foto interview 2Voorstelling Speliersnummer en boekvoorstelling ‘Als God in Frankrijk’ 27/02 16u in poëziecentrum.

Suites françaises (2001) sluit aan bij de ongepubliceerde bundel Als ik val wordt ik een Hongaarse vogel (1973). Allebei zijn het reisbundels en dus inherent enigszins beschrijvend en anekdotisch van aard. Met deze bundel wordt de ‘strenge’ periode van de dichter definitief afgesloten. De eigen, sterk formele poëzievisie waarin het anekdotische geheel in het verdomhoekje werd geplaatst, wordt definitief afgesloten. De dichter is milder geworden voor zichzelf, maar blijft ook zichzelf: uit de anekdote ontspringt heel vaak de metaforische band met de eigen schriftuur.

Fontaine de Vaucluse

Ik schrijf met zijn hand, brief, gedicht
en kijk met zijn blik in het middaglicht
naar het rotsmassief dat ons omringt.

Ik neem zijn pen en zijn heldere inkt
voor het sonnet, het ultieme Lauralied.
De blik wijkt af op rots en troglodiet
en zie, libellen blauwen op het wier.

Al verblijf ik elders, ik ben hier.
———

Rustrel

Vertel me welke god met welke moker
hier zijn weg hakt tussen rots en oker,
hij die in het blauwe hemelatelier
het blok gedeeld tot beeld veredelt.

Vorm na vorm viriel uit steen gekerfd
heb ik van die god de durf geërfd,
het oordeel van de mens opzij gezet.
Met metaforen hard en onbesmet.
———
 
Mont Majour

Als kraaien haperen aan de hoogte
en met de mistral huilen, schuilen
wij als monnik in een pij van steen –

en wij wachten, wachten op de warmte
en om te bidden zoeken wij de hitte
van Gods stem. Wij aanroepen Hem
in de kruisgang tussen plant en slang.

Arduin wordt adem. Adam stam.