christian-kracht1In het decadentienummer van Deus Ex Machina is een kortverhaal opgenomen van de Zwitserse schrijver Christian Kracht, in een vertaling van Wim Michiel. Kracht is vooral bekend door zijn roman 'Imperium'.  Imperium verscheen in 2012 bij Kiepenheuer& Witsch; één jaar later kwam de Taschenbuch-uitgave uit bij Fischer. Eind november verscheen bij Uitgeverij Leesmagazijn de Nederlandse versie, in een vertaling van Ard Posthuma. "Een uitstekende vertaling overigens" zegt Wim Michiel daarover, "alleen spijtig dat de oorspronkelijke, aan de stripverhalen van Kuifje refererende cover van de oorspronkelijke K&W-uitgave niet werd overgenomen." Lees hieronder zijn bespreking.

 

‘Ironie aber ist immer Ironie nach beiden Seiten hin.’
(Thomas Mann, Betrachtungen eines Unpolitischen)

Wie zich graag ergert, moet beslist Tristesse Royale (1999) lezen. In opdracht van Ullstein Verlag trokken vijf jonge schrijvers – allen in maatpak en met het champagneglas in de hand – zich drie dagen lang terug in Hotel Adlon, vlakbij de Brandenburger Tor. Bedoeling was dat Eckhart Nickel, Alexander von Schönburg, Benjamin von Stuckrad-Barre, Christian Kracht en Joachim Bessing, aan het einde van het tweede millennium, een soort ‘Sittenbild’ van hun generatie zouden ontwerpen. Hun gesprekken, opgetekend door Joachim Bessing, gaan over uiteenlopende onderwerpen als merkartikelen, ouder worden, uitgaan, lifestyle, zelfenscenering, muziek, voetbal en de val van de Berlijnse Muur. Ik weet niet welke uitspraak van het zogenaamde ‘popkulturelle Quintett’ het meeste irriteert, maar mij is volgende uitspraak van Christian Kracht altijd bijgebleven: ‘Die Physiognomien dieser Menschen sind so verkommen – den Kassierern im Supermarkt fallen einfach so die Zähne aus, bei der Arbeit an der Kasse.’ Kracht windt zich op over de lelijkheid van kassiersters in Berlijnse supermarkten. Vervolgens probeert hij uit te leggen waarom ‘die Menschen hier so aussehen, wie sie leider aussehen’. Dat armoede - sinds de Duitse mutualiteiten tandprotheses niet langer terugbetalen - meer dan ooit herkenbaar is aan de staat van het gebit, lijkt Kracht in zijn al dan niet gespeelde onwetendheid blijkbaar te ontgaan. Telkens wanneer ik in Berlijn aan de kassa van een supermarkt aanschuif en de kassières zie, moet ik denken aan wat Kracht tegenover zijn maatjes over hen wist te vertellen.

Kalashnikow

Christian Kracht is een buitenbeentje in de hedendaagse Duitstalige literatuur. Hij is rijk, zeer rijk zelfs (zijn vader was de rechterhand van de rechts-conservatieve uitgever Axel Springer), dandy met babyface, wereldreiziger, een kameleon met hoge irritatiefactor ook die naar het schijnt zelfs voor zijn beste vrienden ongrijpbaar is. Kracht provoceert graag; de schandaaltjes en polemiekjes waarin hij betrokken was zijn al lang niet meer op één hand te tellen. Een kleine bloemlezing: zijn eerbetoon aan Mullah Omar (slechts enkele weken na 9/11), zijn Noord-Koreaboek Die Totale Erinnerung met Kim Jong Il als kunstenaar-dictator in de hoofdrol, zijn oproep in 2008 om de Falklandeilanden te bevrijden (Kracht woonde toen in Buenos Aires), de problemen met de autoriteiten in Singapore na het verschijnen van zijn heerlijk kritische reisreportage met de veelzeggende titel: ‘Disneyland mit Prügelstrafe’ (Disneyland met lijfstraf). Op de achterflap van de door hemzelf samengestelde verhalenbundel Mesopotamia liet hij zich dan weer portretteren met een kalashnikow. Dit alles stelt evenwel weinig voor in vergelijking met de storm waarin Kracht terechtkwam na een bijzonder kritische recensie van zijn meest recente roman Imperium in Der Spiegel, waarin hij o.a. van racisme, antisemitisme en fascisme werd beschuldigd.

