DEM 170: Instagram

Het nieuwe nummer van Deus Ex Machina ligt in de handel. Het thema is Instagram en het nummer werd hiervoor in een heel toepasselijk formaat uitgegeven. Bemachtig nu je exemplaar voor slechts vijf euro.

Om je warm te maken, bij deze het voorwoord:covergesneden

Een greep uit recente Instagram-posts. Fajah Lourens post een filmpje waarin ze haar buikvel toont na haar zwangerschap. Ze schrijft: ‘Wees trots op je buikvel’ @mykillerbodymotivation. Jitske Van de Veire filmt zichzelf schaars gekleed en zonder filter op een niet echt flatterende, maar wel oprechte wijze. ‘Serving your reality’ #selflove. Deze vrouwen willen hiermee een positieve boodschap de wereld insturen: leef zoveel mogelijk zonder complexen en schaam je niet voor je imperfecte lichaam. En deze vrouwen zijn geen uitzonderingen. Steeds meer mensen willen hun onzekerheden tonen zonder schaamte, in een poging deze om te buigen tot een sterkte. Zo willen ze hun persoonlijk verhaal in eigen handen nemen door het zelf te schrijven of te filmen. Maar ondersteunt Instagram ons daadwerkelijk bij de verwerkelijking van onszelf?

We zijn altijd op zoek naar verhalen. In boeken, in theater, films, series, muziek, in het nieuws, in gesprekken, in instastories, op Instagram. Met de opkomst van sociale media als Facebook, en in het verlengde daarvan Instagram, heeft iedereen nu een makkelijk instrument ter beschikking om van het eigen leven een verhaal te maken en dat te delen met anderen. Het beeld dat we zo van ons leven verspreiden heeft een niet altijd vanzelfsprekende band met wat we dagelijks werkelijk beleven. De ‘insta’ in Instagram maskeert een soms mijlenverre afstand tot ons ‘echte’ leven.

Wat gebeurt er als we onszelf als personage nemen, ons leven als onderwerp, en dan vooral de kant tonen die we net verborgen willen houden? Deus Ex Machina wil de schaduwzijde van ons ‘gefilterde zelf’ op Instagram belichten. Als we de filters omdraaien en tonen wat normaal buiten beeld blijft, wat zien we dan? Krijgen we een meer authentiek zelfbeeld, of verzandt deze poging om authentiek te zijn zélf in een geconstrueerd imago? Is het überhaupt mogelijk om te ontsnappen aan de ‘filter’? Je creëert tenslotte een ‘beeld’ van jezelf, hoe oprecht of complexloos het ook mag zijn bedoeld. En als je iets toont waar je je zogezegd voor schaamt, is de schaamte dan nog wel echt, of wordt het dan niet juist schaamteloos, of erger, pose?

Eén ding is zeker, we kunnen niet ontsnappen aan verhalen. En vandaag worden die veelal geschreven op Instagram. In dit nummer van Deus Ex Machina onderzoeken we de band tussen het alomtegenwoordige medium en de literatuur. Dat doen we zowel aan de hand van (beeld)gedichten en proza, als met behulp van interviews en essays over (sociale) media en literatuur, waarin telkens een hoofdrol voor Instagram is weggelegd, maar met ruimte voor schaamte, de B-kant van het leven, de weggesneden stukjes of het lelijke, niet-visuele of geheel ongecoördineerde. 

 

MEMENTO WOORDFESTIVAL KORTRIJK 2020

memento-minOp vrijdag 20, zaterdag 21 en zondag 22 maart 2020 is er de vijfde editie van Memento Woordfestival in Kortrijk. Het festival vindt plaats in het stadscentrum van Kortrijk. De Letterzetter van Kortrijk Anneleen Van Offel cureert het festival. Ze koos voor ‘Echo’ als artistiek thema. De ambassadeurs van het festival zijn Peter Verhelst, Siel Verhanneman, Christophe Vekeman, Maartje Wortel en het collectief van de Letterzetter van Kortrijk. Er zijn het hele weekend door interventies en toonmomenten van gereputeerde kunstenaars. Bovendien organiseert Creatief Schrijven tijdens het festivalweekend haar jaarlijkse Schrijfdag.

Memento Woordfestival Kortrijk werkt in 2020 voor het eerst nauw samen met Tilt Festival in Tilburg, Nederland.
Meer informatie: www.mementowoordfestival.be.

Tickets, totaalprogramma vanaf 14 januari 2020.

DEM 169 – Literatuuronderwijs

Voorwoord

‘Ich bin fast 18 und hab keine Ahnung von Steuern, Miete oder Versicherungen. Aber ich kann ‘ne Gedichtsanalyse (sic.) schreiben. In 4 Sprachen.’ (‘Ik ben bijna 18 en weet niets af van belastingen, huur of verzekeringen. Maar ik kan een gedicht analyseren. In vier talen.’) Het is alweer een viertal jaar geleden dat weldenkend Duitsland zich bij de ochtendkoffie verslikte in een op het eerste gezicht onschuldige tweet van Naina, een tot dan toe onbekende 17-jarige laatstejaarsstudente van een Keuls meisjesgymnasium. Haar Twitter-bericht ging in een mum van tijd viraal. Het werd een paar tienduizend keer geliket en geretweet, om vervolgens te worden opgepikt door de media: eerst door enkele lokale kranten en televisiezenders, later door Bild-Zeitung alvorens ook eerbiedwaardige dag- en weekbladen als de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Der Spiegel en die Welt hun licht over dit ‘merkwaardige’ bericht lieten schijnen. Naina’s tweet ontketende een lawine aan hele en halve meningen, gaande van meer (of minder) economie-onderwijs op middelbare scholen, minder (of juist meer) klassiek literatuuronderwijs tot het ter discussie stellen van het onderwijssysteem tout court en de problematische geestesgesteldheid van de Duitse jeugd.

Eigenlijk was Naina als laatstejaarsstudente samen met twee vriendinnen alleen maar op zoek naar een kamer in een Wohngemeinschaft. En daarvoor is enige basiskennis over de huurwetgeving en het verzekeringswezen waarschijnlijk nuttiger dan de analyse van een gedicht van Goethe of Schiller. Toen ze haar tweet schreef, was ze zich naar eigen zeggen van geen kwaad bewust. Dat draaide evenwel iets anders uit.

