December 2008 bracht Deus Ex Machina een themanummer over de Cahiers van Paul Valéry. Dit is de bijdrage van Bernard Dewulf

 

valeryBij het lezen van Valéry

Het schrijven van Paul Valéry is een vorm van tekenen. ‘Tekenen’, schreef hij, ‘is een daad van intelligentie’. Voor Valéry moet intelligentie een vorm van schoonheid zijn geweest. Intelligentie als de zuivere muziek van de hersenen.

Het afgetekende denken. En dat optekenen. Even afgelijnd als een tekening.

Het schrijven van Paul Valéry is ook een vorm van zingen. Hij deelde schilders op in sprekers en zangers. ‘Velazquez’, vond hij, ‘spreekt prachtig, maar zingt niet’. Wie wel zingt: Titiaan. En Rembrandt. In zijn schrijven wilde Valéry ook zingen, als hogere vorm van spreken. Hij slaagt daar prachtig in.

Ik moest aan de vogels denken, en hún zingen. Zou er een verschil zijn tussen teksten die ‘s ochtends en teksten die ‘s avonds geschreven zijn? Zoals vogels ook anders zingen aan het begin en in de loop van de dag. Gedurende een groot deel van zijn leven schreef Valéry bij het eerste gloren - ‘tussen lamp en zon’ - aan zijn Cahiers. De helderheid van zijn aantekeningen heeft iets ochtendlijks. Het valt niet te bewijzen, maar iets zegt mij dat die Cahiers minstens een andere toon hadden gehad, waren ze op een ander moment van de dag tot stand gekomen. De melancholie van de ochtend is minder ‘verstoord’ dan die van de avond. Er zit minder ruis op. De ochtend is digitaler. Men kan scherper afstemmen op de gedachten. De gedachten zijn koeler, kaler, nog niet vervormd, verhit of ‘besmet’ door de turbulentie, de koorts van de dag.

De ochtend is lucide, de avond hybride. Zou het waar zijn? Wat Valéry onvermijdelijk dagelijks zag: de opkomst, de aankomst van het licht. Het kan moeilijk anders of dat heeft invloed op het schrijven. Om enkele redenen. Het licht als  tekenaar. Zoals tekenen een manier is om de vormen van de wereld zichtbaar te maken. De herhaling. Elke dag opnieuw speelde zich dezelfde ‘tekening’ af. En zoals Valéry noteerde: ‘De exclusieve liefhebbers van het nieuwe beseffen niet hoe groot het vermogen van een werk is om weer herhaald, weer beluisterd, weer gezien te worden.’ Het herhalen, het her-zien, het her-beluisteren van de eigen gedachten, in schier eindeloze variaties, is een leidraad in de Cahiers. Het begin. Telkens was Valéry aanwezig bij ‘het begin’ van iets. ‘C’est exactement comme dans la Génèse’, noteerde hij. En: ‘Il y a d’abord quelque chose; puis, des choses’. Eerst is er iets, daarna het vele, het ontelbaar tastbare. In die overgang tussen het abstracte en het concrete - het werk van het licht - schreef hij dagelijks aan zijn gedachten. Het geheugen. Elke ochtend roept het licht de wereld weer op. Het herhaalt en herenigt die wereld dagelijks. Het licht herinnert ons aan de wereld. Zo keert de wereld altijd terug. En ‘de terugkeer naar het zelfde,’ schrijft Valéry, ‘is de grondslag van alles’. Die stelling verbindt hij met het geheugen. ‘Het geheugen is de gave om naar of van hetzelfde terug te keren.’ Terecht laat hij vervolgens het geheugen vooral in en aan het heden werken, meer dan aan het verleden: ‘Niet het verleden is zijn grote opgave - maar herbeleving van het heden’. Dat is ook wat het licht bewerkstelligt, elke ochtend dat Valéry erin zat te werken.

Een belangrijk verschil tussen het licht en het geheugen: het licht belicht álles, het geheugen beschijnt selectief. Wie zich zijn ‘dagelijksheid’ van pakweg tien jaar geleden wil herinneren, kan beter bij het geheugen van het licht terecht dan bij het eigen. Zoals Valéry noteert: ‘Het geheugen veronachtzaamt indrukken en handelingen die tot de dagelijkse routine behoren’. Het licht maakt geen onderscheid, het geheugen doet niets anders. Het geheugen registreert helemaal niet ‘het leven’ - Valéry: ‘Tot het geheugen dringt niet door wat voortdurend aanwezig is of bij herhaling wordt gedaan.’ Wat doet het geheugen dan wel? Als het niet de ‘dagelijksheid’ onthoudt, ‘wat wil zeggen’, in de woorden van Valéry, ‘het belangrijkste en minst opvallende van onze geschiedenis’, wat levert het geheugen dan wel over? Valéry’s conclusie is bijna onthutsend: ‘Men herinnert zich chronologisch wat anders had kunnen zijn’.

Het geheugen is dus alles behalve een inhoudsopgave van ons bestaan. Bovendien: het verzint. Letterlijk: het maakt zinnen van wat ternauwernood taal was, zo gebrabbeld en  gestameld is het merendeel van ons bestaan. Het geheugen is een krant, een journaal: het wil verhaaltjes, story’s, formats maken van de versplintering van de werkelijkheid. Ze zijn even onvermijdelijk als onbetrouwbaar.