Voor alle duidelijkheid: ik lees de boeken van Kracht graag en, ondanks zijn bij momenten dubieuze opvattingen en uitspraken, vind ik hem een interessantere auteur dan pakweg Daniel Kehlmann, Julie Zeh of Elfriede Jelinek. Zijn debuutroman Faserland (1995), 1979 (2001), zijn reisreportages (o.a. gebundeld in Der gelbe Bleistift) en het fotoboek Die totale Erinnerung (2007) durf ik – die laatste weliswaar met mondjesmaat - aan iedereen aanbevelen. Kracht heeft ook heel wat minder geslaagd werk gepubliceerd: zijn derde roman Ich werde hier sein im Sonnenschein und im Schatten (2008), zijn toneelwerk en enkele bijwijlen naar esoterie neigende werken als Metan (2007) vind ik maar niks. Eerlijk gezegd had ik de indruk dat Kracht – zeker als romanschrijver – in een doodlopend straatje was terechtgekomen. Met Imperium (2012) vindt Kracht zichzelf als romancier echter opnieuw uit. Meer zelfs: Imperium behoort tot de beste Duitstalige romans van de laatste jaren.

August Engelhardt

August Engelhardt

Met Imperium neemt Kracht ons mee naar een nog tamelijk onontgonnen domein in de Duitse geschiedenis: de Duitse koloniën tijdens het Tweede Keizerrijk. Door de late eenmaking in 1870 moest Duitsland zich in tegenstelling tot Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk tevreden stellen met enkele kruimels. In Afrika was het Duitsland van Kaiser Wilhelm nogal actief (men leze bijvoorbeeld Uwe Timms voortreffelijke Morenga (1978)), maar ook in de Stille Zuidzee wisten de Duitsers enkele godvergeten eilanden te bemachtigen. Naar een van die eilanden trekt August Engelhardt, een apotheker uit Nürnberg die genoeg heeft van zijn hectische bestaan in Europa. Kracht: ‘Aan boord van de Prinz Waldemar bevond zich dus de jonge August Engelhardt uit Neurenberg, baarddrager, vegetariër, nudist. Hij had enige tijd geleden een boek gepubliceerd met de nogal dweperige titel Eine sorgenfreie Zukunft en was nu op reis naar Nieuw-Pommeren om er land te kopen voor een kokosplantage, hoeveel en waar precies wist hij nog niet.’ Eenmaal aangekomen verwerft deze Aussteiger het eiland Kabakon en neemt zich voor enkel van kokosnoten te leven, die hij als ‘het plantaardige evenbeeld van God’ beschouwt; de kokosnoot is voor hem als het ware een ‘theosofische graal’. Tegelijkertijd heeft deze kokivoor de ambitie zijn levensvisie te delen met lotgenoten en als een soort sekteleider trekt hij volgelingen van diverse pluimage aan. Engelhardt zou echt bestaan hebben; de laatste jaren werd hij herontdekt en ontstond er zelfs een bescheiden Engelhardt-revival met naast Krachts roman ook de één jaar eerder verschenen roman Das Paradies des August Engelhardt van Marc Buhl en de ZDF-serie Das Reich der Deutschen van Guido Knopp. Kracht zou evenwel zichzelf niet zijn mocht hij dit materiaal niet op zijn eigen onnavolgbare wijze naar zijn hand zetten.

Coca-Cola en hotdog

Imperium is onderverdeeld in drie grote hoofdstukken die, afgezien van de talrijke flashbacks en flashforwards, respectievelijk de reis naar de Zuidzee en de aankoop van het eiland, de belevenissen van Engelhardt en zijn volgelingen en, in het laatste deel, de onvermijdelijke ondergang van de aan lepra lijdende, kannibalistische, racistische en antisemitische onzin uitkramende wereldverbeteraar beschrijven. De historische Engelhardt zou in 1919 overlijden; Kracht laat hem nog een dertigtal jaar langer leven. Op het einde van de roman zijn we in 1945 aanbeland en wordt onze ascetische held, of ‘unser Sorgenkind’ zoals de verteller hem ondertussen noemt, door Amerikaanse soldaten uit zijn hol (waar hij na zijn Kabakon-avontuur is terechtgekomen) bevrijd en vervolgens opgelapt met Coca-Cola en hotdog. De roman eindigt met de verfilming van Engelhardts leven. We zijn precies daar waar het boek destijds begon: op de boot die hem naar zijn kokosparadijs moet brengen.