Hoewel de situatie in Duitsland niet helemaal gelijkloopt met die bij ons (een literaire analyse in maar liefst vier talen kunnen schrijven is bij ons tamelijk onvoorstelbaar), maakt ‘het geval Naina’ perfect duidelijk waar het in dit themanummer over literatuuronderwijs over gaat: welke plaats mag literatuur binnen ons 21ste-eeuwse onderwijssysteem, waar de klemtoon meer dan ooit ligt op wiskunde, wetenschappen, economie en technologie, nog ambiëren? Een vraag die – in de slipstream van een ruimer onderwijsdebat over de staat van ons huidige onderwijs – ook politiek de gemoederen beroert. Wij – van Deus Ex Machina – vinden dat we ons als literair tijdschrift in deze discussie niet afzijdig mogen houden. Beschouw daarom dit nummer als een hartstochtelijk pleidooi voor méér literatuur in het onderwijs en – we moeten er geen doekjes om winden – tegelijkertijd een herwaardering van de letteren binnen het vak Nederlands en het vreemdetalenonderwijs. Zonder vooruit te lopen op wat komt, houdt dit onder meer in dat de vaak absurde klemtoon op het vaardigheidsonderwijs moet worden teruggeschroefd, dat erover moet worden gewaakt dat taalvakken niet mogen verglijden tot de status van een servicevak, maar dat bijvoorbeeld ook de banden tussen de academische literatuurwetenschap en het secundair onderwijs opnieuw strakker moeten worden aangehaald.

Dit themagedeelte bestaat hoofdzakelijk uit beschouwende teksten. Met enkele kritische stemmen, zoals we die deels uit de opiniepagina’s van de dagbladpers gewoon zijn. Maar we hebben er ook bewust voor gekozen om daarnaast een positief verhaal te brengen. Wie een pleidooi houdt voor méér literatuuronderwijs, moet dit laatste niet als een vanzelfsprekendheid beschouwen, maar moet ook durven aantonen wat de zin én het nut hiervan zijn. Daarom vindt u in dit nummer ook bijdragen over literatuur in het technisch en beroepsonderwijs, over leesplezier, over literaire projecten met kankerpatiënten, dementerende ouderen en studenten rechten of een beschouwing over een schrijfresidentie in een basisschool voor bijzonder onderwijs.

Verder hebben we er bewust voor gekozen om aan dit ‘papieren’ themanummer een digitaal vervolg te breien. Wij vroegen in deze DEM aan zeven mensen uit de literaire en artistieke wereld welk boek zij aan achttienjarigen zouden aanbevelen. Op onze website en Facebook-pagina zullen nog anderen dezelfde oefening maken met de bedoeling zo uiteindelijk tot een alternatieve leeslijst voor leerlingen van de derde graad te komen. Ook zouden we eind 2019/begin 2020 een bijscholing/inspiratiedag voor leerkrachten uit het secundair onderwijs willen organiseren om zo ons betoog voor meer literatuur in de praktijk te brengen. En ten slotte zullen we ons in ons oktobernummer – om het met Alessandro Baricco te zeggen – begeven in het land van de ‘barbaren’. DEM170 zal – een vijftal jaar na onze papieren Facebookkrant – volledig gewijd zijn aan literatuur en Instagram.

Het beeldmateriaal voor deze DEM werd dit keer geleverd door fotograaf Jef Van Eynde (die in een vorig leven nog directeur van een middelbare school was). Na twee eerdere DEMthemanummers over Roemeense literatuur, selecteerde en vertaalde Jan Mysjkin in het kader van ‘Europalia Romania’ (dat begin oktober 2019 van start gaat) werk van drie Roemeense auteurs: Doina Ioanid, Alexandru Ecovoiu en Irina Nechit. Afsluiten doen we met gedichten van Mattijs Deraedt, Jan Geerts en Rand Helawi en kortverhalen van Mohana van den Kroonenberg en Lotte Ogiers.

De redactie

Inhoudstafel

Stefan Hertmans, Goede bedoelingen en sceptische leerlingen
Wim Michiel, Tussen hoop en pessimisme: literatuuronderwijs  in het Vlaams secundair onderwijs
Elke D’hoker, Literatuuronderwijs en leescultuur
Virginie Platteau, Laat ons lezen
Coen Peppelenbos,  Terug naar het verhaal: literatuuronderwijs in Nederland
Bert Van Raemdonck , Come as you are: een pleidooi voor de canon
Tijmen Govaerts, Het leven is vurrukkulluk (Remco Campert)
Maryam Kamal Hedayat, ‘Recitatif’ (Toni Morrison)
Gülcan Kahraman, Mensenlandschappen (Nazim Hikmet)
Romy Louise Lauwers, Cocaïne (Aleksandr Skorobogatov)
Giuseppe Minervini, Molloy’s kiezels
Anne Provoost, Beste achttienjarige die dit schrift in handen houdt
Gaea Schoeters,  The Powerbook (Jeanette Winterson)
Virginie Platteau, Bam! Slam! Literatuur op een Brusselse school
Ruth Lasters, Wifiwachters: een praktijkvoorbeeld
Yanni Ratajczyk, Mogelijke menselijkheid en menselijke mogelijkheid: pleidooi voor een herwaardering van de roman in  het secundair onderwijs
Iedereen leest, Leesplezier, maïzena voor goed literatuuronderwijs
Marit Trioen,  Van moeten naar mogen: werken aan leesplezier bij  aarzelende lezers in het secundair onderwijs
Dirk Terryn, Samen Lezen: delen is vermenigvuldigen!
Silvie Moors, Frederik Swennen Literatuur & recht / Law & literature
Laïla Koubaa, Mens blijven onderweg
Bertolt Brecht, De twijfelaar
Doina Ioanid, Naden
Alexandru Ecovoiu, De kalligraaf
Irina Nechit, Ben je hier? en andere gedichten
Mattijs Deraedt, Dordrecht
Jan Geerts, Vluchtelingenbrieven
Rand Helawi, Twee gedichten
Mohana van den Kroonenberg, Pruimentaart
Lotte Ogiers, Dat varkentje

DEM 168: Marcel Van Maele

Bert LEzyMensen die jou nooit bij leven gekend hebben, mensen die tien jaar na je dood over jou en en je werk praten, hoe bewonderenswaardig is dat? Wat antwoord je eigenlijk wanneer men je vraagt waar je naar streeft, wat je met kunst wil verwezenlijken? Is het niet net dat: dat mensen jou prijzen, ook na je dood, en ook al heb je hen nooit ontmoet?
Dit is exact wat wij voor je gedaan hebben eergisteren in Galerie: De Zwarte Panter. Anneleen Van Offel gaf er een prachtige inleiding, Didi De Paris pakte uit met een ode en een weergaloze voordracht uit je pamflet, David Troch viste uit jouw ‘ik ruik mensenvlees, zei de reus’ de winnende lottocijfers van deze week, Sylvie Marie vertelde over haar eigen netvliesloslating en de guerrilla die ze met Yanni Ratajczyk op poten zetten met werk van jou en Jan Ducheyne legde de Partij/Parti voor/pour de/la Poëzie/Poésie als nieuw kunstig engagement voor. En Bert Lezy? Die kon jou al improviserend met drie cassettebandjes in de kapel laten oprijzen. En daarna, daarna konden we op je klinken.
Het was geniaal. DEM168 en de heruitgave van je pamflet zijn nu officieel hebbedingen. Dat iedereen zich maar haaste naar de winkel, het goud is schaars.

