn handen voor mijn ogen. Hij dekt het ene oog af, dan het andere. ‘Rood of groen? Rood of groen?’ Het is elf jaar geleden, maar ik hoor het hem nog vragen. Ik aarzel. Ik kan niet antwoorden op zijn vraag. Rood of groen maakt helemaal niet uit.
‘De letters dansen’, antwoord ik. ‘Het is raar, maar die letters staan gewoon niet stil op het scherm.’
‘Ah,’ zegt hij, ‘dat lijkt me sterk. Volgens mij zie je alleen maar wat waziger.’
Snel zwaait hij een foreptor – dat woord heb ik voor deze tekst opgezocht – voor mijn ogen en verandert de sterktes van de glazen in het zware toestel dat voor mijn gezicht hangt. ‘Is het nu beter of slechter?’ vraagt hij. ‘Beter of slechter?’. De verschillende lenzen schuiven heen en weer voor mijn ogen. Ik doe mijn best. Ik zeg: ‘Beter.’ Ik zeg: ‘Slechter.’ Ik zeg: ‘Ik kan niet antwoorden, ik denk niet dat ik zoveel waziger zie. Ik zie vervormd.’ Mijn stem trilt. Ik huil.
De oogarts zucht. Hij schuift de foreptor opzij en neemt een papier bij de hand. Daarop staan verschillende dwarsdoorsnedes van ogen getekend. Hij wijst een prent in het midden aan. ‘Kijk eens naar deze,’ zegt hij, ‘ik denk dat je last heb van wat rondzwevende vlokken in je ogen.’
Ik neem het papier over. ‘Ik zie geen vlokken,’ zeg ik, ‘ik zie vervormd.’
‘Misschien dat je dénkt dat je vervormd ziet,’ zegt hij. Hij zucht nogmaals. ‘Als je het echt wilt weten, dan doen we volgende dinsdag een onderzoek van de binnenkant van je oog. In het ziekenhuis. We spuiten een vloeistof in je oog en interpreteren dat met de computer. Let wel: je gaat een hele dag een gele tint zien in alles.’
Hij zegt het alsof ik dat bezwaar echt in overweging moet nemen.
‘Ik wil het’, zeg ik. ‘Graag vroeg in de voormiddag, ik moet tegen de middag in Brussel zijn.’
‘Oké’, zegt de oogarts. Hij neemt plaats achter zijn oude computer en vult mijn dossier aan. Intussen bestudeer ik de tekeningen. Op de onderste lijkt er een stuk van het oog als behangpapier af te bladderen.
‘Wat is dit?’ vraag ik.
‘Oh,’ zegt de oogarts, ‘dat is een netvliesloslating, dat kan jij onmogelijk hebben. Dat zou ik wel gezien hebben. Is meer voor oudere mensen.’
‘Ah’, zeg ik. Ik blijf naar de tekening kijken.
‘Ik heb een afspraak gemaakt’, zegt de dokter uiteindelijk. ‘En dit’ – hij geeft me een briefje – ‘is een voorschrift voor sterkere lenzen, die heb je in elk geval al zeker nodig. Geef het maar af in de winkel.’

Vanaf dat moment is het aftellen. Nog vier dagen voor het onderzoek waarvan ik er drie moet werken. Zondagsdienst. Ik kan me niet concentreren. De letters dansen steeds uitbundiger. Ik zit te huilen voor het scherm, maar probeer niets te laten blijken. Ik huil enorm veel. Dagelijks, uurlijks, minutelijks. Zijn het geen bestaande woorden, ik vind ze nu uit. Ik word blind, denk ik, ik zie wat ik zie, en het ziet er slecht uit. Mijn lief weet niet zo goed wat te zeggen, maar ik ga luidop rekenen. Vierentwintig ben ik. Stel dat ik nog zestig jaar leef. Ik zal compleet nutteloos zijn, compleet onvolmaakt. Ben ik niet net bezig om van mijn grote passie mijn job te maken? Heb ik niet net met tien gedichten gedebuteerd in Het Liegend Konijn en ben ik nu niet met een paar uitgevers aan het onderhandelen voor een bundel? Hoe moet ik die dingen in hemelsnaam voortzetten als ik niet meer in staat ben te lezen, en bijgevolg te schrijven? Moet ik braille leren? Hoeveel tijd heb ik nog?