Anders dan in zijn drie vorige romans die telkens vanuit het ik-perspectief werden geschreven, kiest Kracht deze keer voor een alwetende, typisch negentiende-eeuwse verteller. Ook de eenvoudige, toegankelijke, ietwat minimalistische stijl van zijn eerste werken maakt plaats voor complexe, vaak erg lange en naar alle kanten uitwaaierende volzinnen, doorspekt van ironie, Wagneriaanse leidmotieven en verwijzingen naar zowel ‘hoge’ als ‘lage’ literatuur. Vooral Krachts gebruik van ironie is opmerkelijk. Ironie als heitere Ambiguität, om Thomas Mann te citeren; ironie als een vorm van meerduidigheid, een principe dat Kracht zowel in zijn werk als in zijn leven extreem doorvoert. Kracht trekt een ironisch mistgordijn op - met alle gevolgen van dien. Maar daarover later meer.

Cameo

Met Thomas Mann is het toverwoord gevallen om toegang te krijgen tot het wonderlijke universum van Krachts Imperium. De geest van Thomas Mann is alomtegenwoordig. In Krachts gebruik van ironie en de alwetende verteller, in schijnbaar onbeduidende details ook. Zo begint Imperium, zoals gezegd, op de stoomboot die Engelhardt naar de Zuidzee brengt. Op het dek wordt Porterbier gedronken; hetzelfde bier dat ook in Der Zauberberg werd geschonken. Verder bedient Kracht zich van hetzelfde trucje dat Mann hanteert in Der Zauberberg en, meer nog, in Doktor Faustus: aan de hand van één personage schetst hij een beeld van heel Duitsland. Net zoals Adrian Leverkühn in Thomas Manns meesterwerk, is Engelhardt pars pro toto voor Duitsland. Wat met Duitsland tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw gebeurde, wordt exemplarisch getoond aan de hand van de opkomst, het succes en uiteindelijk het lichamelijke en geestelijke verval van Engelhardt; de ziekte van het hoofdpersonage als metafoor voor de ondergang van het Tweede en het Derde Rijk. Het zijn overigens niet toevallig Amerikaanse GI’s die op het einde van de roman Engelhardt uit zijn isolement halen en hem er terug bovenop helpen. Thomas Mann duikt ook verrassend als cameo op in Imperium. Tijdens een flashback zien we Engelhardt naakt over het strand in het huidige Litouwen lopen. Mann, die aan de Kurische Nehrung zijn buitenverblijf had, merkt Engelhardt verschrikt op en is er onrechtstreeks verantwoordelijk voor dat deze laatste enige tijd later in elkaar wordt geslagen. Ook Hermann Hesse en Franz Kafka mogen van Kracht opdraven. Kafka krijgt tijdens een bezoek aan Helgoland zowaar een tong van een latere, homoseksuele Engelhardt-fan in zijn oor gedraaid. Naast Kafka, Hesse en vooral Mann wordt in Imperium onder meer verwezen naar de avonturenromans van Joseph Conrad, Robert Louis Stevenson en Jack London, naar Hugo Pratts Ballade van de Zilte Zee (1967), Kuifje, Joris-Karl Huysmans, Dickens’ Great Expectations en speelt Kracht met de conventies van de achttiende-eeuwse sentimentele roman.