Marcel, ik en de netvliesloslating – Sylvie Marie

Marcel, ik en de netvliesloslating

door Sylvie Marie

Schermafbeelding 2018-11-22 om 11.58.39
Sylvie Marie

Deze tekst is een preview uit het nieuwe nummer van Deus Ex Machina: DEM 168. Meer lezen? Het nummer kan je hier bestellen.

Op 24 juli 2009 was ik aan het feesten. Al een paar dagen lang. Het waren Gentse Feesten. De dichters Philip Meersman en Jase van Grembergen hadden elke avond literaire activiteiten gepland. Er werd een Kluger Hans voorgesteld, Tine Moniek deed er haar Rage against the dying of the light, Dirk Elst en Daniel Billiet deelden er het podium en zoveel meer. Midden in deze literaire vreugde stierf Marcel van Maele. Ik hoorde het zeggen, fluisteren, nog eens zeggen, meerdere malen, maar ik kende de dichter niet. Googelen. Vragen stellen. Horen vertellen. Netvliesloslating. Hij had het ook gehad. Ik voelde me meteen met hem verbonden.

Juni 2008

Ik ben vierentwintig en aan de slag als eindredacteur bij Het Nieuwsblad. Het is mijn eerste echte job. Ik werk met dagcontracten. Best lastig, die onzekerheid, maar als beginnend journalist ga je niet klagen. Integendeel, je maakt je het liefst zo onmisbaar mogelijk en schikt je naar de grillige wensen van de nieuwsmanagers. De dagen zijn lang. Van twaalf uur ’s middags tot twaalf uur ’s nachts ben ik in de weer. En in de voormiddag doe ik nog wat freelancewerk. Uiteraard.

Tot ik halfweg die maand plots enorm last krijg van mijn zicht. Het lijkt alsof de letters voor me op het computerscherm aan het dansen zijn. Alsof ze op een wapperende vlag staan en af en toe wat woorden in de plooien verdwijnen. Ik snap het niet. Dit is niet zomaar wat waziger zien. Dit is iets anders. Ik moet naar de oogarts. Maar wanneer krijg ik dat geregeld? Ik woon bij mijn lief in Bonheiden, mijn vaste oogarts sinds mijn vijfde bevindt zich nog in mijn thuisstad Tielt en dagelijks word ik op de redactie in Groot-Bijgaarden verwacht.

Ik spreek erover op het werk. Ze snappen het niet goed en ik geneer me een beetje. Iemand raadt me een optometrist in het Mechelse aan. Ik noteer het adres maar maak geen afspraak. Op dinsdag 24 juni ga ik met keelpijn naar de huisarts in Bonheiden. Die stelt een ontsteking vast en schrijft me twee dagen ziekteverlof voor. Zo zie ik mijn kans. Ik maak meteen een afspraak bij de oogarts. Met een dagje vrij is de treinrit heen en terug haalbaar.

Op donderdag kan ik er langs. Dokter Derous schijnt snel met een felle lamp in mijn ogen en laat me letters lezen. Hij vraagt me in welke kleur ik ze het beste kan zien. ‘Rood of groen?’, vraagt hij. Snel zwaait hij met zijn handen voor mijn ogen. Hij dekt het ene oog af, dan het andere. ‘Rood of groen? Rood of groen?’ Het is elf jaar geleden, maar ik hoor het hem nog vragen. Ik aarzel. Ik kan niet antwoorden op zijn vraag. Rood of groen maakt helemaal niet uit.
‘De letters dansen’, antwoord ik. ‘Het is raar, maar die letters staan gewoon niet stil op het scherm.’
‘Ah,’ zegt hij, ‘dat lijkt me sterk. Volgens mij zie je alleen maar wat waziger.’
Snel zwaait hij een foreptor – dat woord heb ik voor deze tekst opgezocht – voor mijn ogen en verandert de sterktes van de glazen in het zware toestel dat voor mijn gezicht hangt. ‘Is het nu beter of slechter?’ vraagt hij. ‘Beter of slechter?’. De verschillende lenzen schuiven heen en weer voor mijn ogen. Ik doe mijn best. Ik zeg: ‘Beter.’ Ik zeg: ‘Slechter.’ Ik zeg: ‘Ik kan niet antwoorden, ik denk niet dat ik zoveel waziger zie. Ik zie vervormd.’ Mijn stem trilt. Ik huil.
De oogarts zucht. Hij schuift de foreptor opzij en neemt een papier bij de hand. Daarop staan verschillende dwarsdoorsnedes van ogen getekend. Hij wijst een prent in het midden aan. ‘Kijk eens naar deze,’ zegt hij, ‘ik denk dat je last heb van wat rondzwevende vlokken in je ogen.’
Ik neem het papier over. ‘Ik zie geen vlokken,’ zeg ik, ‘ik zie vervormd.’
‘Misschien dat je dénkt dat je vervormd ziet,’ zegt hij. Hij zucht nogmaals. ‘Als je het echt wilt weten, dan doen we volgende dinsdag een onderzoek van de binnenkant van je oog. In het ziekenhuis. We spuiten een vloeistof in je oog en interpreteren dat met de computer. Let wel: je gaat een hele dag een gele tint zien in alles.’
Hij zegt het alsof ik dat bezwaar echt in overweging moet nemen.
‘Ik wil het’, zeg ik. ‘Graag vroeg in de voormiddag, ik moet tegen de middag in Brussel zijn.’
‘Oké’, zegt de oogarts. Hij neemt plaats achter zijn oude computer en vult mijn dossier aan. Intussen bestudeer ik de tekeningen. Op de onderste lijkt er een stuk van het oog als behangpapier af te bladderen.
‘Wat is dit?’ vraag ik.
‘Oh,’ zegt de oogarts, ‘dat is een netvliesloslating, dat kan jij onmogelijk hebben. Dat zou ik wel gezien hebben. Is meer voor oudere mensen.’
‘Ah’, zeg ik. Ik blijf naar de tekening kijken.
‘Ik heb een afspraak gemaakt’, zegt de dokter uiteindelijk. ‘En dit’ – hij geeft me een briefje – ‘is een voorschrift voor sterkere lenzen, die heb je in elk geval al zeker nodig. Geef het maar af in de winkel.’

