Marcel, ik en de netvliesloslating – Sylvie Marie

Marcel, ik en de netvliesloslating

door Sylvie Marie

Schermafbeelding 2018-11-22 om 11.58.39
Sylvie Marie

Deze tekst is een preview uit het nieuwe nummer van Deus Ex Machina: DEM 168. Meer lezen? Het nummer kan je hier bestellen.

Op 24 juli 2009 was ik aan het feesten. Al een paar dagen lang. Het waren Gentse Feesten. De dichters Philip Meersman en Jase van Grembergen hadden elke avond literaire activiteiten gepland. Er werd een Kluger Hans voorgesteld, Tine Moniek deed er haar Rage against the dying of the light, Dirk Elst en Daniel Billiet deelden er het podium en zoveel meer. Midden in deze literaire vreugde stierf Marcel van Maele. Ik hoorde het zeggen, fluisteren, nog eens zeggen, meerdere malen, maar ik kende de dichter niet. Googelen. Vragen stellen. Horen vertellen. Netvliesloslating. Hij had het ook gehad. Ik voelde me meteen met hem verbonden.

Juni 2008

Ik ben vierentwintig en aan de slag als eindredacteur bij Het Nieuwsblad. Het is mijn eerste echte job. Ik werk met dagcontracten. Best lastig, die onzekerheid, maar als beginnend journalist ga je niet klagen. Integendeel, je maakt je het liefst zo onmisbaar mogelijk en schikt je naar de grillige wensen van de nieuwsmanagers. De dagen zijn lang. Van twaalf uur ’s middags tot twaalf uur ’s nachts ben ik in de weer. En in de voormiddag doe ik nog wat freelancewerk. Uiteraard.

Tot ik halfweg die maand plots enorm last krijg van mijn zicht. Het lijkt alsof de letters voor me op het computerscherm aan het dansen zijn. Alsof ze op een wapperende vlag staan en af en toe wat woorden in de plooien verdwijnen. Ik snap het niet. Dit is niet zomaar wat waziger zien. Dit is iets anders. Ik moet naar de oogarts. Maar wanneer krijg ik dat geregeld? Ik woon bij mijn lief in Bonheiden, mijn vaste oogarts sinds mijn vijfde bevindt zich nog in mijn thuisstad Tielt en dagelijks word ik op de redactie in Groot-Bijgaarden verwacht.

Ik spreek erover op het werk. Ze snappen het niet goed en ik geneer me een beetje. Iemand raadt me een optometrist in het Mechelse aan. Ik noteer het adres maar maak geen afspraak. Op dinsdag 24 juni ga ik met keelpijn naar de huisarts in Bonheiden. Die stelt een ontsteking vast en schrijft me twee dagen ziekteverlof voor. Zo zie ik mijn kans. Ik maak meteen een afspraak bij de oogarts. Met een dagje vrij is de treinrit heen en terug haalbaar.

Op donderdag kan ik er langs. Dokter Derous schijnt snel met een felle lamp in mijn ogen en laat me letters lezen. Hij vraagt me in welke kleur ik ze het beste kan zien. ‘Rood of groen?’, vraagt hij. Snel zwaait hij met zijn handen voor mijn ogen. Hij dekt het ene oog af, dan het andere. ‘Rood of groen? Rood of groen?’ Het is elf jaar geleden, maar ik hoor het hem nog vragen. Ik aarzel. Ik kan niet antwoorden op zijn vraag. Rood of groen maakt helemaal niet uit.
‘De letters dansen’, antwoord ik. ‘Het is raar, maar die letters staan gewoon niet stil op het scherm.’
‘Ah,’ zegt hij, ‘dat lijkt me sterk. Volgens mij zie je alleen maar wat waziger.’
Snel zwaait hij een foreptor – dat woord heb ik voor deze tekst opgezocht – voor mijn ogen en verandert de sterktes van de glazen in het zware toestel dat voor mijn gezicht hangt. ‘Is het nu beter of slechter?’ vraagt hij. ‘Beter of slechter?’. De verschillende lenzen schuiven heen en weer voor mijn ogen. Ik doe mijn best. Ik zeg: ‘Beter.’ Ik zeg: ‘Slechter.’ Ik zeg: ‘Ik kan niet antwoorden, ik denk niet dat ik zoveel waziger zie. Ik zie vervormd.’ Mijn stem trilt. Ik huil.
De oogarts zucht. Hij schuift de foreptor opzij en neemt een papier bij de hand. Daarop staan verschillende dwarsdoorsnedes van ogen getekend. Hij wijst een prent in het midden aan. ‘Kijk eens naar deze,’ zegt hij, ‘ik denk dat je last heb van wat rondzwevende vlokken in je ogen.’
Ik neem het papier over. ‘Ik zie geen vlokken,’ zeg ik, ‘ik zie vervormd.’
‘Misschien dat je dénkt dat je vervormd ziet,’ zegt hij. Hij zucht nogmaals. ‘Als je het echt wilt weten, dan doen we volgende dinsdag een onderzoek van de binnenkant van je oog. In het ziekenhuis. We spuiten een vloeistof in je oog en interpreteren dat met de computer. Let wel: je gaat een hele dag een gele tint zien in alles.’
Hij zegt het alsof ik dat bezwaar echt in overweging moet nemen.
‘Ik wil het’, zeg ik. ‘Graag vroeg in de voormiddag, ik moet tegen de middag in Brussel zijn.’
‘Oké’, zegt de oogarts. Hij neemt plaats achter zijn oude computer en vult mijn dossier aan. Intussen bestudeer ik de tekeningen. Op de onderste lijkt er een stuk van het oog als behangpapier af te bladderen.
‘Wat is dit?’ vraag ik.
‘Oh,’ zegt de oogarts, ‘dat is een netvliesloslating, dat kan jij onmogelijk hebben. Dat zou ik wel gezien hebben. Is meer voor oudere mensen.’
‘Ah’, zeg ik. Ik blijf naar de tekening kijken.
‘Ik heb een afspraak gemaakt’, zegt de dokter uiteindelijk. ‘En dit’ – hij geeft me een briefje – ‘is een voorschrift voor sterkere lenzen, die heb je in elk geval al zeker nodig. Geef het maar af in de winkel.’

