foto interview 2

Voorstelling Speliersnummer en boekvoorstelling ‘Als God in Frankrijk’ 27/02 16u in poëziecentrum.

Het oog van Hölderlin ontstaat over een periode van ruim tien jaar, maar wordt pas in 1994 gepubliceerd. De bundel bestaat uit vijf vrij lange gedichten en sluit zo aan bij de eerste bundels die ook een aantal langere gedichten bevatten. Die gedichten zijn onderling behoorlijk verschillend. Zij wijzen tegelijk terug naar het formalisme waaruit hij zich langzaam aan het los maken is en vooruit naar een ietwat lossere vorm, zoals die in Bel-étage (1992) voor het eerst duidelijk gestalte krijgt. Die bundel vertrekt van een zeer concrete werkelijkheid: het opgeknapte oude huis in Oostende  waarnaar de dichter is verhuisd. De gedichten krijgen meestal concrete titels.

Uit ‘Logo revised’ (Het oog van Hölderlin)

De dag gaat nauwelijks open en toe
en toch kijkt zij haar modelkind na.
Het klaart nauwelijks op aan de kim,
zij ziet slechts een gordel van hagel.
            
Daarin verdwijnt het, richt het zich op
en tooit zich met verdwaalde veren.
Het wentelt zich in woorden, het wordt
door een dichterlijk begin overrompeld.
        
Hij staat er in zijn naakte staat,
een pen pal in zijn hand geklemd
terwijl hij van terrassen daalt,
de trappen bij elke trede telt.            
            
Hij, in de dagrest van de droom
zoekt zijn gading en vindt zijn gade,
zij vijlt de nagels voor de ingreep
in zijn bazig bezig zijnde vlees. 
 

Uit Bel-étage

Bel-étage

Honinghoge smaken, amandelspijs
en zoet om proeven de sukade –

tussen koffie en cognac richt de dag
zich in de dag rechtop en wil het jaar
uit het jaar getreden Nieuwjaar worden.

Pachelbel blijft tegen het plafond
in de fluweelklank van zijn canon
hangen. Voldaan is ons verlangen.
——–

Baadstertjes van biscuit

Haast niet te vatten door de hand
want van biscuit en hoogst fragiel

de beide baadstertjes nabij de vaas
van Frans kristal; ze lijken zusjes
zoals ze zedig met de rode mutsjes
hun lichaam steunen op de hiel,

bevraagtekende verhalen uit de dunne
kersenmondjes blazen. Anekdotisch schriel.
——–

Verleden

Ze zegt: Mozart is mooi en niet te geloven
hoe mooi de Mondschein is van Beethoven,

maar zij luistert niet. Alleen de luister
van de woorden beluistert ze en beluistert
het liefst zichzelf, van gedachten en dromen
een continuüm van klanken. Klankenstromen.

Antje en ikzelf waren haar vaag een vlaag
van lettergrepen, als stof zo neergezet.
Zij sprak geschiedenis, veertienachttien.

Op al wat later kwam, heeft ze niet gelet.
De decennia van daarna niet meer gezien.