Vanaf dat moment is het aftellen. Nog vier dagen voor het onderzoek waarvan ik er drie moet werken. Zondagsdienst. Ik kan me niet concentreren. De letters dansen steeds uitbundiger. Ik zit te huilen voor het scherm, maar probeer niets te laten blijken. Ik huil enorm veel. Dagelijks, uurlijks, minutelijks. Zijn het geen bestaande woorden, ik vind ze nu uit. Ik word blind, denk ik, ik zie wat ik zie, en het ziet er slecht uit. Mijn lief weet niet zo goed wat te zeggen, maar ik ga luidop rekenen. Vierentwintig ben ik. Stel dat ik nog zestig jaar leef. Ik zal compleet nutteloos zijn, compleet onvolmaakt. Ben ik niet net bezig om van mijn grote passie mijn job te maken? Heb ik niet net met tien gedichten gedebuteerd in Het Liegend Konijn en ben ik nu niet met een paar uitgevers aan het onderhandelen voor een bundel? Hoe moet ik die dingen in hemelsnaam voortzetten als ik niet meer in staat ben te lezen, en bijgevolg te schrijven? Moet ik braille leren? Hoeveel tijd heb ik nog?

Ik zie mezelf nog in de kamer staan, mijn mobieltje in de hand. Zoekend naar de voicerecorder en het pad ernaartoe – de juiste toetsen en hoeveel keer klikken erop – memoriserend. Op amper twee weken tijd brengen mijn ogen me van de rand van de doorbraak naar de rand van de depressie. 

Eindelijk dinsdag. Mijn moeder brengt me naar het ziekenhuis voor het onderzoek. Zo ben ik achteraf sneller in Brussel. Een vloeistof, mijn zicht wordt geel en ik zie de oogarts bleek wegtrekken. Bleek. Door het gele heen zie ik dat.
Mijn moeder ziet het ook. ‘Wat is er?’ vraagt ze.
De oogarts knippert even met zijn ogen, slikt dan en vraagt: ‘Roeselare of Gent?’
‘ Wat bedoel je?’ vraagt mijn moeder.
‘Welk ziekenhuis verkiest u?’ vraagt hij. ‘Uw dochter moet vandaag nog onder het mes.’
Gent. Dat ligt het dichtst bij Bonheiden. Binnen via spoed en meteen op de stoel bij de dokter daar. Die heeft geen gele vloeistof nodig om te zien wat er aan de hand is. ‘Maak haar klaar,’ zegt hij tegen zijn assistent. Hij zegt het vooraleer hij mij informeert. Zijn handen op mijn schouder: ‘Mevrouw, u hebt een netvliesloslating.’ Het is dinsdag 1 juli 2008, de puzzelstukjes vallen samen.

 

Januari 2019

Ik zoek Carine Lampens, de weduwe van Marcel van Maele, op voor dit nummer. Wat ik wil weten: 1) hoe is het bij Marcel gegaan? 2) Hoe ‘overleeft’ een schrijver, maar in de eerste plaats een mens, het steeds maar voortdurende verlies van zijn zicht tot hij uiteindelijk stekeblind wordt en 3) hoe is hij in godsnaam blijven schrijven én optreden?

1) Marcel heeft altijd dikke brilglazen gehad, zegt Carine, die hem midden jaren tachtig leerde kennen als begeleidster voor slechtzienden. Hij was erg bijziend, had een fragiel netvlies en stroef oogvocht. Dat was de diagnose. Eind ’85 raakte zijn netvlies los. Eén oog was meteen naar de vaantjes na een mislukte operatie in het Antwerpse Middelheimziekenhuis. De verantwoordelijke arts was zogezegd de beste in zijn vak. De manier waarop Carine de dokter beschrijft, lokt herkenning uit bij mij. Ik vertel hoe ik als vierjarig kind aan de hand van mijn moeder ook naar Antwerpen ben gegaan voor een consultatie bij een zeer gerenommeerde oogarts. Die vroeg echter meteen twintigduizend Belgische franken onder tafel vooraleer hij aan de operatie zou beginnen. Mijn moeder is het toen afgetrapt. Carine knikt. Het moet dezelfde dokter zijn. Zo was hij. Niet te geloven.

Het andere oog van Marcel kreeg twaalf operaties. In Leuven. Waren de artsen daar beter? Leuven was heel menselijk en professioneel. Behalve een arts die daar als assistent werkte en daarna in het Antwerpse jarenlang Marcels oogarts was. Hij schreef steeds allerlei oogdruppels voor. Tot Marcel op een bepaald moment vraagt: ‘Moet dat?’ ‘Kiest gij maar’, antwoordde de arts. Dit voorval was wel de ‘druppel’ van zijn eerder charlataneske geldwolf-attitude tegenover zijn patiënten.

Het was dweilen met de kraan open. Marcel zijn ogen bleven achteruitgaan. Hij behielp zichzelf vanaf ’86 met brillen, vergrootglazen en schurkte dicht tegen de tv aan. Hij probeerde alles, behalve rondlopen met een witte stok of braille leren. Dat laatste heeft hij nooit willen doen. Koppig was hij. Zolang hij nog kon zien, bleef hij zijn zicht gebruiken. Zijn centraal blikveld was op een bepaald ogenblik helemaal weg, maar schuin kon hij met één oog lange tijd nog zien. De laatste ingreep die plaatsvond was een hoornvliestransplantatie, maar die haalde niets meer uit.

Weerom herkenning. De operatie van 1 juli 2008 was ook voor mij niet de laatste. De behandeling werd door het getalm van mijn arts erg gecompliceerd. Ik kreeg in Gent een olie in mijn oog gespoten die het netvlies op zijn plaats moest houden. Een olie die drie maanden later met een nieuwe operatie weer moest verwijderd. Een jaar later kreeg ik opnieuw een ingreep. De olie had mijn inwendige lens zo aangetast dat ik cataract had ontwikkeld. Mijn zicht uit dat oog op dat moment: vijf procent. Nog een jaar later daalden mijn visuele prestaties opnieuw. Nu bleek het lenszakje dat mijn ooglens in positie houdt, volledig te zijn verkalkt door alle voorgaande ingrepen. Laseren. Het resultaat vandaag? Eén oog met verminderd en één met nog steeds vervormd zicht. Of ik nog kan autorijden, vroeg ik mijn arts ooit eens. Hij dacht zeker tien seconden na – staarde naar beneden, trok aan zijn onderlip – vooraleer hij ‘ja’ zei. 

