Bommen en woorden – Kila van der Starre

‘Bommen en woorden’
Aantekeningen bij elf poëtica’s

Door Kila van der Starre

 

Cover - Sven Staelens shorrortLange tijd dacht ik geëngageerde poëzie te kunnen onderscheiden van niet-geëngageerde poëzie. Gedichten die protesteerden tegen de Vietnamoorlog, poëzie die hedendaagse politieke wanorde aan de kaak stelt en ecokritische gedichten plaatste ik tegenover liefdesgedichten, anekdotische poëzie en existentiële mijmeringen over het ik. Ik was zelfs twee circuits gaan onderscheiden die de twee soorten poëzie vertegenwoordigen in het poëzielandschap van de Lage Landen; het Belgisch en het Nederlands poetry slamcircuit. Tijdens de finale van het Belgisch Kampioenschap Poetry Slam 2015 in Brussel werden bijvoorbeeld overwegend gedichten ten gehore gebracht over racisme, armoede, terrorisme en milieu. Terwijl eerder dit jaar, op de finale van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam, de terugkerende thema’s liefde, verdriet, verveling, eenzaamheid en seks waren.

*

Tijdens het lezen van de elf poëtica’s in dit nummer dacht ik meermaals aan dit onderscheid; het kwam telkens meer op losse schroeven te staan. Er doemde een tussenvorm op. Een soort poëzie die betrokken is bij de wereld en de ander, maar engagement toont door zich te richten op het ik.

*

Obe Alkema is volgens zijn poëtica ‘niet alleen op zoek naar betrokkenheid, maar ook naar zichzelf.’ Die woorden vatten de teksten in dit nummer goed samen: de dichters zijn op zoek naar een relatie met de wereld (Çaglar Köseoglu beschrijft zijn gedichten als ‘[p]ogingen/manieren om te hechten aan de wereld’) en ondernemen deze zoektocht door te reflecteren op zichzelf (Dominique De Groen ziet haar gedichten ‘als kleine virtuele mini-versies van mezelf’). De poëzie van deze dichters kunnen we daarom met Alkema’s woorden ‘persoonlijk engagement’ noemen. Maar hoe gaan betrokkenheid en een focus op het ik samen?

*

De dichters in dit nummer erkennen dat hun poëzie vooral over henzelf gaat. De teksten van Robin Ramael gaan over de dingen waar Robin Ramael zich mee bezighoudt, de poëzie van Obe Alkema gaat voornamelijk over Obe Alkema, de gedichten van Jürgen Smit gaan enkel over onderwerpen die in het verlengde van hemzelf liggen, Frank Keizer schrijft over zijn ervaringen en emoties, Charlotte Van den Broeck ziet in het beschrijven van haar gevoelens de essentie van poëzie, Dominique De Groen schrijft overwegend vanuit het ik en Maarten van de Graaff gebruikt het ik om zijn gedichten te structureren.

*

Het ik dat de dichters opvoeren is echter, waarschuwen ze, een performatief ik; een masker, een constructie, een zelf dat ontstaat door en in de poëzie. Het is niet stabiel, het is geen geheel en het gaat niet vooraf aan het gedicht. Maar het lijkt wel veel op andere versies van het ik; dezelfde eigennaam, dezelfde biografische informatie als de dichters in blogs, op Facebook en in interviews verspreiden. Maakt dat de poëzie persoonlijk?

*

‘[H]et leven is niet persoonlijk’, schrijft Maarten van der Graaff die Chris Kraus citeert die Deleuze citeert. ‘Ik geloof dat alleen het echt persoonlijke in de buurt komt van het universele’, schrijft Maartje Smits. De auteur die spreekt is ‘gedepersonaliseerd’, schrijft Mathijs Tratsaert. Het wordt pas interessant als ‘het persoonlijke politiek’ wordt, stelt Frank Keizer.

*

Hoe verhoudt het ik zich tot de wereld? Charlotte Van den Broeck haalt Friedrich Schillers onderscheid aan tussen de dichter die datgene wat buiten zichzelf ligt beschrijft, zonder te reflecteren, en de dichter die vanuit zichzelf de wereld beschrijft, met oog voor het spanningsveld tussen het ik en die wereld. Het is een onderscheid dat – ondanks het romantische karakter – van toepassing is op de poëtica’s in dit nummer. Een onkritische, niet-reflecterende kijk op de werkelijkheid wordt door de dichters afgewezen. Het persoonlijk engagement daarentegen sluit aan bij Schillers tweede categorie. Er is een continue wisselwerking tussen de wereld en het subject.

*

Moet poëzie over de actualiteit gaan om geëngageerd te zijn? Het ligt eraan hoe je ‘actualiteit’ definieert. Frank Keizer verstaat onder die term ‘wat er op dit moment gebeurt met onze levens en lichamen’. Onze levens zijn volgens deze dichters gedigitaliseerd, geïnfecteerd en openbaar en onze lichamen zijn artificiële, schrijvende data-termini, vol kapitaal en aan verandering onderhevig. Maar hoe het zit het met de levens en lichamen van anderen, buiten deze groep? Blijkbaar is het niet aan deze dichters om daarover te schrijven (zoals het volgens velen niet aan Kenneth Goldsmith was om over het leven en lichaam van Michael Brown te spreken).

*

Om welke levens en lichamen gaat het dan wel? Dominique De Groen stelt dat een gedicht, net als een selfie, de maker positioneert als lid van een gemeenschap. Zo’n gemeenschap is hetgeen waar Frank Keizer naar verlangt. ‘Magazines are societies’ is de slogan van Samplekanon, opgericht door onder anderen Maarten van der Graaff en Frank Keizer. Maar om welke gemeenschap of society gaat het precies? Die van de Lage Landen? Van de wereld? Van de literaire wereld? Van de lezers?

*

De manier waarop Obe Alkema zich tot persoonlijk engagement keerde is veelzeggend: enerzijds ‘door zelfonderzoek’ en anderzijds ‘door ontmoetingen met verscheidene dichters die zich met gelijke zaken bezighouden’. Het gaat deze dichters om reflectie op het ik en op het delen van de resultaten van die reflectie met anderen die reflecteren. De gemeenschap bestaat uit andere dichters. ‘IK = ONS WERK’, zoals Maarten van der Graaff het stelt. Maar is die gemeenschap niet te beperkt om goed te kunnen reflecteren? Om geëngageerd te zijn?

*

Wie zijn de leden van deze gemeenschap? Ik bedoel van de mini-gemeenschap tussen de kaften van dit tijdschrift. De dichters en curatoren bestaan uit zes inwoners van België en acht van Nederland; drie vrouwen en elf mannen; zes dichters zonder debuutbundel en acht met. Als Frank Keizer gelijk heeft dat ‘het tijd wordt voor blanke mannen om hun mond te houden en te luisteren naar wat vrouwen, mensen van kleur, queers te zeggen hebben’, dan moeten we blijkbaar nog even wachten.