Mann, Hesse en Kafka worden niet letterlijk vernoemd in Imperium. In het allereerste hoofdstuk wordt nog aan een andere ‘kunstenaar’ gerefereerd. Ik citeer de hele paragraaf omdat deze met het oog op wat komen gaat zo belangrijk is: ‘Welnu, ook de kroniek die we hier laten ontstaan valt in deze tijd, en om die te kunnen schrijven moeten we ook de toekomst in het oog houden, want dit verslag speelt aan het prille begin van de twintigste eeuw, die er nog tot bijna de helft van zijn looptijd zo uitzag alsof het de eeuw van de Duitsers zou worden, de eeuw waarin Duitsland de
hem rechtens toekomende ereplek als voorzitter van de globale tafelronde zou innemen en waarvan het, wederom vanuit het perspectief van die nog slechts enkele mensenjaren oude nieuwe eeuw, ook alle schijn had. Zo zal hier plaatsvervangend de geschiedenis van één enkele Duitser worden verhaald, van een romanticus die zoals zo velen van zijn soort een mislukte kunstenaar was. En als zich daarbij soms parallellen opdringen met een latere Duitse romanticus en vegetariër, die er misschien maar beter aan gedaan had bij zijn schildersezel te blijven, dan is dat ook precies de bedoeling en, pardonnez le mot, in een notendop ook coherent. Alleen is de laatstgenoemde op dit moment nog een puisterige, tegendraadse puber, die van zijn vader de ene draai om zijn oren na de andere incasseert. Maar wacht maar, hij groeit en groeit.’ Juist, de verteller heeft het en passant over Adolf Hitler. Bovenstaande paragraaf is niet alleen een mooi voorbeeld van de manier waarop Kracht ironie hanteert, het toont ook hoe zijn ironische Spielereien de deur wagenwijd kunnen openzetten voor een reactionaire, (extreem)rechtse lezing van Imperium. En zo’n reactionaire lezing is bijlange niet vergezocht. Sta me even toe advocaat van de duivel te spelen: door Engelhardt en zijn geestesgenoot Hitler als wereldverzakers met elkaar te vergelijken, suggereert de verteller dat het met Hitler ook anders had kunnen gaan. Ook hij had misschien net zoals Engelhardt in zijn blote kont op een eiland in de Stille Zuidzee kunnen rondlopen. Hitler was in de eerste plaats een romantische ziel die reageerde tegen een onttoverde wereld, die geregeerd wordt door een kapitalistisch ‘imperium’ dat vooral op geld is gefocust. Engelhardt wordt op het einde van de roman niet voor niets door Amerikaanse soldaten ‘bevrijd’. Wanneer de twintigste eeuw uiteindelijk één wereldrijk heeft voortgebracht, dan moet dat wel het Amerikaanse kapitalistische model zijn. En het is dit Anglo-Amerikaanse, nieuwe Rome dat het romantische wereldbeeld van Engelhardt heeft opgepeuzeld en ook Duitsland heeft geïnfecteerd. In een recensie, gepubliceerd op 23 februari 2012 in Die Zeit, heeft Thomas Assheuer het over hoe Kracht ‘de ironie ironisch laat worden’, hoe de ironie zichzelf opheft of, om in de taal van de roman te blijven, zichzelf ‘kannibaliseert’.

Assheuers opmerking over Krachts gebruik van ironie is onder meer een reactie op een nu al legendarische recensie in Der Spiegel (‘Die Methode Kracht’, 13/2/2012) waarin Georg Diez tien dagen eerder brandhout van Krachts nieuwe roman had gemaakt. Het einde van zijn recensie gaat als volgt: ‘Wat wil dus Christian Kracht? Hij opent, eenvoudigweg, de deur voor een rechts gedachtengoed. Aan zijn voorbeeld kan men zien hoe een antimodern, antidemocratisch, totalitair denken mainstream wordt.’ Diezelfde dag nog volgde een officiële reactie van uitgeverij Kiepenheuer & Witsch waarin de tekst van Diez krachtdadig veroordeeld werd; vier dagen later verscheen (op de website van K&W) een korte, open brief aan de toenmalige hoofdredacteur van Der Spiegel Georg Mascolo, waarin zeventien schrijvende collega’s het onvoorwaardelijk opnamen voor Kracht. De brief werd o.a. ondertekend door Daniel Kehlmann, Elfriede Jelinek, Peter Stamm, Feridun Zaimoglu en Katja Lange-Müller. Kracht was, opnieuw, hot news en elke feuilletonist liet zijn licht over de zaak schijnen. Hoewel Kracht er aanvankelijk niet goed van was, heeft de zaak hem achteraf bekeken niet geschaad. Kracht (die tot dan toe geen literaire prijs van enige betekenis had gewonnen) kreeg eind 2012 zelfs de Wilhelm Raabe-prijs. Het is vooral Diez die er van zijn collega’s van langs kreeg (het is opvallend hoe bepaalde collega-recensenten er een duivels genoegen in schepten Diez keihard onderuit te halen). De voornaamste verwijten aan Diez waren dat deze laatste de fout maakte om uitspraken en opinies van de alwetende verteller in Imperium aan Kracht zelf toe te schrijven en dat hij er het (in het Engels gepubliceerde) emailverkeer van Kracht met David Woodard bij sleurde. Het eerste verwijt is zeker terecht, maar Diez heeft anderzijds wel de verdienste de aandacht te hebben gevestigd op de briefwisseling van Kracht en Woodard.