2) Als ik Carine vraag wat het met Marcel deed, dat blind zijn en worden, knikt ze opnieuw. Ze vertelt hoe hij in ’89 – toen hij nog ternauwernood zag – negen maanden lang lusteloos thuiszat. Hij isoleerde zichzelf, sliep veel en volgde bijvoorbeeld fanatiek de Roemeense revolutie op tv. Daar ging hij helemaal in op. Hij was zichzelf niet, wist Carine, maar op dat moment was de oorzaak van de depressie voor Marcel onbespreekbaar. Pas twee jaar later, toen hij helemaal blind was, kon hij het benoemen: het blind worden dreef hem naar de afgrond. In feite lag het creatieve proces van Marcel zo goed als stil in de overgangsperiode. Hij kon pas goed terug aan de slag toen het licht helemaal uit was. Daarna deed hij weer actief aan kunst en zag hij er ook het komische van in. Hij staat bekend om zijn voordrachten waarin hij zichzelf laat souffleren door een dictafoon. Pas toen hij ook longvlieskanker kreeg in 2008 klaagde hij weer over zijn blindheid. ‘Ge vergeet dat ik blind ben,’ zei hij toen soms misnoegd. En toch wilde hij nooit als blinde kunstenaar worden opgevoerd.

3) Hij kreeg een dictafoon van een vriend. Daarmee ging hij aan de slag. Hij sprak dingen in. Losse zinnen, hele teksten, ideeën. Carine hield de tapes bij of schreef de zinnen en woorden op fiches. Hij leerde schrijven op een klembord met elastieken die hem wat rechter en gerichter op het blad deden schrijven. In de Vendée op vakantie schreef hij ook opnieuw met de hand, blindelings op een notablok. Zijn woorden waaierden uit over het blad. Hij scheurde de teksten van het blok en stak ze op een prikker. Carine zette ze om, typte ze over, sprak ze in. Ze trachtte die teksten dan zo vlug mogelijk te ontcijferen. En zijn vriend, beeldend kunstenaar Tone Pauwels, maakte een computer voor hem zodat hij zijn tapes kon ordenen.

Uiteindelijk vonden ze een systeem dat zich telkens weer aanpaste. Voor een gedicht bijvoorbeeld schreef Carine woorden en zinnen van op de tape of op het notablok op genummerde fiches over. Wanneer Marcel dan een gedicht wilde maken, gingen ze elk aan een kant van de tafel in de werkkamer zitten en las Carine continu de teksten voor. Marcel legde dan linken, voegde er zinnen aan toe of liet er weg en bedacht hoe de tekst eruit moest zien. ‘Drie laten vallen,’ zei hij dan, ‘Vijf met achttien samenvoegen.’ Een huzarenstukje dat niet altijd zonder geruzie voltooid werd. Hij werkte naderhand veel meer met cycli. En alles werd meer uitgepuurd. Dat is misschien een gevolg van zijn blindheid. Of van zijn leeftijd.

Om de bloemlezing Krassen in wat was samen te stellen, werd beroep gedaan op Lucienne Stassaert. Duizend gedichten werden bovengehaald. Lucienne las ze meermaals voor en Marcel koos. Ook Lucienne liet haar mening horen. Wanneer een gedicht hen beide niet meer beviel, voelde Marcel dat. ‘Vreemd hé,’ zei hij dan.

Alleen theaterteksten maken lukte niet meer. Daar kon Carine niet bij helpen, hoe zeer ze ook probeerde. Hij had nochtans nog een hoop ideeën. Hij praatte er met Jan Decleir over. Over een stuk dat Een zilveren schedel en een glazen oog zou heten. Het is niet verschenen. Marcel zocht er geen andere hulp voor.

Voor mij ligt Over woorden gesproken, een dichtbundel die in 2006 bij uitgeverij P verscheen. Alle gedichten heeft Van Maele blind geschreven. En ja, ze zijn inderdaad uitgepuurd en heel netjes in cycli ondergebracht. Het experimentele kantje is er helemaal af gevijld. Dit zijn klassieke gedichten. Wanneer ik de bundel doorblader, zien de gedichten eruit zoals bij een ziende dichter. Niets verraadt het proces, de uren met Carine aan de werktafel. Ik kan het niet geloven. En toch weer wel. Als je maar lang genoeg de woorden herhaalt, dan zie je de bladspiegel wellicht des te scherper voor je, omdat er niets anders te zien valt. Samenvallen op het blad met het gedicht. Wat wit is op het papier wordt zwart achter de oogleden, en omgekeerd. Schrijven in negatief, zoiets.

Naar aanleiding van deze tekst heb ik het ook eens geprobeerd. Blind gedichten schrijven. Ik sloot mijn ogen en begon te typen. Gestamel is het, gemijmer. Ergens schrijf ik dat ik de woorden niet kan onthouden. Dat ik niet weet waar ik in het gedicht beland ben. ‘Ik leef in een continu nu,’ typte ik. ‘Een conti-nu.’ Dat moet voor Van Maele ook zo geweest zijn.

Tenminste, als Carine er niet was geweest.

Marcel van Maele revisited in De Zwarte Panter

MARCEL VAN MAELE EX MACHINA

Tien jaar na het overlijden van cultdichter Marcel van Maele buigt Deus Ex Machina zich over zijn nalatenschap. Het nummer én een heruitgave van Van Maeles Pamflet I worden feestelijk voogesteld op 12 april om 20 uur in Galerie De Zwarte Panter. Wie komt, danst op de plaatjes van Bert Lezy en met een glas echte Van Maelewijn in de hand.

De nieuwe Deus Ex Machina komt eind deze maand uit! Tien jaar na het overlijden van de cultdichter Marcel van Maele buigen DEM-redactrices Sylvie Marie en Anneleen van Offel zich over zijn erfenis. Conclusie: Marcel van Maele leeft nog steeds, misschien zelfs meer dan ooit!