*

Aan welke vereisten moet je voldoen om tot de gemeenschap te (mogen) behoren? In de inleiding wordt aangekondigd dat het in dit nummer gaat om ‘de nieuwe generatie’ en ‘de aanstormende generatie’. Maar blijkbaar ben je ook nieuw en aanstormend als je een 36-jarige debutant bent, een 43-jarige slammer en blogger, of een 44-jarige dichter met een C. Buddingh’-prijsnominatie uit 2009.

*

Wat als? Wat als er andere curatoren waren benoemd? Bijvoorbeeld niet twee uit hetzelfde dichterscollectief? Wat als er andere dichters waren gevraagd? Wat als niet ‘persoonlijk engagement’ maar ‘persoonlijke verwondering’ het sleutelbegrip was geweest van de poëtica’s? Wat had er dan in de inleiding gestaan?

*

Ik maak deel uit van de gemeenschap van de dichters en curatoren in dit nummer. Met één ben ik naar Tricht gereisd. Van één lees ik blogposts. Eén heb ik ontvriend op Facebook. Van één heb ik een kunstwerk gekocht. Met één heb ik twee nachten een hotelkamer gedeeld. Met één heb ik twee masteropleidingen gevolgd. Eén heb ik nooit ontmoet. Eén heb ik getipt bij een uitgeverij. Met één heb ik gedanst op het Gedichtenbal. Met één heb ik bier gedronken in Amsterdam. Met één heb ik pizza gegeten in Brussel. Met één heb ik wijn gedronken in Gent. Eén heb ik getipt bij een online tijdschrift. Eén loopt geregeld langs mijn kantoor. Maakt dat mij geschikt of ongeschikt om over hun keuzes en poëtica’s te schrijven? Stel ik niet alle vragen aan hen ook eigenlijk aan mezelf?

*

Nu schrijf ik ook vooral over mezelf. Ik photobomb the shit out of mijn aantekeningen.

*

Wat als een kunstwetenschapper deze slotbeschouwing had geschreven? Een filosoof? Een dichter uit een andere generatie? Een niet-professionele poëzielezer?

*

In de inleiding wordt Ilja Leonard Pfeijffer geciteerd die oproept tot ‘urgentie en relevantie, risico en gevaar’ in poëzie. Beantwoorden deze poëtica’s Pfeijffers oproep? Is dichten over jezelf urgent, relevant, riskant en gevaarlijk? Heb je moed nodig om over jezelf te schrijven?

*

Maartje Smits probeert zo eerlijk mogelijk te schrijven. sven staelens geloof in mensen die oprecht op zoek zijn naar poëzie. Robin Ramael schrijft en leest over de Waarheid. Dominique De Groen gebruikt het woord ‘oprechtheid’. Ze vindt het een essentiële voorwaarde voor engagement. Verderop erkent ze dat oprechtheid altijd geconstrueerd is, net als engagement.

*

Welke vorm hebben de gedichten van deze dichters? Maartje Smits, Robin Ramael, Maarten van der Graaff, Çaglar Köseoglu en sven staelens leggen zichzelf vormbeperkingen op. sven staelens wil ‘de veters van het strakke korset waarin de literatuur wordt geduwd wat losser maken’. Het resultaat zijn geklokte gedichten, videogedichten, visuele poëzie, lijstgedichten, flarf. De vrijheid wordt gezocht door de vrijheid te beperken.

*

Volgens Arno Van Vlierberghe is Mustafa ‘als taalvirus’ aanwezig in de poëzie van Çaglar Köseoglu. Obe Alkema heeft zijn werk tot ‘virale poëzie’ gebombardeerd. Dominique De Groen schrijft over gecontamineerde zones. Charlotte Van den Broeck stelt dat de taal van gedichten ‘met emotie besmet’ is. Poëzie wordt gepositioneerd als ziekte én internetfenomeen.

*

Çaglar Köseoglu weert elke vorm van narrativiteit om de officiële geschiedenis ‘onklaar’ te maken. Ook Maarten van der Graaff heeft als doel het officiële narratief te verstoren in de taal van het gedicht. Robin Ramael zoekt daarentegen manieren om het narratief te eren.

*

Het meest voorkomende woord in de poëtica’s – na de lidwoorden – is ‘ik’. Het staat er 312 keer. Het tautologische ‘mijn eigen’ in de titel van Frank Keizers nieuwste bundel, Mijn eigen problemen, lijkt symptomatisch voor deze groep dichters. Een focus op het ik en de eigen problemen. Niet de problemen van de wereld en de ander, maar de problemen van het ik, die via poëzie sociaal worden gemaakt.

*

Ongemakkelijkheid, twijfel en onzekerheid zijn terugkerende motieven in deze verzameling poëtica’s. De sfeer is, zoals Maarten van der Graaff het verwoordt, awkward. Ik denk aan de zelfhaat van Friedrich Nietzsche waar Martinus Benders over schrijft en vraag me af of dat het is wat deze dichters voelen. Of een afgezwakte versie van die emotie. Worstelend met hun luxepositie, hun white privileges, hun lichaam, de afwezigheid van hun lichaam. Is hun grootste probleem dat ze geen problemen hebben? Schrijven deze dichters poëzie over henzelf als ‘troost’? Delen ze deze poëzie met andere dichters als ‘trust’?

*

Het woord ‘ik’ komt 43 keer voor in deze aantekeningen. Dat is vaker dan in een gemiddelde poëtica in dit nummer.

*

Moet poëzie emotie overdragen op de lezer of luisteraar om geëngageerd te zijn? Maartje Smits en Robin Ramael zijn de enigen die over hun publiek schrijven. Ramael gelooft in de communicatieve potentie van poëzie en wil een boodschap overbrengen aan de lezer. Smits wil met haar oprechtheid mensen raken en hoopt dat lezers zich in haar gedichten herkennen. Maar de rest schrijft niets over bereik buiten de eigen gemeenschap. Kan poëzie geëngageerd zijn als de meeste poëtica’s zwijgen over publiek?

*

Er zijn in dit nummer voorbeelden te vinden van ‘traditioneel’ engagement, zoals de gedichten van Çaglar Köseoglu over het Turks staatsgeweld en het werk van Maartje Smits over klimaatverandering en vluchtelingen. Maar de meeste teksten introduceren een tussenvorm. Obe Alkema schrijft dat hij behoefte heeft aan een poëzie die durft na te denken over zichzelf. Dáár ligt volgens deze dichters het engagement. Niet in het spreken voor een ander. Niet in het spreken over een ander. Niet in het bereiken van een groot publiek. Maar in het schrijven over jezelf voor een gemeenschap van dichters die hetzelfde doen.