Ik zie mezelf nog in de kamer staan, mijn mobieltje in de hand. Zoekend naar de voicerecorder en het pad ernaartoe – de juiste toetsen en hoeveel keer klikken erop – memoriserend. Op amper twee weken tijd brengen mijn ogen me van de rand van de doorbraak naar de rand van de depressie. 

Eindelijk dinsdag. Mijn moeder brengt me naar het ziekenhuis voor het onderzoek. Zo ben ik achteraf sneller in Brussel. Een vloeistof, mijn zicht wordt geel en ik zie de oogarts bleek wegtrekken. Bleek. Door het gele heen zie ik dat.
Mijn moeder ziet het ook. ‘Wat is er?’ vraagt ze.
De oogarts knippert even met zijn ogen, slikt dan en vraagt: ‘Roeselare of Gent?’
‘ Wat bedoel je?’ vraagt mijn moeder.
‘Welk ziekenhuis verkiest u?’ vraagt hij. ‘Uw dochter moet vandaag nog onder het mes.’
Gent. Dat ligt het dichtst bij Bonheiden. Binnen via spoed en meteen op de stoel bij de dokter daar. Die heeft geen gele vloeistof nodig om te zien wat er aan de hand is. ‘Maak haar klaar,’ zegt hij tegen zijn assistent. Hij zegt het vooraleer hij mij informeert. Zijn handen op mijn schouder: ‘Mevrouw, u hebt een netvliesloslating.’ Het is dinsdag 1 juli 2008, de puzzelstukjes vallen samen.

 

Januari 2019

Ik zoek Carine Lampens, de weduwe van Marcel van Maele, op voor dit nummer. Wat ik wil weten: 1) hoe is het bij Marcel gegaan? 2) Hoe ‘overleeft’ een schrijver, maar in de eerste plaats een mens, het steeds maar voortdurende verlies van zijn zicht tot hij uiteindelijk stekeblind wordt en 3) hoe is hij in godsnaam blijven schrijven én optreden?

1) Marcel heeft altijd dikke brilglazen gehad, zegt Carine, die hem midden jaren tachtig leerde kennen als begeleidster voor slechtzienden. Hij was erg bijziend, had een fragiel netvlies en stroef oogvocht. Dat was de diagnose. Eind ’85 raakte zijn netvlies los. Eén oog was meteen naar de vaantjes na een mislukte operatie in het Antwerpse Middelheimziekenhuis. De verantwoordelijke arts was zogezegd de beste in zijn vak. De manier waarop Carine de dokter beschrijft, lokt herkenning uit bij mij. Ik vertel hoe ik als vierjarig kind aan de hand van mijn moeder ook naar Antwerpen ben gegaan voor een consultatie bij een zeer gerenommeerde oogarts. Die vroeg echter meteen twintigduizend Belgische franken onder tafel vooraleer hij aan de operatie zou beginnen. Mijn moeder is het toen afgetrapt. Carine knikt. Het moet dezelfde dokter zijn. Zo was hij. Niet te geloven.

Het andere oog van Marcel kreeg twaalf operaties. In Leuven. Waren de artsen daar beter? Leuven was heel menselijk en professioneel. Behalve een arts die daar als assistent werkte en daarna in het Antwerpse jarenlang Marcels oogarts was. Hij schreef steeds allerlei oogdruppels voor. Tot Marcel op een bepaald moment vraagt: ‘Moet dat?’ ‘Kiest gij maar’, antwoordde de arts. Dit voorval was wel de ‘druppel’ van zijn eerder charlataneske geldwolf-attitude tegenover zijn patiënten.

Het was dweilen met de kraan open. Marcel zijn ogen bleven achteruitgaan. Hij behielp zichzelf vanaf ’86 met brillen, vergrootglazen en schurkte dicht tegen de tv aan. Hij probeerde alles, behalve rondlopen met een witte stok of braille leren. Dat laatste heeft hij nooit willen doen. Koppig was hij. Zolang hij nog kon zien, bleef hij zijn zicht gebruiken. Zijn centraal blikveld was op een bepaald ogenblik helemaal weg, maar schuin kon hij met één oog lange tijd nog zien. De laatste ingreep die plaatsvond was een hoornvliestransplantatie, maar die haalde niets meer uit.