Om dat te vieren wordt op 12 april – in Marcels verjaardagsweek – om 20 uur in Galerie De Zwarte Panter uit het werk van Van Maele en de bijdragen in DEM168 voorgelezen. Dat gebeurt in vlammende Van Maelestijl.
En, heel belangrijk: DEM stelt ook PAMFLET 1 voor, de heruitgave van Marcels bundel uit 1960. Wie blijft napraten doet dat op de plaatjes van Bert Lezy en kan een glas Pomme Charelle drinken, wijn gemaakt door Karel van Maele, neef van Marcel.

Over DEM168:
Over de erfenis van Marcel van Maele getuigen onder anderen Lucienne Stassaert, Kila van der Starre, Roel Richelieu Van Londersele en Patrick Conrad. Anneleen van Offel interviewde Carine Lampens, de nog steeds in Antwerpen wonende weduwe van Van Maele en Sylvie Marie haakt haar ervaringen met een netvliesloslating vast aan de oogproblemen en de latere blindheid van de kunstenaar. Naadloos sluit daar het dossier ‘Poëzie in de openbare ruimte’ op aan waarvoor Stan Lafleur, Maud Vanhauwaert, Astrid Haerens en Jan Ducheyne in hun pen kropen. Meer dan in andere nummers is er in deze DEM ruimte voor beeld. Vincent van Meenen, Renaat Ramon en Bert Lezy (zie ook de afbeelding bij dit bericht) maakten nieuw werk ter ere van Marcel van Maele.

Over Pamflet 1:
In april 1960 schreef Marcel van Maele op één weekend tijd PAMFLET 1, het zijn vurige poëtische nota’s over het bewustzijn die vloeiend in elkaar overlopen. Het gestencilde boekje was nergens nog te vinden, behalve in het archief bij zijn vrouw Carine. Het wordt nu opnieuw aan het publiek gegeven en op honderd exemplaren herdrukt met de steun van Antwerpen Boekenstad.

Beide uitgaven kosten 10 euro/stuk en kan u de avond zelf kopen, of nabestellen via de website en diverse boekhandels.

Wie bij de uitgaven een abonnement neemt, betaalt 30 euro.

Zie ook facebook: https://www.facebook.com/events/2370234816581948/

 

DEM 167 : Alfred Hitchcock

CZ-Hitchcock-Advertentie-2018-page-001Voorwoord bij het Hitchcock nummer

‘Un film n’est pas un album d’images stylisées, pas plus qu’une pièce de théâtre filmée. C’est une histoire racontée avec des images comme un roman est une histoire racontée avec des mots’, schreef de Franse filmcriticus/scenarist/regisseur/auteur Alexandre Astruc in een beroemd geworden essay in L’Écran français uit 1948. De filmmaker-auteur, aldus Astruc in ‘Le Caméra-Stylo’, ‘schrijft met zijn camera zoals een schrijver schrijft met zijn pen’. Astruc stond hiermee samen met André Bazin en François Truffaut aan de basis van wat de auteurscinema zou worden: cinema waarin de regisseur gezien wordt als de belangrijkste creatieve kracht bij het maken van een film.  Net zoals de schrijver dat is bij het schrijven van een literaire tekst.

Interessant aan dit concept is dat de cinema hier – om zich te emanciperen van de Amerikaanse filmindustrie waarin de regisseur louter als een schakel gezien wordt in de grote machinerie van het filmproces én tegelijkertijd om zich op deze manier als een volwaardig kunstgenre op de kaart te zetten – teruggrijpt naar de literatuur. Alfred Hitchcock (1899-1980) speelde in deze ontwikkeling een belangrijke rol. Met name François Truffaut verwonderde er zich over waarom iemand als Hitchcock in de Amerikaanse filmindustrie niet voor vol werd aanzien. Zijn bewondering en fascinatie voor ‘filmauteur’ Hitchcock zou in 1962 uitmonden in zijn legendarisch monsterinterview met de meester zelf; een tweegesprek dat vier jaar later in boekvorm zou verschijnen.

Niet iedereen was uiteraard even enthousiast over het gefilosofeer van Truffaut, Chabrol, Rohmer en andere Nouvelle Vague-kornuiten. Daarbij komt nog dat het ‘auteurs’-begrip op zich het sinds eind jaren zestig steeds moeilijker kreeg. Denk maar aan Roland Barthes en andere poststructuralisten die de ‘auteur’ officieel dood verklaarden.

Los van dit alles had Hitchcock Truffauts politique des auteurs niet nodig om zich met een literair aura te omgeven. Bijna alle 53 films en 20 afleveringen van televisieseries die Hitchcock zelf regisseerde zijn gebaseerd op literaire werken – romans, kortverhalen en, in iets mindere mate, toneelstukken. Heel veel werk van zogenaamde tweede- en derderangs auteurs, veel thrillers en spionageromans, pulp fiction en penny dreadfuls en – zeer sporadisch – een gecanoniseerd werk uit de wereldliteratuur (zoals Joseph Conrads The Secret Agent (1907), dat in 1936 werd verfilmd als Sabotage). Daarnaast kon Hitch een beroep doen op de diensten van veel schoon volk uit de literaire wereld: Raymond Chandler, John Steinbeck, Patricia Highsmith, Evan Hunter, George Tabori, Roald Dahl en Maxwell Anderson – om het bij dit zevental te houden.

Wat is beter, het boek of de film? Een veelal overbodige en zelfs ridicule vraag. Dat geldt zeker voor het oeuvre van Hitchcock, een regisseur die zijn verhalen in de eerste plaats met beeld en geluid vertelt, zonder daarbij al te gemakkelijk van dialogen gebruik te maken. Getuige daarvan de briljante, woordloze, half uur durende achtervolging van James Stewart in Vertigo (1958). Of – in de woorden van scenarioschrijver Ernst Lehman – de fameuze crop duster scene uit North by Northwest (1959): ‘Nothing happens for almost eight minutes and it still holds your attention’.