*

Ik vraag me af of ik kan accepteren dat dat engagement is. Ik vraag me af welke term we dan nu moeten gebruiken voor wat ik vroeger engagement achtte. Ik vraag me af welke poëzie vandaag de dag niet-geëngageerd is.

©Kila van der Starre

Illustratie: ©sven staelens

Voor het Deus Ex Machinanummer Poëtica 2015 vroegen we literatuurwetenschapper, poëziecriticus en dichter Kila van der Starre om aantekeningen te maken bij de poëtica’s van elf jonge dichters. 

21 thoughts on “Bommen en woorden – Kila van der Starre

  1. Een fijn stuk met goede vragen, Kila. Engagement is natuurlijk een wat vreemd franclicisme. Schrijft iemand die een gedicht over vluchtelingen schrijft dat uit daadwerkelijke betrokkenheid of uit een noodzaak een ethisch correct zelfbeeld te projecteren? Ik ben nooit zo vreselijk onder de indruk van gelegenheidspoëzie, wat een betere term is eigenlijk, precies omdat het de morele superioriteit van de dichter beoogt, en twijfel is daarvan eigenlijk een valse tegenpool. Hoewel alles dient te beginnen met twijfel, zonder meer.

  2. Bedankt voor dit stuk, Kila! Blij dat de website van DEM is hersteld en we de discussie hier kunnen voeren.

    De vragen die je stelt (‘hoe kan deze poëzie geëngageerd zijn?’, ‘Is dit dan engagement?’), zijn het bediscussiëren waard, maar er moet voor mij eerst een olifant uit de kamer: ik denk dat de conclusies die tot deze vragen leiden gebaseerd zijn op een misreading.

    Je centrale kritiek is dat ‘gemeenschap’ zich beperkt tot de gemeenschap van dichters, waardoor van engagement moeilijk sprake kan zijn. De dichters zouden enkel voor elkaar schrijven en daarmee hun eigen opzet ondermijnen. Je kritiek steunt op twee tekstuele argumenten: een zin uit het stuk van Obe Alkema en de boutade ‘ik = ons werk’ van Maarten van der Graaff. Bij je interpretatie hiervan heb je volgens mij de context uit het oog verloren, waardoor je verkeerde conclusies trekt en je aanval richt op een stroman.

    Obe schrijft dat hij zich tot persoonlijk engagement keerde ‘door ontmoetingen met verscheidene dichters die zich met gelijke zaken bezighouden.’ Je lijkt hieruit te concluderen dat 1) de dichters hun reflecties alleen maar delen met andere dichters die ook reflecteren, 2) het delen van poëticale ideeën de dichters automatisch tot gemeenschap maakt en 3) de gemeenschap zich beperkt tot dichters. Wat volgt op het geciteerde stuk is het volgende: ‘(…) werd hij zich ervan bewust dat de kwestie authenticiteit geenszins meer een belangrijke is. De kwestie van een persoonlijk engagement daarentegen wel.’ Obe geeft dus aan dat zijn poëticale denken is beïnvloed door ontmoetingen met andere dichters die net als hij over engagement en authenticiteit denken. Ik zie niet hoe je conclusies hieruit kunnen volgen.

    Ook de boutade ‘ik = ons werk’ zie je als aanleiding om ‘gemeenschap’ te lezen als de kleine groep dichters in het nummer. Op het eind van je stuk schrijf je dat Robin Ramael en Maartje Smits de enige dichters zijn die over hun publiek praten, maar in de tekst van Maarten is ‘ons’ net het publiek, de lezer, de toehoorder:

    “Schrijven als performance is een ingewikkeld idee, waar veel over is geschreven, maar wat ik er op dit moment onder versta zijn teksten, objecten of optredens – die dus niet noodzakelijk beperkt zijn tot de bedrukte pagina – waarin onmiddellijkheid, mediëring, materialiteit, tijdelijkheid en reflectiviteit de ritmes bepalen. Deze vormen van schrijven kunnen het lezen, het luisteren en kijken van beschouwers, lezers, toehoorders en – niet te vergeten – uitvoerenden en deelnemers veranderen. Ik = ons werk.”

    Ik denk wel te begrijpen waar je op doelt. Deze poëzie heeft geen groot bereik, waardoor het haast een contradictio in terminis lijkt wanneer een dichter zegt geëngageerde poëzie te schrijven. Wat is de zin van literair engagement als er amper iemand is die de gedichten ziet, leest of hoort? Buiten beschouwing gelaten dat deze dichters moeite doen om hun werk zichtbaar te maken en daar ook steeds meer in slagen, raakt deze vraag aan een fundamenteler probleem: het kader waarbinnen je de teksten leest.

    Je opent je aantekeningen met de dichotomie geëngageerde vs. niet-geëngageerde poëzie en geeft aan dat dit onderscheid door het lezen van de poëzie in dit nummer op losse schroeven komt te staan. Van het kader dat dit onderscheid mogelijk maakt blijf je echter af. De gedichten in het nummer beschouw je als een tussenvorm, waardoor je ze toch ijkt aan de traditionele (veelal links-politieke en pamflettaire) geëngageerde poëzie. Dit dringt het ‘persoonlijke engagement’ verwachtingen op waar het niet altijd aan kan voldoen: communicatief zijn, concrete effecten hebben op het publiek, mobiliseren. In jouw lezing zijn deze gedichten bij voorbaat gedoemd om te falen.

    Voor mijn eigen kader is het inzicht dat de taal doordrongen is van ideologie (en andersom) hier van belang. De poëzie die traditioneel wordt gezien als geëngageerd, kan volgens mij geen legitieme ideologische claims maken zonder dit te erkennen. Geëngageerde poëzie moét bijgevolg zelfreflexief zijn, waardoor het gedicht ook niet aan de auteur ontkomt. Het is dit dat ik lees in de behoefte van Obe aan een poëzie die durft na te denken over zichzelf. Het reflexieve is een noodzakelijke voorwaarde om geëngageerd te kunnen schrijven, maar het is niet wat deze poëzie geëngageerd maakt.

    Het engagement vind ik in dit nummer wél in het spreken met een publieke stem, een stem van de gemeenschap/samenleving – dus niet in de enge betekenis van een dichtersgemeenschap. Het is ook op die manier dat ik dat motto van Chris Kraus begrijp: ‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore, I have to make my problems social.’ Dit lijkt me een verwant idee, maar dan gedacht vanuit het perspectief van de dichter.

    Samenvattend: je concludeert dat navelstaarderij het engagement onmogelijk maakt. Mijn kritiek hierop is dat je conclusie berust op een misreading, de schijnbare navelstaarderij poëticaal verantwoord is en het engagement in deze poëzie een eigen kader verdient; niet dat van het soort naïeve engagement waar het zich tegen verzet.