Josef Mengele

David Woodard is een Amerikaanse zakenman/componist/kunstenaar/universiteitsprofessor die beroemd werd met het nabouwen van Burroughs’ dreamachines. (Als hoofdredacteur van zijn tijdschrift Der Freund had Kracht Woodard in 2004 gecontacteerd om hierover een artikel te schrijven). Diezelfde Woodard schreef in 1998 ook een ‘prequiem’ voor Timothy McVeigh, de beruchte, extreemrechtse terrorist die in de zogenaamde Oklahoma City Bombing bijna 170 mensen de dood injoeg. Als gemeenteraadslid van het Californische stadje Juniper Hill streefde Woodard er verder naar om een partnership op te zetten met Nueva Germania, de Duitse kolonie in Paraguay die eind negentiende eeuw door Nietzsches schoonbroer Bernhard Förster werd gesticht. De Zuid-Amerikaanse jungle was, aldus de rabiate antisemiet Förster en zijn vrouw Elisabeth Nietzsche, de ideale plaats om – ver verwijderd van elke joodse invloed - de superioriteit van het Arische ras in de praktijk te brengen. Na de Tweede Wereldoorlog zouden verschillende nazi misdadigers (waaronder Auschwitz-kamparts Josef Mengele) in Nueva Germania een toevluchtsoord hebben gevonden. Toen men in Juniper Hill merkte dat geld in verkeerde – lees: extreemrechtse – handen terechtkwam, werd het partnerschap teruggeschroefd. Woodard bleef zich echter inzetten voor Nueva Germania en vatte o.a. het plan op om een (weliswaar kleinere) versie van het Bayreuther Festspielhaus na te bouwen, de Yerba-Mate-thee van Elisabeth Förster-Nietzsche te commercialiseren en enkele dreamachines te construeren, nota bene in de buurt waar Doktor Mengele zou hebben verbleven. Met deze David Woodard dus blijkt Kracht het goed te kunnen vinden; in die mate zelfs dat ze samen naar Paraguay zijn afgereisd en er bovendien een briefwisseling van een duizendtal mails op na hielden. Deze werden onder de titel Five Years gebundeld en uitgegeven door Wetterhahn, een aan de universiteit van Hannover gelieerde, wetenschappelijke uitgeverij.

In het voorwoord van Five Years schrijven uitgevers Johannes Birgfeld en Claude Conter (of is het Kracht die hun pen vasthoudt?) - overigens nogal voorspelbaar voor wie met het werk van Kracht vertrouwd is - dat de briefwisseling ‘geen waarheden bevat’ en ‘als document hol’ is. Verder hebben ze het over een ’enigmatisch’, ‘meerduidig werk’ dat voor de lezer (bij verschijnen in boekvorm) ‘fictie’ wordt. Als Kracht-lezer van het eerste uur ben ik er bijna zeker van dat Kracht niet extreemrechts is (wat Woodard betreft ben ik na de lectuur van het ‘meerduidige’ Five Years én na enig speurwerk op het internet heel wat minder zeker). Toch is Five Years het meest verontrustende boek van Kracht dat ik ooit heb gelezen. Veel meer nog dan Die totale Erinnerung, waarin hij de artificiële schoonheid van het Noord-Korea van Kim Jong Il bezingt, tast meester-provocateur Christian Kracht in Five Years de grenzen van het aanvaardbare af. De manier waarop Woodard, bijvoorbeeld, te pas en te onpas Josef Mengele (‘Joe’) vernoemt is gewoon akelig. Imperium is een schitterende roman, het beste dat ik tot nog toe van Christian Kracht gelezen heb én, zoals ik eerder heb geschreven, één van de beste Duitstalige, literaire teksten van de afgelopen jaren überhaupt. Maar Kracht moet niet beginnen janken wanneer iemand zoals Georg Diez hem er na de lectuur van Five Years van beschuldigt een extreemrechts gedachtengoed aan te hangen. Irony is over.

©Wim Michiel

Noot

imperium leesmagazijnUitgeverij Leesmagazijn bracht en brengt ook vertalingen uit van Kracht-gerelateerde auteurs als Joachim Bessing, Moritz von Uslar en Rafael Horzon. Het eerste deel van de briefwisseling tussen Christian Kracht en David Woodard verscheen in 2011 bij Wehrhahn Verlag met als titel Five Years. Briefwechsel 2004-2009. Band 1: 2004-2007. In het uitstekende Christian Kracht trifft Wilhelm Raabe. Die Diskussion um ‘Imperium’ und der Wilhelm Raabe-Literaturpreis 2012 (herausgegeben von Hubert Winkels, Suhrkamp 2013) wordt de hele polemiek rond Imperium uit de doeken gedaan, aan de hand van recensies, essays en andere teksten van onder meer Georg Diez, Helge Malchow, Iris Radisch, Thomas Assheuer en Jan Süselbeck. Tristesse Royale. Das popkulturelle Quintett verscheen in 1999 bij Ullstein. Het citaat ‘Irony is over’, tenslotte, is het motto bij de door Kracht samengestelde verhalenbundel Mesopotamia (DVA 1999), met verhalen van o.a. Moritz von Uslar, Rainald Goetz, Andreas Neumeister, Benjamin von Stuckrad-Barres en Kracht zelf.