Vanaf dat moment is het aftellen. Nog vier dagen voor het onderzoek waarvan ik er drie moet werken. Zondagsdienst. Ik kan me niet concentreren. De letters dansen steeds uitbundiger. Ik zit te huilen voor het scherm, maar probeer niets te laten blijken. Ik huil enorm veel. Dagelijks, uurlijks, minutelijks. Zijn het geen bestaande woorden, ik vind ze nu uit. Ik word blind, denk ik, ik zie wat ik zie, en het ziet er slecht uit. Mijn lief weet niet zo goed wat te zeggen, maar ik ga luidop rekenen. Vierentwintig ben ik. Stel dat ik nog zestig jaar leef. Ik zal compleet nutteloos zijn, compleet onvolmaakt. Ben ik niet net bezig om van mijn grote passie mijn job te maken? Heb ik niet net met tien gedichten gedebuteerd in Het Liegend Konijn en ben ik nu niet met een paar uitgevers aan het onderhandelen voor een bundel? Hoe moet ik die dingen in hemelsnaam voortzetten als ik niet meer in staat ben te lezen, en bijgevolg te schrijven? Moet ik braille leren? Hoeveel tijd heb ik nog?

Ik zie mezelf nog in de kamer staan, mijn mobieltje in de hand. Zoekend naar de voicerecorder en het pad ernaartoe – de juiste toetsen en hoeveel keer klikken erop – memoriserend. Op amper twee weken tijd brengen mijn ogen me van de rand van de doorbraak naar de rand van de depressie. 

Eindelijk dinsdag. Mijn moeder brengt me naar het ziekenhuis voor het onderzoek. Zo ben ik achteraf sneller in Brussel. Een vloeistof, mijn zicht wordt geel en ik zie de oogarts bleek wegtrekken. Bleek. Door het gele heen zie ik dat.
Mijn moeder ziet het ook. ‘Wat is er?’ vraagt ze.
De oogarts knippert even met zijn ogen, slikt dan en vraagt: ‘Roeselare of Gent?’
‘ Wat bedoel je?’ vraagt mijn moeder.
‘Welk ziekenhuis verkiest u?’ vraagt hij. ‘Uw dochter moet vandaag nog onder het mes.’
Gent. Dat ligt het dichtst bij Bonheiden. Binnen via spoed en meteen op de stoel bij de dokter daar. Die heeft geen gele vloeistof nodig om te zien wat er aan de hand is. ‘Maak haar klaar,’ zegt hij tegen zijn assistent. Hij zegt het vooraleer hij mij informeert. Zijn handen op mijn schouder: ‘Mevrouw, u hebt een netvliesloslating.’ Het is dinsdag 1 juli 2008, de puzzelstukjes vallen samen.

 

Januari 2019

Ik zoek Carine Lampens, de weduwe van Marcel van Maele, op voor dit nummer. Wat ik wil weten: 1) hoe is het bij Marcel gegaan? 2) Hoe ‘overleeft’ een schrijver, maar in de eerste plaats een mens, het steeds maar voortdurende verlies van zijn zicht tot hij uiteindelijk stekeblind wordt en 3) hoe is hij in godsnaam blijven schrijven én optreden?