Deze DEM wil de wisselwerking tussen film en literatuur in Hitchcocks werk verder exploreren. Bavo Dhooge – naast schrijver van ‘100 boeken’ sinds kort ook de auteur van het nietsontziende, fascinerende vaderboek Sr – opent de dans met een tekst over Hithcocks jeugdjaren en de plaats die zijn vader in zijn leven en werk inneemt. John Vervoort zoomt in op Hitchcock en Patricia Highsmith, Max Moragie op Psycho-auteur Robert Bloch en Ivo De Cock op Hitchcocks Vertigo, een superieure adaptatie van Boileau-Narcejacs D’entre les morts (1954). Welp-regisseur Jonas Govaerts verwoordt  zijn fascinatie voor Hichcocks voorlaatste film Frenzy (1972). Orlando Verde en DEM-redacteur Michiel Leen focussen op de nogal problematische plaats die vrouwen in Hitchcocks leven en werk innemen. Guido Van Eijck schreef een kort essay over Hitchcock als meester van de (zelf)promotie.  Dichters Alexis de Roode, Moya De Feyter, Stefanie Huysmans en Delphine Lecompte lieten zich inspireren door leven en werk van Hitchcock. Annelies Van Parys, Gaea Schoeters en Jen Hadfield grepen terug naar Rear Window (1954). Het leverde de opera Private View op. Wij publiceren een Nederlandse vertaling van een fragment uit het libretto. Verder vertaalden we ‘Back for Christmas’, een kortverhaal van John Collier uit 1939 dat Hitchcock zeventien jaar later zou verfilmen als aflevering in de ‘Alfred Hitchcock presents’-serie. En we vertaalden ‘Gas’, een van de zeldzaam bewaard gebleven literaire teksten van Hitchcock zelf. De Amerikaanse schrijfster Shannon Reed sluit het themagedeelte af met ‘Hitchcock na therapie’, vijf korte Hitchcock-Spielereien vertaald door Sofie Verraest.

Deze keer hebben we geen mini-focus, wel een uitgebreid essay van Tommy van Avermaete over voormalig Nobelprijswinnaar Imre Kertész, de holocaust en de problematische relatie die het Hongarije van Victor Orbán hiermee heeft. Yoeri Hostie debuteert als prozaschrijver met ‘The Big Rip’. Daarnaast vindt u in deze DEM nog poëzie van Sara Eelen, Kristien Spooren en opnieuw Stefanie Huysmans.

De redactie

Hamburg – Antwerpen. Literaire uitwisseling Tau//Deus Ex Machina

Drie jaar geleden kwam de redactie van Deus Ex Machina in Hamburg voor een verrassing te staan: tot hun grote verbazing bleek deze roemrijke hanzestad een volwaardig literair tijdschrift te ontberen. Tot… in maart 2018 Tau het levenslicht zag

Het Belgische literaire tijdschrift bracht intussen een best-of van zijn Duitse sateliet als minifocus in DEM 165 (Queer) en haalt haar poulains nu ook naar Antwerpen.

Café Boekowski vormt het toneel voor een heuse tweetalige literaire uitwisseling. Tau zendt Lütfiye Güzel (Duisburg), André Patten (Köln), Marie-Alice Schultz (Hamburg) en Jonis Hartmann (Hamburg) uit om een selectie van hun werk te brengen. Deus Ex Machina selecteerde Akim A. J. Willems en Nele Buyst die hun vrije bijdragen uit DEM 165 voorlezen en Stefanie Huysmans die ons met haar werk vooruit doet blikken naar DEM 167 (Hitchcock).

De avond wordt feestelijk afgesloten met ‘Hamburgse muziek’ van onder meer Abwärts, Die Goldenen Zitronen, Andreas Dorau, Blumfeld, Jan Delay en Udo Lindenberg.

I.s.m Tau · zeitschrift für literatur en dasKULTURforum

Inkom: 5 euro (Incl DEM 165 of DEM 166).

Meer info op facebook: https://www.facebook.com/events/556979568089771/

Antwerpen en Hamburg: literaire zustersteden

tau_CoverToen de redactie van Deus ex Machina een bezoek bracht aan Hamburg op zoek naar interessant voedsel voor een nieuw nummer, kwam ze tot de verbijsterende vaststelling dat deze roemrijke hanzestad niet eens een literair tijdschrift had! Meer dan een bedenkelijke Belgische blik had het Forum (Hamburger Autorinnen und Autoren) echter niet nodig om tot actie over te gaan. Drie jaar later – maart 2018 – zag het Hamburgse geesteskind van Deus ex Machina het literaire licht: Tau was geboren.

Het Belgische literaire tijdschrift bracht intussen een best-of van zijn Duitse sateliet als aparte bijlage in het queer nummer en samen organiseren ze twee literaire avonden in België.

Op vrijdag 23 november (20 uur) een tweetalige literaire avond in Café Boekowski.

De Duitsers brengen Lütfiye Güzel (Duisburg), André Patten (Köln), Marie-Alice Schultz (Hamburg) en Jonis Hartmann (Hamburg) mee. Deus ex Machina zet er een viertal auteurs van eigen bodem tegenover. De avond wordt feestelijk afgesloten met ‘Hamburgse muziek’ van onder meer Abwärts, Die Goldenen Zitronen, Andreas Dorau, Blumfeld, Jan Delay en Udo Lindenberg.

Op 22 november een literaire avond in Hanse Office Brussel om 18.30 uur met een exclusief Duitstalige presentatie van het eerste nummer van TAU.

Meer info volgt.

Tweetalige literaire avond: hou het Antwerpse DasKULTURforum en café Boekowski in de gaten.
Duitstale voorstelling nieuw nummer Tau: Hanse Office Brussels.

De website van van TAU.

DEUS EX MACHINA NR 166: Microfictie

Dit nummer werd samengesteld door gastredactrice Sofie Verraest.

Bij wijze van voorwoord: Het liggende gedicht

In 2014 wordt A. L. Snijders, schrijver van ultrakorte verhalen, samen met een handjevol dichters uitgenodigd op Literatuur Late Night in Den Haag. Ervan overtuigd dat hij ‘echt als dichter’ is gevraagd, heeft Snijders ter attentie van het publiek print-outs van zijn ‘stukjes’meegebracht. ‘En die zijn zo.’ Hij toont de bladspiegel aan de zaal en tracht met zijn hand de regels een eindje verder te wuiven. ‘Maar,’ zegt hij, terwijl die hand als een arend boven de zwarte balk tekst blijft zweven, ‘als je ze nu afkapt!’ Hij trekt een paar denkbeeldige lijnen door de tekst, verticaal. De lange rechthoek is nu opgesplitst in een drietal vierkantjes. ‘En zo zet!’ Hij maakt een slepende beweging van rechtsboven naar linksonder, zodat de vierkantjes uiteindelijk onder elkaar lijken te staan. ‘Dan wordt het echt poëzie! Maar er staat precies hetzelfde. En daarom heb ik bedacht, gewoon, vanmiddag’ – wait for it – ‘dit noem ik liggende gedichten.’

Het gevaar bestaat dat dat niet helemaal duidelijk is, dus hij voegt er nog aan toe: ‘Terwijl de meeste poëzie staand is.’ Korte pauze voor het effect. ‘De meeste poëzie is staande poëzie.’