Weerom herkenning. De operatie van 1 juli 2008 was ook voor mij niet de laatste. De behandeling werd door het getalm van mijn arts erg gecompliceerd. Ik kreeg in Gent een olie in mijn oog gespoten die het netvlies op zijn plaats moest houden. Een olie die drie maanden later met een nieuwe operatie weer moest verwijderd. Een jaar later kreeg ik opnieuw een ingreep. De olie had mijn inwendige lens zo aangetast dat ik cataract had ontwikkeld. Mijn zicht uit dat oog op dat moment: vijf procent. Nog een jaar later daalden mijn visuele prestaties opnieuw. Nu bleek het lenszakje dat mijn ooglens in positie houdt, volledig te zijn verkalkt door alle voorgaande ingrepen. Laseren. Het resultaat vandaag? Eén oog met verminderd en één met nog steeds vervormd zicht. Of ik nog kan autorijden, vroeg ik mijn arts ooit eens. Hij dacht zeker tien seconden na – staarde naar beneden, trok aan zijn onderlip – vooraleer hij ‘ja’ zei. 

2) Als ik Carine vraag wat het met Marcel deed, dat blind zijn en worden, knikt ze opnieuw. Ze vertelt hoe hij in ’89 – toen hij nog ternauwernood zag – negen maanden lang lusteloos thuiszat. Hij isoleerde zichzelf, sliep veel en volgde bijvoorbeeld fanatiek de Roemeense revolutie op tv. Daar ging hij helemaal in op. Hij was zichzelf niet, wist Carine, maar op dat moment was de oorzaak van de depressie voor Marcel onbespreekbaar. Pas twee jaar later, toen hij helemaal blind was, kon hij het benoemen: het blind worden dreef hem naar de afgrond. In feite lag het creatieve proces van Marcel zo goed als stil in de overgangsperiode. Hij kon pas goed terug aan de slag toen het licht helemaal uit was. Daarna deed hij weer actief aan kunst en zag hij er ook het komische van in. Hij staat bekend om zijn voordrachten waarin hij zichzelf laat souffleren door een dictafoon. Pas toen hij ook longvlieskanker kreeg in 2008 klaagde hij weer over zijn blindheid. ‘Ge vergeet dat ik blind ben,’ zei hij toen soms misnoegd. En toch wilde hij nooit als blinde kunstenaar worden opgevoerd.

3) Hij kreeg een dictafoon van een vriend. Daarmee ging hij aan de slag. Hij sprak dingen in. Losse zinnen, hele teksten, ideeën. Carine hield de tapes bij of schreef de zinnen en woorden op fiches. Hij leerde schrijven op een klembord met elastieken die hem wat rechter en gerichter op het blad deden schrijven. In de Vendée op vakantie schreef hij ook opnieuw met de hand, blindelings op een notablok. Zijn woorden waaierden uit over het blad. Hij scheurde de teksten van het blok en stak ze op een prikker. Carine zette ze om, typte ze over, sprak ze in. Ze trachtte die teksten dan zo vlug mogelijk te ontcijferen. En zijn vriend, beeldend kunstenaar Tone Pauwels, maakte een computer voor hem zodat hij zijn tapes kon ordenen.

Uiteindelijk vonden ze een systeem dat zich telkens weer aanpaste. Voor een gedicht bijvoorbeeld schreef Carine woorden en zinnen van op de tape of op het notablok op genummerde fiches over. Wanneer Marcel dan een gedicht wilde maken, gingen ze elk aan een kant van de tafel in de werkkamer zitten en las Carine continu de teksten voor. Marcel legde dan linken, voegde er zinnen aan toe of liet er weg en bedacht hoe de tekst eruit moest zien. ‘Drie laten vallen,’ zei hij dan, ‘Vijf met achttien samenvoegen.’ Een huzarenstukje dat niet altijd zonder geruzie voltooid werd. Hij werkte naderhand veel meer met cycli. En alles werd meer uitgepuurd. Dat is misschien een gevolg van zijn blindheid. Of van zijn leeftijd.

Om de bloemlezing Krassen in wat was samen te stellen, werd beroep gedaan op Lucienne Stassaert. Duizend gedichten werden bovengehaald. Lucienne las ze meermaals voor en Marcel koos. Ook Lucienne liet haar mening horen. Wanneer een gedicht hen beide niet meer beviel, voelde Marcel dat. ‘Vreemd hé,’ zei hij dan.