  3. Bedankt voor je reactie, Mathijs, die (zoals ik van je gewend ben) kritisch en scherp is. Je stelt dat mijn tekst gebaseerd is op een misreading; het is volgens jou niet zo dat de dichters in dit nummer schrijven voor een gemeenschap van andere dichters. Je zegt dat het engagement voor jou in deze poëtica’s zit in ‘het spreken met een publieke stem, een stem van de gemeenschap/samenleving’. De vragen uit mijn tekst blijven dan echter nog steeds relevant:

    ‘Maar om welke gemeenschap of society gaat het precies? Die van de Lage Landen? Van de wereld? Van de literaire wereld? Van de lezers? […] Wie zijn de leden van deze gemeenschap?’

    Het komt erop neer dat ik me afvraag voor wie en tegen wie deze dichters spreken. Net boven het stuk van Obe dat zowel jij als ik citeren schrijft hij op zoek te zijn naar ‘betrokkenheid’? Maar betrokken bij wat of wie precies? Dat is waar ik naar zocht tijdens het lezen van de elf poëtica’s. En inderdaad, telkens kwam ik uit bij een smalle, beperkte, individualistische opvatting van ‘wij’, ‘ons’, ‘gemeenschap’, ‘samenleving’, ‘wereld’. Jij haalt het citaat van Chris Kraus aan als voorbeeld van engagement van en met een brede gemeenschap. Ik zie in haar citaat wederom juist de focus op het ik: ‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore, I have to make my problems social.’ Ik denk dan: waarom zou je überhaupt denken dat jouw problemen interessanter zijn dan de wereld? Gaat het er niet juist om dat de wereld altijd en overal boeiender is dan jouw individuele problematiek? En zou je de tweede helft van het citaat niet beter kunnen omdraaien, om je te richten op de sociale (de collectieve, de brede) problemen in plaats van het sociaal maken jouw eigen problemen?

    De focus op het ik en op een beperkte gemeenschap en de negatie van een breed publiek zie ik in verschillende poëtica’s terug op tekstniveau. Een voorbeeld is het gebruik van de term ‘virale poëzie’ in de tekst van Obe. In de Westerse volksmond van de 21e eeuw kent de term ‘viraal’ associaties met een groot publiek en een gigantisch bereik. Dat is juist de kern van die term: iets dat ‘viraal gaat’ raakt een publiek, zet een publiek aan tot voelen en handelen, maakt een publiek actief en collectief. Dat geldt ook voor ‘virale poëzie’. Maar in deze poëtica wordt ‘virale poëzie’ geassocieerd met het individuele. Daarbij hebben de negatieve woorden over het contact tussen ‘de buitenwereld’ en het ‘(sociaal) lichaam’ de overhand (‘parasitair’, ‘niet gezond’, ‘geïnfecteerd’, ‘dichtgeslibd’, ‘besmet’, ‘gemutileerd’, ‘gemuteerd’, ‘ziekte’).

    Jouw lezing van ‘ik = ons werk’ is voor mij het moeilijkst te volgen. Je stelt dat in dit citaat van Maarten ‘ons’ net ‘het publiek, de lezer, de toehoorder’ is. Er zou dan dus iets staan als ‘ik = het werk van het publiek’. Dat lijkt mij een onlogische lezing. Wat wordt er dan met ‘werk’ bedoeld? Ik denk in de context van een poëtica bij ‘werk’ aan ‘literair werk’, iets wat niet alle leden van het publiek bezit, maar wel alle dichters. Daardoor lees ik het citaat als ‘ik = het literaire werk van dichters (dus het werk van mijzelf en van andere dichters)’. Als er inderdaad met ‘ons’ naar het publiek wordt verwezen, waarom staat er dan niet ‘ik = ons leven’, of ‘ik = onze wereld’, of ‘ik = publiek’ of zelfs ‘ik = ons’? Hoe lees jij hier precies het woord ‘werk’?

    • Kila, ik denk dat het voor het lezen van deze poëzie van fundamenteel belang is om te begrijpen dat het thematiseren van het zelf en het thematiseren van maatschappelijke kwesties elkaar niet uitsluiten. Er is altijd een subject dat een positie inneemt ten opzichte van iets dat buiten het subject ligt, en tegelijk is dat subject door genen en omgeving bepaald. In deze poëzie worden die inzichten vruchtbaar gemaakt.

      Als je dit aanvaardt, dan dringt de vraag tegen wie deze dichters spreken zich niet meer of minder op dan bij een willekeurig ander dichter. Het antwoord luidt dan eenvoudig: tegen ieder die wil luisteren.

      Wat de term ‘viraal’ en de negatieve woorden betreft: ik denk dat je hier tendensieus leest in functie van je hypothese. Zoals wel vaker gebeurt in poëticale teksten, zetten auteurs die woorden op een eigen manier in om hun ideeën te capteren. Jij walst die nuancering plat in functie van je argument: alle woorden zijn pejoratief en duiden op een aversie van de buitenwereld. Veel meer dan het lezen van poëzie als ziekte, met die negatieve connotatie, gaat het deze dichters volgens mij vooral om de interne logica van ziekte en virus. Daarbij zijn het ook dankbare begrippen omdat ze zich makkelijk laten associëren met het lichaam.

      Over ‘Ik = ons werk’ had ik beter geschreven: ‘ons’ omvat zowel dichter als publiek. Om de betekenis van ‘werk’ te vinden moet je de eerste paragraaf van Maartens poëtica er op nalezen. Hij schrijft: ‘Wat is mijn werk? Ik verplaats de cursor door word-documenten. Ik open schermen en vormgeving geeft mij vorm, verkeer brengt mij in beweging. Alles wat als schrijver mijn object van studie en contemplatie zou moeten zijn, de wereld [‘de wereld’ schuingedrukt], onderwerpt me en zet me in.’ Zoals ik het lees, is ‘werk’, traditioneel het product van contemplatie over de wereld, voor Maarten geen product meer van de auteur. Het is eerder andersom: de auteur ondergaat en registreert. Op die manier lijkt het me net wel logisch dat hij het publiek in zijn registratieproces betrekt. Het is zo dat zijn poëzie waardevol wordt, doordat het hun manier van lezen, luisteren en beschouwen kan veranderen.

  4. Begrijp ik nu goed, Kila, dat je mijn term ‘virale poëzie’ nu willens en wetens slechts vanuit een andere context leest? In mijn poëtica hanteer ik bij mijn weten het adjectief viraal in de zin van parasitair en niet zozeer in de zin van viral – dat heb ik elders wel gedaan, maar niet in deze poëtica. Dus ik zou niet zo snel praten over de kern van de term virale poëzie die duidelijk ambigu cq. paradoxaal is. Bovendien: aangezien dit referentiekader nog in opbouw is, is het eerder een geleidehond dan een kapstok.