Het licht vormt, tekent niet alleen de wereld, het doet dat ook elke ochtend met de kamer. Meermaals beschrijft Valéry het ritueel van het openen van de luiken ‘s ochtends, dat gepaard gaat met het opengaan van het bewustzijn. Licht in de wereld, licht in de kamer, licht in het hoofd. Maar laten we niet romantiseren: meestal is het eerste licht in de kamer die van de lamp. Het openen van de  luiken is wel dagelijks het begin van de ‘verhouding’ tussen de kamer en de wereld. Paul Valéry was een overtuigd  kamerbewoner. Niet alleen heeft hij vaak de ‘vaste’ kamers beschreven waar wij woonde en werkte, ook van de kamers waar  hij kort verbleef bracht hij, meestal bondig en informatief, verslag uit. (Een hotelkamer, noteerde hij, is ‘een abstracte plek, goed voor alle Ikken’.) Een kamer had voor hem iets van een ‘elementair deeltje’: meer behoeft een mens niet om te  leven, te schrijven en in de wereld te zijn. Een stoel, een tafel, een fauteuil, een venster - dat had hij nodig, het liefst  opgesteld in welbepaalde verhoudingen. Dan was hij niet alleen thuis in ‘zijn’ wereld, maar ook in dé wereld.

‘De kamer  denken’, schreef hij, ‘is de wereld denken’. Dat hing samen met een geloof in ‘beperking’. De kamer was het ‘petit théâtre d’  événements’, waar de bewegingen van de wereld zich in het klein afspeelden en precies daarom beter te beschrijven en te  overdenken waren. De vergelijking ligt voor de hand: regelmatig verwijst Valéry naar zijn kamer als naar ‘een klooster’. De  kamer is een ‘empire de mots et de méditation’. Kortom, in Valéry’s stijl zou men kunnen noteren: kamer = wereld. En daar  komt dan altijd de blik bij. Zoals hij zelf vaststelde: ‘ ‘Univers’ - ensemble des choses qui sont dans une chambre + le regard ‘circulaire’ qui les parcourt plus vite qu’elles ne changent sensiblement’.

Dat sluit aan bij een andere observatie, over de ‘toe-eigening’ van de wereld: ‘l’univers n’est qu’un tableau pendu au mur  d’une chambre’. Hier is de wereld teruggebracht tot iets kleins-in-het-kleine: een schilderij aan de muur van een kamer. Uiteindelijk is Valéry ervan overtuigd dat de hele wereld in het hoofd zit: zoals elke gedachte een microkosmos is, zo is de wereld zelf uiteindelijk ook een gedachte.

Alles draait om twee begrippen: het ik en het hier. In dat verband maakt Valéry een prachtige overweging: ‘L’ici est le moi de l’espace’. Het hier is het ik van de ruimte. Het is haast een einsteiniaanse  vaststelling. Tijd, ruimte en het ik hangen onlosmakelijk samen - het bindmiddel is de taal. Bestaansvoorwaarde: de herhaling. Het hier, net als het ik en de ruimte, kan nooit bestaan zonder de herhaling. De kamer is voor Valéry de ideale  biotoop voor die herhaling. De kamer maakt de herhaling, de herhaling maakt de kamer. Aanhoudende en volgehouden herhaling wordt ritueel. In en dankzij de herhaling, het ritueel vindt de vernieuwing plaats: vooral die van de gedachten. In de herhaling kan zich het wachten voltrekken - op de taal van de ideeën.

Ik geloof graag dat voor Valéry denken een vorm van kamermuziek was. Denken als een strijkkwartet: variëren op motieven, telkens schijnbaar een stapje verder zijn, maar  in wezen draaien om een afwezig middelpunt.

Denken als tekenen, denken als zingen, denken als kamermuziek maken: het  blijven wat machteloze beelden om het unieke van Valéry’s schrijven in zijn Cahiers te benoemen. Die Cahiers bevatten de dagelijkse, haast dwangmatig herhaalde openbaring van een bewustzijn. Het voortdurende verschijnen én bevestigen van  een ik - een soeverein ik.

 

(Een vraag die me blijft bezighouden: zou men met Valéry’s onderscheid tussen ‘sprekende’ en ‘zingende’ schilders ook onder de moderne en de hedendaagse schilders iets kunnen aanvangen? Een sluitende theorie of  een systeem heeft Valery er bij mijn weten niet aan verbonden. Hij zag het onderscheid als iets intuïtiefs. Een schilder  spreekt of zingt - dat ‘zie’ je onmiddellijk. Elk essay, elke beschouwing over een schilder is een rationalisering, een  ontrafeling, een ‘verantwoording’ van die allereerste, in wezen nauwelijks te verklaren ontmoeting. Na de modernen is er  veel tegen-gesproken en vals gezongen. Dat was/is de missie. Zou Valéry het nu nog weten? Neem Nicolas De Staël: die  zingt. Zijn beste werk moest, hoe geplamuurd ook, iets symfonisch hebben - het slavenkoor van het bestaan. En Jean  Fautrier, nog zo’n schilder die vooral lagen en korsten aanbracht: hij heeft geprobeerd de ‘innerlijke’ melodie’ van de dingen  te vatten. Maar wat met Hopper? En zijn verpletterende, onrustwekkende stilte. Hier lijkt noch spreken, noch  zingen aan de orde, alleen verstomming. En, recenter, Richter, Kiefer, Tuymans? Allemaal moeilijk te zeggen. Alsof het onderscheid irrelevant is geworden, alsof de schilderkunst gaande de twintigste eeuw steeds meer haar schouders ophaalt  voor zo’n onderscheid.)

© Bernard Dewulf in Deus 127  -  december 2008