Alleen theaterteksten maken lukte niet meer. Daar kon Carine niet bij helpen, hoe zeer ze ook probeerde. Hij had nochtans nog een hoop ideeën. Hij praatte er met Jan Decleir over. Over een stuk dat Een zilveren schedel en een glazen oog zou heten. Het is niet verschenen. Marcel zocht er geen andere hulp voor.

Voor mij ligt Over woorden gesproken, een dichtbundel die in 2006 bij uitgeverij P verscheen. Alle gedichten heeft Van Maele blind geschreven. En ja, ze zijn inderdaad uitgepuurd en heel netjes in cycli ondergebracht. Het experimentele kantje is er helemaal af gevijld. Dit zijn klassieke gedichten. Wanneer ik de bundel doorblader, zien de gedichten eruit zoals bij een ziende dichter. Niets verraadt het proces, de uren met Carine aan de werktafel. Ik kan het niet geloven. En toch weer wel. Als je maar lang genoeg de woorden herhaalt, dan zie je de bladspiegel wellicht des te scherper voor je, omdat er niets anders te zien valt. Samenvallen op het blad met het gedicht. Wat wit is op het papier wordt zwart achter de oogleden, en omgekeerd. Schrijven in negatief, zoiets.

Naar aanleiding van deze tekst heb ik het ook eens geprobeerd. Blind gedichten schrijven. Ik sloot mijn ogen en begon te typen. Gestamel is het, gemijmer. Ergens schrijf ik dat ik de woorden niet kan onthouden. Dat ik niet weet waar ik in het gedicht beland ben. ‘Ik leef in een continu nu,’ typte ik. ‘Een conti-nu.’ Dat moet voor Van Maele ook zo geweest zijn.

Tenminste, als Carine er niet was geweest.

Marcel van Maele revisited in De Zwarte Panter

MARCEL VAN MAELE EX MACHINA

Tien jaar na het overlijden van cultdichter Marcel van Maele buigt Deus Ex Machina zich over zijn nalatenschap. Het nummer én een heruitgave van Van Maeles Pamflet I worden feestelijk voogesteld op 12 april om 20 uur in Galerie De Zwarte Panter. Wie komt, danst op de plaatjes van Bert Lezy en met een glas echte Van Maelewijn in de hand.

De nieuwe Deus Ex Machina komt eind deze maand uit! Tien jaar na het overlijden van de cultdichter Marcel van Maele buigen DEM-redactrices Sylvie Marie en Anneleen van Offel zich over zijn erfenis. Conclusie: Marcel van Maele leeft nog steeds, misschien zelfs meer dan ooit!

Om dat te vieren wordt op 12 april – in Marcels verjaardagsweek – om 20 uur in Galerie De Zwarte Panter uit het werk van Van Maele en de bijdragen in DEM168 voorgelezen. Dat gebeurt in vlammende Van Maelestijl.
En, heel belangrijk: DEM stelt ook PAMFLET 1 voor, de heruitgave van Marcels bundel uit 1960. Wie blijft napraten doet dat op de plaatjes van Bert Lezy en kan een glas Pomme Charelle drinken, wijn gemaakt door Karel van Maele, neef van Marcel.

Over DEM168:
Over de erfenis van Marcel van Maele getuigen onder anderen Lucienne Stassaert, Kila van der Starre, Roel Richelieu Van Londersele en Patrick Conrad. Anneleen van Offel interviewde Carine Lampens, de nog steeds in Antwerpen wonende weduwe van Van Maele en Sylvie Marie haakt haar ervaringen met een netvliesloslating vast aan de oogproblemen en de latere blindheid van de kunstenaar. Naadloos sluit daar het dossier ‘Poëzie in de openbare ruimte’ op aan waarvoor Stan Lafleur, Maud Vanhauwaert, Astrid Haerens en Jan Ducheyne in hun pen kropen. Meer dan in andere nummers is er in deze DEM ruimte voor beeld. Vincent van Meenen, Renaat Ramon en Bert Lezy (zie ook de afbeelding bij dit bericht) maakten nieuw werk ter ere van Marcel van Maele.

Over Pamflet 1:
In april 1960 schreef Marcel van Maele op één weekend tijd PAMFLET 1, het zijn vurige poëtische nota’s over het bewustzijn die vloeiend in elkaar overlopen. Het gestencilde boekje was nergens nog te vinden, behalve in het archief bij zijn vrouw Carine. Het wordt nu opnieuw aan het publiek gegeven en op honderd exemplaren herdrukt met de steun van Antwerpen Boekenstad.

