Voorwoord


Laat mij de zaken duidelijk stellen: ik weet dat ik abnormaal ben, ik kom er vrankweg in het openbaar voor uit, en ik ben er zelfs een beetje fier over want ik beschouw het als een watermerk van mijn menselijke factuur. De buitenissigheid heeft mij, zowel bij anderen als bij mijzelf, altijd uitermate geboeid. Daarentegen heb ik een instinctieve afkeer van uniformiteit. De vertwijfeling zou mij koud om het hart slaan als een ‘zielkundige’ mij, na een diepgaand onderzoek, zou bestempelen als het prototype van een normaal, evenwichtig, ongecompliceerd en volkomen toerekenbaar man. Gesteld dat zulk utopisch mensentype leefbaar zou zijn, dan wil ik er, alleen al uit principiële bezwaren, niets mee te maken hebben. (Roger Van de Velde, Recht op antwoord)


Als Roger Van de Velde op dertig mei 1970 dood wordt aangetroffen in een brasserie in het Antwerpse statiekwartier, is hij amper twee maanden op vrije voeten. Als maagpatiënt raakt hij begin jaren zestig stevig verslaafd aan de krachtige opioïde pijnstiller Palfium, waarna hij door een mank justitieel apparaat en ‘pseudo-psychiatrisch kunst-en vliegwerk’ tussen 1962 en 1970 bijna onafgebroken achter de tralies verdwijnt.

De schrijver Van de Velde zal in de penitentiaire vergeetputten definitief opstaan. Maar tegen een morbide prijs. Nadat hij het manuscript van de verhalenbundel Galgenaas de gevangenis weet uit te smokkelen, zal hij vanuit de cel literair debuteren in 1965. Het schrijven wordt voor Van de Velde ‘een geestelijk houvast in een hallucinante wereld, waar elk woord zijn betekenis en zijn waarde scheen te verliezen’. Het groteske publicatieverbod dat hem na zijn debuut wordt opgelegd, zal hem de volgende jaren niet tegenhouden om de verhalenbundels De slaapkameren De knetterende schedels en het pamflet Recht op antwoord uit te geven. De satirische roman Tabula Rasa en de verhalenbundel Kaas met gaatjes zullen allebei postuum verschijnen. Terwijl hij in de cel zit, krijgen zijn bundels met korte verhalen lovende kritieken en voor De slaapkamer ontvangt hij een literaire prijs. De sobere stijl, de verfijnde taalbeheersing, het laconieke realisme en de trefzekere observatie van het menselijk tekort vallen op in zijn korte verhalen. Maar het wervelende pamflet Recht op antwoord doet het meeste stof opwaaien. Deze vlammende aanklacht waarin hij ‘de bedrieglijke façades in ons democratisch bestel’ ontmaskert, zal de hefboom worden voor zijn vrijlating begin april 1970. In mei krijgt hij er helemaal terecht de Arkprijs van het Vrije Woord voor. Drie weken later zal hij definitief zwijgen. Hij is amper vijfenveertig jaar en laat een vrouw en drie kinderen achter.

De korte verhalen van Roger Van de Velde horen bij de beste die in ons taalgebied geschreven zijn en daar verandert een halve eeuw niks aan. Daarom is het nu tijd, vindt Deus ex Machina, om mens en werk hulde te brengen met dit auteursnummer. Van de Veldes proza is dringend toe aan een nieuwe generatie lezers.

Van de Veldes proza is dringend toe aan een nieuwe generatie lezers.

In het inleidend essay blaast Jan Bettens het biografische stof van Roger Van de Velde en van zijn literaire oeuvre.

Van de schrijver zelf stellen we maar liefst drie originele bijdragen voor. ‘Posthuum postscriptum’ is een warm pleidooi voor het korte verhaal, dat kort na zijn dood zal verschijnen in het tijdschrift Avenue.

Op drieëntwintig januari 1965 schrijft Van de Velde vanuit zijn Turnhoutse cel een lange brief aan psychiater Robert Debandt, die als gerechtspsychiater en lid van de psychiatrische commissie mee oordeelt over zijn eventuele vrijlating op proef. Deze brief, opgenomen in dit nummer, is voor het eerst integraal te lezen.

Van de Velde was sinds 1947 ook en vooral een rasjournalist. Uit zijn rijke journalistieke carrière kiezen we ‘Pleidooi voor een “Zwart Manneke”’, een artikel dat al in 1959 verscheen in De Nieuwe Gazet maar dat ook anno 2020 nog veel zegt over de mens en journalist die Van de Velde was.

Daarnaast mag Deus ex Machina uitpakken met een voorpublicatie uit de biografie die Ellen Van Pelt schreef over Roger Van de Velde en die eind dit jaar verschijnt.

Jan Lampo haalt herinneringen op aan het ‘geval Roger’ en de link met zijn eigen vader, de schrijver Hubert Lampo.

Jan Daems, een echte psychiater, kruipt in de huid van de (fictieve?) Dr. Poulard, een zelfingenomen, hoogdravende zenuwarts op rust die een recht op antwoord claimt.

Verder in dit nummer vindt u nog gedichten van Annelies Mertens, Renaat Ramon en Herlinda Vekemans. Eindigen doen we met twee korte verhalen van Hanna Desmet en Yoeri Hostie.