VOORAF BIJ HET NIEUWE DEM-NR : HET ABSTRACTE SPEL

 

‘Het abstracte spel is als een meer, waarin een mug baden en een
olifant verdrinken kan.’ (vrij naar een Indiaas spreekwoord)

 

DEM_162_Cover_V2_-page-001‘Naar den vorm beschouwd kan men dus, samenvattende, het spel noemen een vrije handeling, die als “niet gemeend” en buiten het gewone leven staande bewust is, die niettemin den speler geheel in beslag kan nemen, waaraan geen direct materieel belang verbonden is, of nut verworven wordt, die zich binnen een opzettelijk bepaalde tijd en ruimte voltrekt, die naar bepaalde regels ordelijk verloopt, en gemeenschapsverbanden in het leven roept, die zich gaarne met geheim omringen of door vermomming
als anders dan de gewone wereld accentueeren.’ Zo omschrijft de Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) het spel in Homo ludens: proeve eener bepaling van het spelelement der cultuur (1938).

De voornaamste verdienste van Huizinga was dat hij tegenover de ‘homo sapiens’ en de ‘homo faber’ de ‘homo ludens’ of ‘spelende mens’ positioneerde. Het spel ligt, volgens Huizinga, aan de basis van taal, kunst en cultuur. Meer nog: het is een noodzakelijke voorwaarde voor het scheppen van cultuur. Dit probeerde hij in al zijn imposante eruditie en belezenheid te bewijzen aan de hand van zeer diverse voorbeelden – gaande van sportwedstrijden uit de Griekse oudheid en Indische raadseltoernooien tot trommelduels bij de eskimo’s. Homo Ludens is echter meer dan een louter descriptieve beschrijving van het spelelement in de cultuur: het is ook een aanklacht tegen een materialistische en hedonistische samenleving die het ‘ludieke’
hoe langer hoe meer uit het oog had verloren en zich – in de slipstream van Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes – richting afgrond begaf. ‘De moderne cultuur wordt nauwelijks meer gespeeld’, aldus Huizinga in het laatste hoofdstuk van Homo ludens, ‘en waar zij schijnt te spelen, is het spel valsch.’ Met Homo ludens ontpopte de auteur van het gelauwerde Herfsttij der Middeleeuwen (1919) zich tot volbloed cultuurpessimist die zijn toenmalige tijdsgenoten een spiegel voorhield. En dat spiegelbeeld zag er allesbehalve mooi uit.

Over Huizinga’s Homo ludens valt veel te zeggen. Over het belang van ascese en inkeer die hij als remedie zag tegen de ondergang van onze cultuur, bijvoorbeeld; of over het reactionaire, conservatieve karakter van zijn tekst. Feit is evenwel dat Huizinga laat zien dat spel en cultuur onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, dat het spel de grenzen van het sportveld of speelbord moeiteloos overstijgt en dat het zoveel meer is dan, nou ja, een spel.

Dit themanummer gaat niet over Huizinga of over zijn in Homo ludens ontwikkelde (en zeer ruim opgevatte) spelbegrip. Gecharmeerd door Kris Burms hartstochtelijk pleidooi in zijn manifest De juiste zet, kozen wij voor het ‘abstracte spel’. Zonder vooruit te lopen op wat komen gaat, zouden we het abstracte spel kunnen definiëren als een spel zonder thema voor twee spelers waarbij beide over alle informatie beschikken en de geluksfactor is uitgeschakeld. Of, zoals het in het Engels heet, ‘the abstract perfect information game for two players’. Het schaakspel is het bekendste abstracte spel. Daarnaast heb je andere klassieke abstracte spellen zoals dammen, go en othello, en ook nu nog worden er abstracte spellen ontwikkeld. Dat vooral die laatste zich tegenwoordig moeilijk staande kunnen houden tegenover de zoveel blitsere, hippere en lucratievere computergames en themaspellen, is een understatement.

Deze DEM mag je gerust als een apologie van het abstracte lezen. Een heroïsche, in dit tijdperk niet te winnen strijd die daarom juist toch moet gestreden worden. Een beetje vergelijkbaar als het ware met de positie waarin de letteren zich tegenwoordig bevinden.

Huizinga indachtig, hebben we ervoor gekozen om het abstracte spel zo breed mogelijk te benaderen. Zo wordt er behalve op het onvermijdelijke schaakspel ook gefocust op het Japanse go en het Afrikaanse mancala. Tegelijkertijd hebben we er bewust voor gekozen om het grensgebied van wetenschap, kunst en literatuur op te zoeken en te verkennen. Daarom vindt u in dit themanummer naast literair werk van onder meer Stefan Zweig, Yasunari Kawabata en Derek Walcott bijdragen van een mathematicus, een wetenschapsjournalist, een japanologe, een antropoloog, een socioloog, een filosoof en, last but not least, spelontwerpers zelf. En net zoals bij Huizinga is ook hier, meer dan we aanvankelijk hadden vermoed, cultuurkritiek nooit veraf.

Los van het centrale thema speelt Gaea Schoeters met de literaire traditie. In ons vorige nummer over ‘verboden boeken’ kroop zij in de huid van sovjetdichter Vladimir Majakovski. Omdat haar tekst zó goed was en omdat het om het eerste deel van een drieluik bleek te gaan, vroegen wij haar om ook de andere delen uit te schrijven. In het tweede deel laat ze markies de Sade een brief schrijven aan E.L. James, succesauteur van o.a. Fifty Shades of Grey.

Verder vindt u in dit nummer gedichten van Sander Buesink, Nikki Dekker en Bob Vanden Broeck, terwijl Lies Gallez met haar aanstekelijk kortverhaal ‘De voortuin van mijn grootmoeder’ deze DEM afsluit.

De redactie