Beide uitgaven kosten 10 euro/stuk en kan u de avond zelf kopen, of nabestellen via de website en diverse boekhandels.

Wie bij de uitgaven een abonnement neemt, betaalt 30 euro.

Zie ook facebook: https://www.facebook.com/events/2370234816581948/

 

DEM 167 : Alfred Hitchcock

CZ-Hitchcock-Advertentie-2018-page-001Voorwoord bij het Hitchcock nummer

‘Un film n’est pas un album d’images stylisées, pas plus qu’une pièce de théâtre filmée. C’est une histoire racontée avec des images comme un roman est une histoire racontée avec des mots’, schreef de Franse filmcriticus/scenarist/regisseur/auteur Alexandre Astruc in een beroemd geworden essay in L’Écran français uit 1948. De filmmaker-auteur, aldus Astruc in ‘Le Caméra-Stylo’, ‘schrijft met zijn camera zoals een schrijver schrijft met zijn pen’. Astruc stond hiermee samen met André Bazin en François Truffaut aan de basis van wat de auteurscinema zou worden: cinema waarin de regisseur gezien wordt als de belangrijkste creatieve kracht bij het maken van een film.  Net zoals de schrijver dat is bij het schrijven van een literaire tekst.

Interessant aan dit concept is dat de cinema hier – om zich te emanciperen van de Amerikaanse filmindustrie waarin de regisseur louter als een schakel gezien wordt in de grote machinerie van het filmproces én tegelijkertijd om zich op deze manier als een volwaardig kunstgenre op de kaart te zetten – teruggrijpt naar de literatuur. Alfred Hitchcock (1899-1980) speelde in deze ontwikkeling een belangrijke rol. Met name François Truffaut verwonderde er zich over waarom iemand als Hitchcock in de Amerikaanse filmindustrie niet voor vol werd aanzien. Zijn bewondering en fascinatie voor ‘filmauteur’ Hitchcock zou in 1962 uitmonden in zijn legendarisch monsterinterview met de meester zelf; een tweegesprek dat vier jaar later in boekvorm zou verschijnen.

Niet iedereen was uiteraard even enthousiast over het gefilosofeer van Truffaut, Chabrol, Rohmer en andere Nouvelle Vague-kornuiten. Daarbij komt nog dat het ‘auteurs’-begrip op zich het sinds eind jaren zestig steeds moeilijker kreeg. Denk maar aan Roland Barthes en andere poststructuralisten die de ‘auteur’ officieel dood verklaarden.

Los van dit alles had Hitchcock Truffauts politique des auteurs niet nodig om zich met een literair aura te omgeven. Bijna alle 53 films en 20 afleveringen van televisieseries die Hitchcock zelf regisseerde zijn gebaseerd op literaire werken – romans, kortverhalen en, in iets mindere mate, toneelstukken. Heel veel werk van zogenaamde tweede- en derderangs auteurs, veel thrillers en spionageromans, pulp fiction en penny dreadfuls en – zeer sporadisch – een gecanoniseerd werk uit de wereldliteratuur (zoals Joseph Conrads The Secret Agent (1907), dat in 1936 werd verfilmd als Sabotage). Daarnaast kon Hitch een beroep doen op de diensten van veel schoon volk uit de literaire wereld: Raymond Chandler, John Steinbeck, Patricia Highsmith, Evan Hunter, George Tabori, Roald Dahl en Maxwell Anderson – om het bij dit zevental te houden.

Wat is beter, het boek of de film? Een veelal overbodige en zelfs ridicule vraag. Dat geldt zeker voor het oeuvre van Hitchcock, een regisseur die zijn verhalen in de eerste plaats met beeld en geluid vertelt, zonder daarbij al te gemakkelijk van dialogen gebruik te maken. Getuige daarvan de briljante, woordloze, half uur durende achtervolging van James Stewart in Vertigo (1958). Of – in de woorden van scenarioschrijver Ernst Lehman – de fameuze crop duster scene uit North by Northwest (1959): ‘Nothing happens for almost eight minutes and it still holds your attention’.