Snijders is in ons taalgebied de koning van het ultrakorte verhaal. Gekroond en gezalfd. Maar het is een geluk dat deze koning met plezier de mantel voor het narrenpak verruilt. Zelfs in eigen land blijft het af en toe improviseren.

Dienovereenkomstig heb ik mijn rol als gastredacteur van dit nummer rond microfictie bescheiden opgevat. Ik arrangeer een kleine ontmoeting met het genre. Tegelijk is dat gevaarlijk: it’s the hope that kills you. Mijn, potentieel dodelijke, hoop is die van de matchmaker:dat ik voor elk wat wils kan oprakelen. Dat iedereen in dit nummer een microverhaal vindt om van te houden. Daarom een greep uit het assortiment – maar dan wel zo goed mogelijk, wat wil zeggen zo breed mogelijk. Met diversiteit als richtlijn. Als een genre zijn plaats in het veld nog niet helemaal heeft gevonden, is de verleiding groot om meteen al in te perken. Je zoekt de meest kenmerkende voorbeelden bijeen en stopt ze in een hokje. Terwijl je van het ene op het andere been verspringt, wijs je ernaar en roept: ‘Dit! Dit is het!’

Dit nummer van Deus ex machina is mijn poging om dat niet te doen. In de bloemlezing vind je zowel Fleur Jaeggy als Grace Paley. In het duistere ‘De steriele kamer’ plaatst Jaeggy de zinnen zo naast elkaar dat ze op mysterieuze manier beginnen te resoneren. Een beetje zoals dat in poëzie gebeurt, begint de vorm van de taal zelf te spreken. Daartegenover staat Paleys ‘Een man vertelde me zijn levensverhaal’. Het eigenlijke verhaal telt twee woorden: ‘Vicente zei’. De rest is Vicente’s leven in de directe rede. Hij vertelt ons in de meest alledaagse taal over zijn meest ingrijpende momenten. In Lydia Davis’ ‘Ei’ verschuift de alledaagsheid naar de momenten zelf. Geen grote keerpunten hier, maar twee baby’s die naar hetzelfde voorwerp op het tapijt gaan kijken en iets brabbelen wat nog net geen woord is. In mijn essay in dit nummer, ‘Drie schrijvers gaan een café binnen’, vind je iets meer over dat alledaagse in het werk van Davis. Zelfs Engelstalige microverhalen hoeven kennelijk niet zo flitsend te zijn als de meest gangbare flash fiction het wil.

‘De herfst’ is nog een ander paar mouwen. Dat komt uit het magistrale Fritz Kocher z’n opstellen, destijds al even magistraal vertaald door Jeroen Brouwers. Wat doet Robert Walser eigenlijk in dit boek? Zogezegd is het een verzameling schoolopstellen van de jonge Fritz. Is het een verhalenbundel? Een experimentele roman? Of – helemaal niet zo experimenteel – gewoon een soort briefroman, maar dan in opstellen? In elk geval komt het uit een fictieboek. Dat kan van ‘De martelaar tegen wil en dank’ niet gezegd worden. Maar dat is Nietzsche dan weer. En hoe verschillend is Kafka’s verhaal niet van zowel Nietzsche als Walser. Wim Michiel klaart een en ander uit in zijn essay over de Duitstalige microfictie van die periode.

De Deense Signe Schmidt Kjølner Hansen brengt ons in haar verhaal van een Franse film recht naar een bouwkraan en van daar recht naar de ‘Dinosaurus’ van de titel. Haar associatieve op-de-tast doet nog het meest denken aan een bepaald soort Latijns-Amerikaanse microfictie. Aan een ander soort lapt de Argentijnse Silvina Ocampo met ‘De geliefden’ rustig haar laars, zoals Bieke Willem uitlegt in haar essay ‘Verrassing!’ Zelfs het stuk van Snijders in deze bloemlezing is een atypisch Snijdersverhaal – wel zo dat het, o ironie, weer in de buurt komt van een gebruikelijker soort microfictie. Daar kan je de tekst van Koen Rymenants op naslaan.

Naast de bloemlezing zoeken dus ook de vier essays de rafelige randjes van de microfictie op. In het rijtje van vier heb ik overigens – alweer hoopvol – de Nederlandstalige literatuur samen met drie solide tradities van microfictie opgenomen die hier vrij goed bekend zijn: de Engels-, Spaans- en Duitstalige. Omwille van de samenhang zijn die in de bloemlezing iets sterker vertegenwoordigd dan de andere taalgroepen. Verder heb ik qua taal en herkomst toch zoveel mogelijk gevarieerd, al blijft het te eurocentrisch (graag iemand die dit corrigeert). Ook moesten minder bekende schrijvers naast grote namen staan. Ten slotte was er een criterium waarvoor ik zonder spijt alle andere liet varen: ik wilde minstens evenveel vrouwelijke als mannelijke auteurs in de bloemlezing.

Het resultaat van die rigide, scrupuleuze omgang met selectiecriteria is… eerlijk? Willekeur. Maar naar ik hoop van een andere aard dan de willekeur die een al te eenzijdig en gesloten genrebegrip aankleeft. Naar ik hoop het soort willekeur dat ontstaat wanneer je iets opentrekt dat het een lieve lust is, wijd, wijd, wijd.

Sofie Verraest – samensteller DEM 166

De microfictie-focus wordt aangevuld door Larissa Viaene die zeven speelse, intuïtieve illustraties maakte bij evenveel verhalen uit de bloemlezing; én door tien ultrakorte teksten van de Nederlandstalige laureaten van de EACWP-wedstrijd. Meer info hierover leest u verderop in dit nummer. En last but not least maken we in deze DEM behoorlijk wat plaats vrij voor de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Manon Smits vertaalde exclusief een achttal korte beschouwingen uit ‘Il Nuovo Barnum’ (2016) over onder meer voetbal, 9/11, de dood van Gabriel García Márquez en vriendschap in het pre-Facebooktijdperk. De vrije inzendingen hebben we opgespaard voor de laatste uitgave van dit jaar.

Memorial J.M.H. Berckmans

vrijdag_berckmans1Deze zomer, tien jaar na zijn overlijden, wordt J.M.H. Berckmans alom herdacht. Deus Ex Machina gaf al een bescheiden startschot voor  met een minifocus, een verzameling onuitgegeven teksten – zeg maar collectors item – van en over Pafke. Na de aftrap in de Boekowski volgt nu een heuse Berckmans-memorial georganiseerd door het Letterenhuis: voorstelling van zijn biografie, inhuldiging van een genkplaat, expo, documentaires en activiteiten. Het volledige programma vindt u hier!