Gisteren viel de Oostenrijks-joodse auteur Joseph Roth een kanjer van een hommage te beurt in Amsterdam. Het verslag van die wonderlijke avond is te lezen op de website van Knack.

In die zelfde Knack schreef Benno Barnard een paar jaar geleden een brief aan zijn grote voorbeeld Roth:

“Een dichter beweerde dat grote schrijvers na hun dood veranderen in hun bewonderaars. Misschien heb ik zo ontdekt wie ik werkelijk ben: een stukje van jou. In elk geval leef je voort bij mijn uitgeverij, Atlas, die al je romans en een keuze uit je journalistieke werk publiceert.

Het is onvermijdelijk dat ik hier op jouw stokpaard uitrijd: dat betreurde keizerrijk- koninkrijk van je. Ik ben ervan overtuigd dat Oostenrijk-Hongarije het eerder aan zijn omgangsvormen dan aan zijn leger te danken had dat het 1918 überhaupt haalde. Die omgangsvormen strekten zich dan ook tot de politiek uit. Ze hielden bijvoorbeeld in dat iedereen onderwijs kon genieten in zijn eigen taal, van het Sloveens tot het Jiddisch. Maar tegen wie zeg ik het.

Omgangsvormen, vormen tout court, zijn nu precies datgene wat mijn moeder had meegenomen uit haar verdwenen jeugd. Ik ben vanuit een modern perspectief zo verschrikkelijk ouderwets opgevoed! Ik erfde een levenswijze van haar, een kleine, handzame, praktische, alledaagse ethiek, zoals zij die weer had geërfd uit de negentiende eeuw. Daardoor sta ik veel dichter bij je dan de meeste van mijn tijdgenoten.”

Lees de brief op Knack.

Op Cobra bespreekt Dirk Leyman Roths masterpiece, Radetzkymars

Een beduimeld, enigszins schonkig mannetje. Het haar klissig tegen de schedel geplakt. Onfris ogend snorretje en uitpuilende ogen. Een fel gezwollen gezicht, stijf van de drank. Zo tonen de meeste foto’s ons de Oostenrijkse journalist en exilschrijver Joseph Roth (1894-1939). Desondanks wekken ze een unheimische sympathie op voor deze ongrijpbare zwerfkat, die verslaafd was aan het transitbestaan in hotels en zijn boeken schreef aan cafétafels over heel Europa, van Berlijn tot Wenen, Oostende, Amsterdam en Parijs. “Hij dronk in alle getijden uit dorst naar een eeuwige zomer”, zo dichtte Anton van Duinkerken, een van zijn Nederlandse vrienden, ooit. (Cobra

Een paar jaar geleden verscheen een goed gedocumenteerd essay op de The Austrailian over het Berlijn van de jaren 20′-30′, toen een ongeziene internationale artistieke bloei plaats vond in een economisch inferno.)

"Het was een fenomenaal jaar in Berlijn: Franz Kafka was een duistere figuur, lijdend aan tuberculose en verdiept in de Talmud, die een terugkeer naar Praag plande waar hij snel zou overlijden;  Vladimir Nabokov was er aangekomen als jonge student om zijn Russische familie geëmigreerd uit Londen te vervoegen;  Joseph Roth probeerde te overleven met krantencolumns (feuilletons genoemd) waarin hij het stadsleven beschreef. Hij beschreef het column-genre als ‘feitelijke waarheden zeggen op een halve pagina’.

In een scherpe brief uit 1926 aan een redacteur zette Roth zijn visie op de column uiteen:  “Ik schrijf geen ‘geestige columns’. Ik schilder het portret van de eeuw. Daar dienen kwaliteitskranten voor. Ik ben geen reporter, ik ben een journalist. Ik ben geen commentator, ik ben een dichter.”