Deze DEM wil de wisselwerking tussen film en literatuur in Hitchcocks werk verder exploreren. Bavo Dhooge – naast schrijver van ‘100 boeken’ sinds kort ook de auteur van het nietsontziende, fascinerende vaderboek Sr – opent de dans met een tekst over Hithcocks jeugdjaren en de plaats die zijn vader in zijn leven en werk inneemt. John Vervoort zoomt in op Hitchcock en Patricia Highsmith, Max Moragie op Psycho-auteur Robert Bloch en Ivo De Cock op Hitchcocks Vertigo, een superieure adaptatie van Boileau-Narcejacs D’entre les morts (1954). Welp-regisseur Jonas Govaerts verwoordt  zijn fascinatie voor Hichcocks voorlaatste film Frenzy (1972). Orlando Verde en DEM-redacteur Michiel Leen focussen op de nogal problematische plaats die vrouwen in Hitchcocks leven en werk innemen. Guido Van Eijck schreef een kort essay over Hitchcock als meester van de (zelf)promotie.  Dichters Alexis de Roode, Moya De Feyter, Stefanie Huysmans en Delphine Lecompte lieten zich inspireren door leven en werk van Hitchcock. Annelies Van Parys, Gaea Schoeters en Jen Hadfield grepen terug naar Rear Window (1954). Het leverde de opera Private View op. Wij publiceren een Nederlandse vertaling van een fragment uit het libretto. Verder vertaalden we ‘Back for Christmas’, een kortverhaal van John Collier uit 1939 dat Hitchcock zeventien jaar later zou verfilmen als aflevering in de ‘Alfred Hitchcock presents’-serie. En we vertaalden ‘Gas’, een van de zeldzaam bewaard gebleven literaire teksten van Hitchcock zelf. De Amerikaanse schrijfster Shannon Reed sluit het themagedeelte af met ‘Hitchcock na therapie’, vijf korte Hitchcock-Spielereien vertaald door Sofie Verraest.

Deze keer hebben we geen mini-focus, wel een uitgebreid essay van Tommy van Avermaete over voormalig Nobelprijswinnaar Imre Kertész, de holocaust en de problematische relatie die het Hongarije van Victor Orbán hiermee heeft. Yoeri Hostie debuteert als prozaschrijver met ‘The Big Rip’. Daarnaast vindt u in deze DEM nog poëzie van Sara Eelen, Kristien Spooren en opnieuw Stefanie Huysmans.

De redactie

Hamburg – Antwerpen. Literaire uitwisseling Tau//Deus Ex Machina

Drie jaar geleden kwam de redactie van Deus Ex Machina in Hamburg voor een verrassing te staan: tot hun grote verbazing bleek deze roemrijke hanzestad een volwaardig literair tijdschrift te ontberen. Tot… in maart 2018 Tau het levenslicht zag

Het Belgische literaire tijdschrift bracht intussen een best-of van zijn Duitse sateliet als minifocus in DEM 165 (Queer) en haalt haar poulains nu ook naar Antwerpen.

Café Boekowski vormt het toneel voor een heuse tweetalige literaire uitwisseling. Tau zendt Lütfiye Güzel (Duisburg), André Patten (Köln), Marie-Alice Schultz (Hamburg) en Jonis Hartmann (Hamburg) uit om een selectie van hun werk te brengen. Deus Ex Machina selecteerde Akim A. J. Willems en Nele Buyst die hun vrije bijdragen uit DEM 165 voorlezen en Stefanie Huysmans die ons met haar werk vooruit doet blikken naar DEM 167 (Hitchcock).

De avond wordt feestelijk afgesloten met ‘Hamburgse muziek’ van onder meer Abwärts, Die Goldenen Zitronen, Andreas Dorau, Blumfeld, Jan Delay en Udo Lindenberg.

I.s.m Tau · zeitschrift für literatur en dasKULTURforum

Inkom: 5 euro (Incl DEM 165 of DEM 166).

Meer info op facebook: https://www.facebook.com/events/556979568089771/

Antwerpen en Hamburg: literaire zustersteden

tau_CoverToen de redactie van Deus ex Machina een bezoek bracht aan Hamburg op zoek naar interessant voedsel voor een nieuw nummer, kwam ze tot de verbijsterende vaststelling dat deze roemrijke hanzestad niet eens een literair tijdschrift had! Meer dan een bedenkelijke Belgische blik had het Forum (Hamburger Autorinnen und Autoren) echter niet nodig om tot actie over te gaan. Drie jaar later – maart 2018 – zag het Hamburgse geesteskind van Deus ex Machina het literaire licht: Tau was geboren.