    Over de verhouding individu – “de” wereld: waarom zijn mijn problemen belangrijker dan de wereld? Omdat ik niet buiten mezelf kan treden en in een niet aflatende stroom van gemanipuleerde informatie me toch verhouden moet (dat is een keuze) ten opzichte van de wereld zoals die mij toekomt. Het schrijven over bredere sociale problemen is daarom altijd individueel gemotiveerd. Elburg koos ervoor vanuit zijn politieke overtuigingen relatief marxistisch te schrijven, dat geldt denk ik ook voor Elly de Waard, net zoals dat geldt voor Ta-Nehisi Coates of Claudia Rankine — alle verschillen tussen deze auteurs daargelaten. De enige mogelijkheid is een positie te nemen vanuit jezelf, er is geen buitenpositie. Bovendien beschouwen meerdere dichters die elkaar nu vinden hun problemen als overeenkomstig met bredere sociale, economische en culturele problemen (zegt hij generaliserend). Hun casus is een ziektegeval, om dan weer terug te komen bij het virale: de wereld nestelt zich infectueus in het individu dat zelf ook een infecterende instantie wordt — en dit bedoel ik niet per se negatief, zoals ik ook aangeef in mijn poëtica, aangezien daar ook een vitaliteit uit spreekt.

  5. Voor iemand die zich in het begin van de jaren ’80 in de poëzie begaf en toen ook Nederlands studeerde is deze discussie verfrissend, vervreemdend en bevreemdend tegelijk. Ik worstel in mijn marginale dichterscarrière al 35 jaar met engagement, met politiek engagement én met persoonlijk engagement (wat je daar ook onder mag verstaan), omdat ik er niet buiten kan, waardoor ik het gevoel heb me bij voorbaat buiten de poëzie te plaatsen. De ‘echte’ poëzie die geen boodschappen of gevoelens overbrengt maar iets anders, ik noem het voor het gemak even zeer onnauwkeurig een poëtische sensatie. Heel omzichtig heb ik me in Dichten doe je zo (Amsterdam, 2010: Schrijfbibliotheek Augustus) losgeredeneerd van de strenge traditie zonder de waarde ervan uit het oog te verliezen. Nu lees ik ineens een discussie, waarin er politiek of persoonlijk engagement is en verder niets. Vorm, taal, stijl, het komt allemaal nauwelijks aan de orde. Dat is heel raar. Ik voel me ineens heel oud, een alien in mijn eigen tijd, maar ook verheugd dat er weer ruimte is voor maatschappelijk en persoonlijk engagement. En hoe kijk ik er zelf tegenaan? Ik denk dat een dichter in de eerste plaats met taal werkt, taal die hem (m/v) en niemand anders te binnen schiet, of opvalt, en waar hij al associërend mee aan het werk gaat. Net zo lang tot er iets staat dat hem aanspreekt, raakt, iets zegt. Dat kan van alles zijn. Het hangt er maar vanaf welke functie de poëzie heeft in het leven van de dichter. Is dichten zijn meditatiemoment, zijn uitlaatklep, zijn sport? Als dichter en als lezer hoop ik af en toe (bij mezelf of bij iemand anders) iets te lezen als Western Union van Tsead Bruinja. Iets dat maatschappelijk geëngageerd is, omdat de dichter dat blijkbaar zelf is, omdat zijn materiaal hem laat zien dat hij dat is. In elk geval niet omdat hij dat wil. Natuurlijk kan hij wel op zoek gaan naar taal die leidt tot poëzie over een maatschappelijk fenomeen. Maar, zo traditioneel ben ik wel: de taal moet de ruimte krijgen, wie alleen maar een vooropgezette boodschap ventileert, is niet goed bezig (al kan ik natuurlijk nooit aan de buitenkant zien of dat het geval is, ik moet het geloven).

    • “Vorm, taal, stijl, het komt allemaal nauwelijks aan de orde.” Ik denk dat het nogal gevaarlijk is om de poëtica’s inclusief bijbehorende poëzie af te doen als slechts persoonlijk/politiek engagement; ik denk dat ik voor het merendeel van de in dit nummer opgenomen auteurs kan spreken als we proberen ons te verhouden tot de maatschappelijke realiteit, onze eigen problemen en de bredere sociale problemen waarin die problemen in meer of mindere mate te plaatsen zijn. Die gewaarwording, dat we ons politiek, publiek en persoonlijk moeten verhouden tot de wereld die gedomineerd wordt door kapitalisme, depressie, waanzin en verspilling, komt niet alleen inhoudelijk naar voren, maar ook formeel, stilistisch, talig, namelijk in het verhouden zelf: de vorm wordt daardoor politiek, de stijl en taal zijn politiek. Hoe kun je in godsnaam schrijven over politiek zonder politieke vorm, stijl en taal?

      Bovendien ben ik het niet eens met je uitspraak dat we vooropgezette boodschappen ventileren. Op basis van een poëticale tekst – die m.i. altijd politiek is, want je neemt stelling ten opzichte van x en y, je legt uit wat je verkiest boven iets anders – en één gedicht lijkt het me overbodig en nogal riskant om zulke uitspraken te doen. Als ik het dan mag omdraaien en op basis van jouw reacties en teksten die je in deze thread plaatst zeg: jij ventileert een ondubbelzinnige boodschap, vooropgezet, transparant. Je stelt jezelf die vragen ook, maar waar is in die zelfbevraging de vraag naar taal, stijl en vorm? Volstrekt foute dingen opschrijven (fout in de zin van “controversieel”?) = stelling nemen. Niet duidelijk stelling nemen is alsnog stelling nemen. Ingeval engagement lijkt me duidelijk stelling nemen noodzakelijker dan dat half doen, dat strookt naar mijn mening niet met mijn idee van engagement.

  6. Het blijft me bezig houden. Ik vind dat ik mezelf meer moet laten zien in deze discussie. Zou hier nu graag een poëticaal lied uploaden over engagement.
    De tekst begint zo:
    Zangertje, zoek je woorden voor je engagement
    Denk je nou echt dat geen mens je herkent
    Als zo’n steenrijke Hollander blond en verwend
    Die nog nooit iets van ellende heeft gekend
    Dus zing toch van de liefde jij, een liedje is geen krant
    Wat weet jij van verdriet op pijn, het is gewoon genant
    Jouw leed is niet doorleefd, leg om een schaafwond geen verband
    O, nee, in Nederland is echt niets aan de hand
    O, nee, in Nederland is echt niets aan de hand
    Goed je hoort wel van een meisje
    Dat ver weg, straatarm, naïef
    investeerde in een reisje
    naar een danscarrière hier
    En dat hier toen werd genomen
    uitgekleed, genaaid, non stop
    Rechteloos, weg pas, weg dromen
    Ja zo’n meid die brengt wat op
    Maar ze leed daarginds al schipbreuk
    ze is hier alleen gestrand o, nee
    In Nederland is echt niets aan de hand.
    etc.