Het Belgische literaire tijdschrift bracht intussen een best-of van zijn Duitse sateliet als aparte bijlage in het queer nummer en samen organiseren ze twee literaire avonden in België.

Op vrijdag 23 november (20 uur) een tweetalige literaire avond in Café Boekowski.

De Duitsers brengen Lütfiye Güzel (Duisburg), André Patten (Köln), Marie-Alice Schultz (Hamburg) en Jonis Hartmann (Hamburg) mee. Deus ex Machina zet er een viertal auteurs van eigen bodem tegenover. De avond wordt feestelijk afgesloten met ‘Hamburgse muziek’ van onder meer Abwärts, Die Goldenen Zitronen, Andreas Dorau, Blumfeld, Jan Delay en Udo Lindenberg.

Op 22 november een literaire avond in Hanse Office Brussel om 18.30 uur met een exclusief Duitstalige presentatie van het eerste nummer van TAU.

Meer info volgt.

Tweetalige literaire avond: hou het Antwerpse DasKULTURforum en café Boekowski in de gaten.
Duitstale voorstelling nieuw nummer Tau: Hanse Office Brussels.

De website van van TAU.

DEUS EX MACHINA NR 166: Microfictie

Dit nummer werd samengesteld door gastredactrice Sofie Verraest.

Bij wijze van voorwoord: Het liggende gedicht

In 2014 wordt A. L. Snijders, schrijver van ultrakorte verhalen, samen met een handjevol dichters uitgenodigd op Literatuur Late Night in Den Haag. Ervan overtuigd dat hij ‘echt als dichter’ is gevraagd, heeft Snijders ter attentie van het publiek print-outs van zijn ‘stukjes’meegebracht. ‘En die zijn zo.’ Hij toont de bladspiegel aan de zaal en tracht met zijn hand de regels een eindje verder te wuiven. ‘Maar,’ zegt hij, terwijl die hand als een arend boven de zwarte balk tekst blijft zweven, ‘als je ze nu afkapt!’ Hij trekt een paar denkbeeldige lijnen door de tekst, verticaal. De lange rechthoek is nu opgesplitst in een drietal vierkantjes. ‘En zo zet!’ Hij maakt een slepende beweging van rechtsboven naar linksonder, zodat de vierkantjes uiteindelijk onder elkaar lijken te staan. ‘Dan wordt het echt poëzie! Maar er staat precies hetzelfde. En daarom heb ik bedacht, gewoon, vanmiddag’ – wait for it – ‘dit noem ik liggende gedichten.’

Het gevaar bestaat dat dat niet helemaal duidelijk is, dus hij voegt er nog aan toe: ‘Terwijl de meeste poëzie staand is.’ Korte pauze voor het effect. ‘De meeste poëzie is staande poëzie.’

Snijders is in ons taalgebied de koning van het ultrakorte verhaal. Gekroond en gezalfd. Maar het is een geluk dat deze koning met plezier de mantel voor het narrenpak verruilt. Zelfs in eigen land blijft het af en toe improviseren.

Dienovereenkomstig heb ik mijn rol als gastredacteur van dit nummer rond microfictie bescheiden opgevat. Ik arrangeer een kleine ontmoeting met het genre. Tegelijk is dat gevaarlijk: it’s the hope that kills you. Mijn, potentieel dodelijke, hoop is die van de matchmaker:dat ik voor elk wat wils kan oprakelen. Dat iedereen in dit nummer een microverhaal vindt om van te houden. Daarom een greep uit het assortiment – maar dan wel zo goed mogelijk, wat wil zeggen zo breed mogelijk. Met diversiteit als richtlijn. Als een genre zijn plaats in het veld nog niet helemaal heeft gevonden, is de verleiding groot om meteen al in te perken. Je zoekt de meest kenmerkende voorbeelden bijeen en stopt ze in een hokje. Terwijl je van het ene op het andere been verspringt, wijs je ernaar en roept: ‘Dit! Dit is het!’