    Tot zo ver mijn zingpoëzie. Als je het in een cabaretlied al lastig vindt om geëngageerd te zijn, worstelt met de vraag hoe geloofwaardig dat is, hoe moeilijk vind je het dan in je leespoëzie? Heel moeilijk. Ik heb in Den Bosch (‘s-Hertogenbosch) bijvoorbeeld gedichten gemaakt over de wijk waar ik woonde: Boschveld. In het kader van een project zou ik in het openbaar gaan dichten met materiaal dat zich aandiende in de wijk of in de bak met wegwerpwoorden bij mijn stand. Ik maakte toen onder andere dit gedicht:

    Afvalzorg ’s-Hertogenbosch

    Gezien op een vuilnisbak:
    http://www.dumpjeschatje.nl

    Ik herschrijf de folder:

    Hierbij de omgangsregeling
    voor bruingoed, white trash,
    allerhande dozen

    (dus bijvoorbeeld ook dit hier:
    Mekkaburgers,
    drie zesenvijftig de kilo
    veel te ruim ingekocht
    over de datum)

    We moeten ons afval zorgvuldig
    behandelen

    ’s Ochtends voor 7 uur 30
    aan de straat zetten

    Sommige stromen zijn gratis
    andere niet

    Wat heb je over
    voor wat je over hebt?

    Indien nodig goed vastbinden

    Krachtig aanpakken

    Hoe gaat u met uw afval om?

    Tot op de dag van vandaag ben ik enerzijds trots op dit gedicht, maar heb ik er ook ernstige twijfels over. Is het niet te doorzichtig? Is het niet te ondoorzichtig? Moet je de teksten niet kennen waarop het gedicht gebaseerd is? Wat zeg ik nu eigenlijk? Het is een gedicht met allerlei regels waarvan ikzelf denk, oei, kan ik dat wel maken, terwijl iemand anders misschien denkt: ‘gaap’. Verder neem ik helemaal nergens duidelijk stelling. Ik schrijf eerder volstrekt foute dingen op. En toch is dat peuren in zwarte gedachten, en vragen stellen, wel wat ik zoek.

  7. Ik begrijp dat jij, Obe, ‘viraal’ anders gebruikt dan ik het hierboven uitleg. Ik vind het een interessant deel van je poëtica en ik zou er graag meer over lezen. Ik legde mijn alternatieve kijk op de term uit om nogmaals te laten zien hoe de toon overwegend individueel is, gericht op het ik, zelfs in het gebruik van een term die in vele andere contexten juíst gericht is op een groot publiek en het collectieve.

    Zoals ik in mijn aantekeningen schrijf denk ik dat ik mijn opvatting over engagement zal moeten aanpassen om mee te gaan met de nieuwe kijk op die term door hedendaagse dichters. Ik merk dat ik het vooral moeilijk vind om de kijk op het publiek/het bereik/de communicatie van poëzie in deze poëtica’s te rijmen met het concept ‘engagement’. Dat het thematiseren van het zelf en het thematiseren van maatschappelijke kwesties elkaar niet uitsluiten, dat ben ik met jullie eens.

    Nu ben ik ook benieuwd wat de andere dichters uit het nummer van deze discussie vinden. (We plaatsen onze reacties zowel hier, als op de website van Deus Ex Machina.) Dominique De Groen, Çağlar Köseoğlu, Robin Ramael, Jürgen Smit, Maartje Smits, Charlotte Van den Broeck, Maarten van der Graaff, Sven Staelens, Frank Keizer, Martinus Benders, Arno Van Vlierberghe, Ton Van ‘t Hof (sommigen hebben hier of elders ook al gereageerd).

    • Ik hoor ook graag wat de andere dichters hierover te zeggen hebben.

      Ik begrijp dat je engagement op jouw manier leest, dat is m.i. de conventionele manier van engagement begrijpen, zoals dat altijd begrepen is, misschien op de wijze van een ‘topical song’? Anyhoo, het engagementsbegrip anno nu (ik wil het woord ‘engagement’ graag omzeilen) volgt niet meer de drang de wereld te willen veranderen — althans, niet in mijn optiek. Ik herken dat in zekere zin wel bij een aantal van de opgenomen dichters in dit nummer, maar ik weet niet of ik die positie grotendeels of helemaal met hen deel. Wat denk ik een inherent onderdeel is van het concept ‘engagement’ is: het ik verhoudt zich tot de wereld zoals die hem/haar toekomt. In plaats van de focus te leggen op het communiceren van de (utopische) boodschap leg ik zelf de nadruk meer op wat er gebeurt in het ik, welke processen zich voltrekken in dat lichaam, en hoe dat lichaam er (affectief) op reageert. Vandaar de ziektemetaforiek.

      Mijn engagementsbegrip, hoewel nog steeds weinig uitgewerkt, sluit vooral aan bij wat Peter Verhelst eens in een interview zei in Vooys:

      ‘Maar als ik het heb over poëzie als politiek dan bedoel ik dat ik geloof, dat iets als poëzie, of romans, of wat dan ook, mensen hun zekerheden ontneemt. (…) Die betekenis van het ontwrichten van zekerheden is pure politiek omdat ik vind dat het voor mij de enige manier is om in de wereld te staan, door juist die twijfel te cultiveren. Antwoorden interesseren me niet. Maar ik vind het wel belangrijk, dat er constant vragen worden gesteld, waarop een heel voorlopig antwoord kan worden gevonden, dat vervolgens onmiddellijk weer wordt ondermijnd.’ (Vooys 19.4 (2002), 241-42)

      Ik ben het hier grotendeels mee eens: die twijfels, deel van een groter palet aan gevoelens, emoties, sensaties en intensiteiten, wil ik cultiveren, laten botsen met informatie uit de dagelijksheid, met de politieke en maatschappelijke realiteit, de hoge en lage cultuur, de banaliteit van wat het is te leven in de 21ste eeuw, tegelijk het voorrecht, om nog maar te zwijgen van het krankzinnige toeval te leven in de 21ste eeuw.

      In die zin ben ik minder geïnteresseerd in een publiek. Iedereen in Nederland trekt z’n muil open bij het minste of geringste – ik ook -; ons land zit vol deskundigen laat staan dichters. Ik scherp me liever aan en spar liever met mensen met gelijksoortige ideeën dan aan neuzen die lijnrecht de andere kant op staan.

  8. De tijd van het ikloze gedicht lijkt voorbij maar zal dra opnieuw aanbreken. Zo veel ikkerigheid moet wel uitdraaien in ikloosheid. Niet de vraag naar engagement is belangrijk, noch de ikgebondenheid van de gedichten, al zal je ze maar lezen, al die ikkerigheden, waarbij vergeleken de kikkerigheid minder dril vertoont. Nee, de vraag mag opnieuw rijzen, torenhoog, tot hamvraag: moeder, vader, waarom schrijven wij? Als straks Poésies I et II van Isodore Ducassen verschijnen in het Nederlands, zal heel deze discussie verstommen

  9. Wat ik in ieder geval wil zeggen is dat ‘ik=ons werk’ een zin is waarmee ik wil laten zien dat wat we het individuele noemen, een collectieve formatie is. ‘Werk’ is hier dus niet alleen literair werk, maar het gaat om productie at large (‘vormgeving geeft mij vorm’). Het is ook een zinnetje dat de materiële condities van het ik bloot wil leggen.

    Verder zijn atomisering en individualisering natuurlijk allang voldongen feiten in deze poëzie. Dus elke keer dat het woord gemeenschap valt staat alles op het spel en wordt het duidelijk dat dit woord zwak is, al te vluchtig, onaf en problematisch. Daar zit denk ik een spanning.

  10. Je lult echt uit je nek, van der Graaff. Alsof er ook formaties bestaan die uit één enkel element bestaan. En Jack Spicer bedoelde dat ‘Magazines are societies’ echt totaal niet positief, maar dat zal jou worst wezen, is het niet? Verder wil ik nog even ophelderen dat het gedicht naast mijn zgn. poetica niet door mijzelf is uitgezocht maar door de bloemlezer, Ton van ‘t Hof.

  11. Obe, bedankt voor je reactie. Daaruit blijkt helaas dat ik niet duidelijk ben geweest, hetgeen mij spijt. Dus eerst een potje misverstanden uit de weg ruimen.
    1 Als ik schrijf dat vorm taal en stijl nauwelijks aan de orde komen, dan heb ik het alleen over de poëticale discussie zoals die naar voren komt uit het artikel van Kila en de reacties daarop op internet. Over de poëzie uit het nummer kan ik niets zeggen en heb ik ook niets gezegd. Ik heb mij erover verbaasd dat elk spoor van een autonomistische poëtica, decennia lang de norm, in de discussie ontbrak.
    2 Ik vind het heel legitiem om persoonlijk, geëngageerd of duidelijk te zijn, en leg uit dat het aan de buitenkant van een gedicht niet goed te zien is, hoe vooropgezet de uitgesproken mening is. Ik verwijt het niemand als er een duidelijk gevoel of een duidelijke mening uit zijn poëzie naar voren komt, het moet alleen wel een goed gemaakt (lees- of zing-)zijn. En naarmate de vorm en taal minder spannend zijn, moet het gevoel of de mening geloofwaardiger en/of origineler zijn, wil de auteur mij niet het gevoel geven zich ‘alleen maar’ te uiten en niet bezig te zijn geweest met het maken van poëzie.
    3 Ik begrijp gezien het bovenstaande het ‘jij-doet-het-zelf-ook’-verwijt niet helemaal. Verder ben ik het met je eens dat ook een halve mening een mening is en vind ik het jammer dat je niet kunt geloven dat zowel mijn lied als mijn gedicht zowel formeel als inhoudelijk grotendeels tot stand gekomen zijn in interactie met de taal. Evengoed ben ik heel benieuwd welke duidelijke hele of halve mening jij destilleert uit het taal- en gedachte-experiment dat voortkwam uit het bij elkaar leggen van een folder van de afvalverwerking, een tekst op een vuilnisbak en een paar opschriften op verpakkingen uit de plaatselijke supermarkt. En dat is een oprechte nieuwsgierigheid. Ik wil echt weten wat mijn gedicht betekent voor de lezer. In mijn ogen is de tekst tamelijk ambigu, maar als blijkt dat het gedicht eenduidig iets betekent dat ik niet wil zeggen, moet het anders.
    4 Je vraagt je af waarom ik bij mijn eigen gedichten niet naar taal, stijl en vorm vroeg. Dat doe ik wel, maar dat deed ik in deze discussie niet, omdat ik me (aansluitend bij de discussie) afvroeg hoeveel engagement ik mezelf toesta? Te weinig vrees ik soms, doordat ik redelijk streng voor mezelf ben als het gaat om het maakproces.
    5 Je mening over de wenselijkheid van duidelijke uitspraken boven onduidelijke (als ik het zo mag samenvatten) deel ik niet. Ik vind dat er veel te veel duidelijke en ondoordachte uitspraken gedaan worden, en pleit voor vragen stellen, twijfel zaaien, peuren in overtuigingen. Ben ik wel zo’n fijn mens als ik hoop te zijn. Vind ik echt wat ik vind? Doe ik me niet mooier voor dan ik eigenlijk ben? En zelfs als dat allemaal in orde is, weet ik dan zeker dat ik echt goed heb nagedacht en -gevoeld?

  12. |*
    Elk goed gedicht vertrekt vanuit engagement.|
    Hoeveel ego een goed gedicht ook bevat, het wordt steeds geschreven voor een publiek. Misschien wil de dichter alleen maar tonen hoe behendig hij is met taal, misschien wil hij alleen maar een boodschap de wereld in sturen (of een vraag for that matter), misschien wil hij een beeld of een inzicht delen. Laten we wel wezen, in elk van die gevallen bestaan andere, wie weet zelfs lucratievere of efficiëntere manieren om dat te doen dan door het publiceren van een gedicht. Hoe dan ook slaagt een goed gedicht erin de ontvanger optimaal te bereiken, waarbij ontwrichting belangrijker is dan ooit.

    |**
    Elk interessant gedicht onderzoekt engagement.|
    Of dat nu ‘volgens het boekje’ gebeurt of niet, elk gedicht dat het lezen waard is, zoekt naar een verbondenheid met de lezer. Daarbij kan de dichter kiezen tot welk publiek hij zich richt, hoewel dat volgens mij niet de meest boeiende manier van werken is.

    |***
    Elk gedicht is een egotrip.|
    Dat de elf teksten in het poëticanummer van DEM in totaal 312 keer ‘ik’ bevatten is echter te wijten aan de manier waarop deze poëticale uitlatingen tot stand zijn gekomen: iedere tekst is een antwoord op één of twee aan de dichter in kwestie gestelde vragen. Wanneer iemand mij vraagt ‘hoe zie jij dat’, ‘hoe doe jij dit’, dan antwoord ik onvermijdelijk in de ik-vorm. (Nu moet ik hier volledigheidshalve wel aan toevoegen dat de laatste sectie in mijn debuutbundel de welluidende titel ‘ik]’ heeft meegekregen.)

    |****
    Het ikloos gedicht kan een interessante vorm van poëzie zijn.|
    Een ikloos gedicht kan volgens mij vergeleken worden met een roman zonder personages. Een interessante oefening met andere woorden, maar ook niet meer dan dat.

    |*****
    Engagement is hip|
    Hipsters hebben wel eens een baard & hun broeken zijn soms te kort. Maar om dan meteen te beweren dat ze een gesloten gemeenschap vormen, dat is toch wat overdreven. Bovendien zijn de meeste hipsters hip als de hype al is verdwenen. Engagement is niet meer wat engagement was. Ik kan me wat dat betreft volledig vinden in wat Obe hierover te vertellen heeft.