Dit nummer van Deus ex machina is mijn poging om dat niet te doen. In de bloemlezing vind je zowel Fleur Jaeggy als Grace Paley. In het duistere ‘De steriele kamer’ plaatst Jaeggy de zinnen zo naast elkaar dat ze op mysterieuze manier beginnen te resoneren. Een beetje zoals dat in poëzie gebeurt, begint de vorm van de taal zelf te spreken. Daartegenover staat Paleys ‘Een man vertelde me zijn levensverhaal’. Het eigenlijke verhaal telt twee woorden: ‘Vicente zei’. De rest is Vicente’s leven in de directe rede. Hij vertelt ons in de meest alledaagse taal over zijn meest ingrijpende momenten. In Lydia Davis’ ‘Ei’ verschuift de alledaagsheid naar de momenten zelf. Geen grote keerpunten hier, maar twee baby’s die naar hetzelfde voorwerp op het tapijt gaan kijken en iets brabbelen wat nog net geen woord is. In mijn essay in dit nummer, ‘Drie schrijvers gaan een café binnen’, vind je iets meer over dat alledaagse in het werk van Davis. Zelfs Engelstalige microverhalen hoeven kennelijk niet zo flitsend te zijn als de meest gangbare flash fiction het wil.

‘De herfst’ is nog een ander paar mouwen. Dat komt uit het magistrale Fritz Kocher z’n opstellen, destijds al even magistraal vertaald door Jeroen Brouwers. Wat doet Robert Walser eigenlijk in dit boek? Zogezegd is het een verzameling schoolopstellen van de jonge Fritz. Is het een verhalenbundel? Een experimentele roman? Of – helemaal niet zo experimenteel – gewoon een soort briefroman, maar dan in opstellen? In elk geval komt het uit een fictieboek. Dat kan van ‘De martelaar tegen wil en dank’ niet gezegd worden. Maar dat is Nietzsche dan weer. En hoe verschillend is Kafka’s verhaal niet van zowel Nietzsche als Walser. Wim Michiel klaart een en ander uit in zijn essay over de Duitstalige microfictie van die periode.

De Deense Signe Schmidt Kjølner Hansen brengt ons in haar verhaal van een Franse film recht naar een bouwkraan en van daar recht naar de ‘Dinosaurus’ van de titel. Haar associatieve op-de-tast doet nog het meest denken aan een bepaald soort Latijns-Amerikaanse microfictie. Aan een ander soort lapt de Argentijnse Silvina Ocampo met ‘De geliefden’ rustig haar laars, zoals Bieke Willem uitlegt in haar essay ‘Verrassing!’ Zelfs het stuk van Snijders in deze bloemlezing is een atypisch Snijdersverhaal – wel zo dat het, o ironie, weer in de buurt komt van een gebruikelijker soort microfictie. Daar kan je de tekst van Koen Rymenants op naslaan.

Naast de bloemlezing zoeken dus ook de vier essays de rafelige randjes van de microfictie op. In het rijtje van vier heb ik overigens – alweer hoopvol – de Nederlandstalige literatuur samen met drie solide tradities van microfictie opgenomen die hier vrij goed bekend zijn: de Engels-, Spaans- en Duitstalige. Omwille van de samenhang zijn die in de bloemlezing iets sterker vertegenwoordigd dan de andere taalgroepen. Verder heb ik qua taal en herkomst toch zoveel mogelijk gevarieerd, al blijft het te eurocentrisch (graag iemand die dit corrigeert). Ook moesten minder bekende schrijvers naast grote namen staan. Ten slotte was er een criterium waarvoor ik zonder spijt alle andere liet varen: ik wilde minstens evenveel vrouwelijke als mannelijke auteurs in de bloemlezing.

Het resultaat van die rigide, scrupuleuze omgang met selectiecriteria is… eerlijk? Willekeur. Maar naar ik hoop van een andere aard dan de willekeur die een al te eenzijdig en gesloten genrebegrip aankleeft. Naar ik hoop het soort willekeur dat ontstaat wanneer je iets opentrekt dat het een lieve lust is, wijd, wijd, wijd.

Sofie Verraest – samensteller DEM 166

De microfictie-focus wordt aangevuld door Larissa Viaene die zeven speelse, intuïtieve illustraties maakte bij evenveel verhalen uit de bloemlezing; én door tien ultrakorte teksten van de Nederlandstalige laureaten van de EACWP-wedstrijd. Meer info hierover leest u verderop in dit nummer. En last but not least maken we in deze DEM behoorlijk wat plaats vrij voor de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Manon Smits vertaalde exclusief een achttal korte beschouwingen uit ‘Il Nuovo Barnum’ (2016) over onder meer voetbal, 9/11, de dood van Gabriel García Márquez en vriendschap in het pre-Facebooktijdperk. De vrije inzendingen hebben we opgespaard voor de laatste uitgave van dit jaar.