  13. Beste Kila,

    Over jouw worsteling met de term engagement. Is het niet handig om terug te grijpen op de aloude verdeling in vier soorten poëtica’s (volgens Abrams, als ik het wel heb).
    expressieve – waarin de hoofdgedachte is dat de dichter zich uit
    descriptieve (ik ben de echte term even kwijt (referentiële?)) – waarin de beschrijving van de werkelijkheid centraal staat
    autonomistische – waarin de tekst als tekst centraal staat
    en publieksgerichte (ook hiervan ben ik de term kwijt) – waarin de communicatie met de lezer (c.q. de over te brengen boodschap) centraal staat
    Het lijkt erop dat jij een poëtica waarin het persoonlijke centraal staat als expressief ziet en van publieksgerichte poëzie per definitie verwacht dat die ‘ouderwets geëngageerde’ is. Kan het niet zo zijn dat de dichters die jij beschrijft allemaal een publieksgerichte, communicatieve poëtica hebben, maar verschillend zijn in hun onderwerpskeuze? ‘engagement’ houdt dan in betrokkenheid bij de mensen, niet per se bij de maatschappij. Je kunt een liefdesgedicht schrijven omdat je zelf heel verliefd bent (expressief, niet geëngageerd), maar je kunt ook je lezers slash luisteraars ook iets over de liefde vertellen omdat dat nou eenmaal een onderwerp is dat ook hen aangaat (communicatief, wel ‘geëngageerd’). Mijn eigen poëtica is hoofdzaak communicatief (het gaat erom of een gedicht mij ethisch, esthetisch en/of emotioneel weet te raken, of mij een andere kijk op de wereld kan bezorgen), maar mijn ontstaanspoëtica is autonomistisch.

  14. De tekst van Hedwig Speliers:

    De tien klonen en de ene dichter van Deus-ex-Machina

    Vermits onze tien jongere dichters het toch over poëtica hebben, verwondert het mij zeer dat die poëticagedachte nergens op enige continuïteit of historiciteit stoelt. Toch, een beetje wel, maar die historiciteit reikt niet verder dan de twijfelachtige figuur van Dirk van Bastelaere. En Van Bastelaere wordt dan ook de kop van jut in dit speciale nummer. Waarom? Is hij dan zo belangrijk terwijl hij maar een kleine schakel in de poëticale ketting is. Meer, bijna alle hier aangesproken jongere dichters keren zich af van het postmodernistische principe waar Van Bastelaere een icoon schijnt van te zijn. Maar Van Bastelaere is meer, ik bedoel ‘minder’. Hij is van het postmodernisme overgestapt op het postfascisme van het NVA.

    Wat bedoel ik met onze jongere dichters die zo weinig op hebben met poëticale historiciteit of continuïteit? Wel heel eenvoudig dit: het denken over de poëzie, de poëtica dus, is een heel oud verschijnsel. Na 1674 begon Nicolas Boileau aan L’art poétique, dat algemeen als zijn meesterwerk wordt beschouwd. Daarmee viel hij op zijn beurt terug op de Ars poetica van Horatius. Grofweg gesproken zou men kunnen zeggen dat met Boileau de moderne West-Europese poëtica begon. Hoeveel nieuws is er dus onder de zon? Hoeveel nieuws heeft Deus-ex-Machina vandaag te bieden?

    Ik heb het zonet gehad over Nicolas Boileau. Iedereen weet dat hij een hoofdrol heeft vertolkt in de strijd tussen de Klassieken en de Modernen. Laten we spreken van een eeuwige strijd, de strijd tussen generaties ofte de aflossing van de wacht. Of de tien van Deus-ex-Machina de wacht aflossen is zeer de vraag, daarvoor zitten ze te dicht op de actualiteit en bezitten ze te weinig literair-historische recul. Maar uiteindelijk komt het niet op de poëtica aan noch op de literair-historische basis, uiteindelijk komt het aan op het al dan niet vernieuwde product dat ze brengen: ik bedoel het gedicht. Hoe vernieuwend is wat de tien in hun mars hebben? En is het vernieuwend? Of is het vernieuwend genoeg om relevant te zijn voor een nieuwe poëziebeweging?

    Het is materieel onmogelijk om zowel kwantitatief als kwalitatief op die vraag uitsluitsel te geen aangezien elk dichter slechts één gedicht heeft kunnen plaatsen en de meeste dichters nog geen oeuvre hebben laat staan voldoende werk om nu al te kunnen oordelen. Mocht de Muze het mij als tachtigjarige vergunnen nog tien, twintig jaar te leven, dan kom ik terug met een definitief oordeel. Nu zie ik enkel een aantal klonen van elkaar die zich afzetten tegen iemand (van Bastelaere) die ik te gering acht om tot de feitelijke geschiedenis te behoren. Wat ik verder zie is een ongenoegen tegen de bestaande samenleving, maar ook dat is geen garantie voor vernieuwing. Ik word verder als een gek gekatapulteerd van weblog naar videosite, van Facebook naar getwitter. Ik zie feitelijk maar één authentiek dichter in dit pseudorevolutionair gezelschap. Die zal vroeg of laat opschuiven naar erkende uitgeverijen, maar dan zijn we terug van af… Dan moeten we opnieuw met traditionele maatstaven gaan meten en zitten we in een netwerk van verwachte patronen.

    Enfin, ik hoop tegen alle verwachting in dat Deus-ex-Machina 154 furore en geschiedenis maakt. Ik zie er een digitale generatie in zoals nooit voorheen geconditioneerd door de wetten van een allesbepalend en dictatoriaal medium. En verder ontving ik het bewuste nummer in een envelop geadresseerd aan Hugo Speliers. Boven had ik het al over het schrijnend gebrek aan literair-historische continuïteit. Zelf heb ik het als een joke opgevat: misschien beoogde de redacteur, die mij dit nummer toezond, een ironische hint, bedoelde hij dat Hugo Speliers een kloon was van Hedwig Claus. Als dit zo is, laten we dan met z’n allen onze bevrijdende lach als een montgolfier de lucht in…

    Hedwig SPELIERS

Leave a Comment