1) Marcel heeft altijd dikke brilglazen gehad, zegt Carine, die hem midden jaren tachtig leerde kennen als begeleidster voor slechtzienden. Hij was erg bijziend, had een fragiel netvlies en stroef oogvocht. Dat was de diagnose. Eind ’85 raakte zijn netvlies los. Eén oog was meteen naar de vaantjes na een mislukte operatie in het Antwerpse Middelheimziekenhuis. De verantwoordelijke arts was zogezegd de beste in zijn vak. De manier waarop Carine de dokter beschrijft, lokt herkenning uit bij mij. Ik vertel hoe ik als vierjarig kind aan de hand van mijn moeder ook naar Antwerpen ben gegaan voor een consultatie bij een zeer gerenommeerde oogarts. Die vroeg echter meteen twintigduizend Belgische franken onder tafel vooraleer hij aan de operatie zou beginnen. Mijn moeder is het toen afgetrapt. Carine knikt. Het moet dezelfde dokter zijn. Zo was hij. Niet te geloven.

Het andere oog van Marcel kreeg twaalf operaties. In Leuven. Waren de artsen daar beter? Leuven was heel menselijk en professioneel. Behalve een arts die daar als assistent werkte en daarna in het Antwerpse jarenlang Marcels oogarts was. Hij schreef steeds allerlei oogdruppels voor. Tot Marcel op een bepaald moment vraagt: ‘Moet dat?’ ‘Kiest gij maar’, antwoordde de arts. Dit voorval was wel de ‘druppel’ van zijn eerder charlataneske geldwolf-attitude tegenover zijn patiënten.

Het was dweilen met de kraan open. Marcel zijn ogen bleven achteruitgaan. Hij behielp zichzelf vanaf ’86 met brillen, vergrootglazen en schurkte dicht tegen de tv aan. Hij probeerde alles, behalve rondlopen met een witte stok of braille leren. Dat laatste heeft hij nooit willen doen. Koppig was hij. Zolang hij nog kon zien, bleef hij zijn zicht gebruiken. Zijn centraal blikveld was op een bepaald ogenblik helemaal weg, maar schuin kon hij met één oog lange tijd nog zien. De laatste ingreep die plaatsvond was een hoornvliestransplantatie, maar die haalde niets meer uit.

Weerom herkenning. De operatie van 1 juli 2008 was ook voor mij niet de laatste. De behandeling werd door het getalm van mijn arts erg gecompliceerd. Ik kreeg in Gent een olie in mijn oog gespoten die het netvlies op zijn plaats moest houden. Een olie die drie maanden later met een nieuwe operatie weer moest verwijderd. Een jaar later kreeg ik opnieuw een ingreep. De olie had mijn inwendige lens zo aangetast dat ik cataract had ontwikkeld. Mijn zicht uit dat oog op dat moment: vijf procent. Nog een jaar later daalden mijn visuele prestaties opnieuw. Nu bleek het lenszakje dat mijn ooglens in positie houdt, volledig te zijn verkalkt door alle voorgaande ingrepen. Laseren. Het resultaat vandaag? Eén oog met verminderd en één met nog steeds vervormd zicht. Of ik nog kan autorijden, vroeg ik mijn arts ooit eens. Hij dacht zeker tien seconden na – staarde naar beneden, trok aan zijn onderlip – vooraleer hij ‘ja’ zei. 

2) Als ik Carine vraag wat het met Marcel deed, dat blind zijn en worden, knikt ze opnieuw. Ze vertelt hoe hij in ’89 – toen hij nog ternauwernood zag – negen maanden lang lusteloos thuiszat. Hij isoleerde zichzelf, sliep veel en volgde bijvoorbeeld fanatiek de Roemeense revolutie op tv. Daar ging hij helemaal in op. Hij was zichzelf niet, wist Carine, maar op dat moment was de oorzaak van de depressie voor Marcel onbespreekbaar. Pas twee jaar later, toen hij helemaal blind was, kon hij het benoemen: het blind worden dreef hem naar de afgrond. In feite lag het creatieve proces van Marcel zo goed als stil in de overgangsperiode. Hij kon pas goed terug aan de slag toen het licht helemaal uit was. Daarna deed hij weer actief aan kunst en zag hij er ook het komische van in. Hij staat bekend om zijn voordrachten waarin hij zichzelf laat souffleren door een dictafoon. Pas toen hij ook longvlieskanker kreeg in 2008 klaagde hij weer over zijn blindheid. ‘Ge vergeet dat ik blind ben,’ zei hij toen soms misnoegd. En toch wilde hij nooit als blinde kunstenaar worden opgevoerd.

3) Hij kreeg een dictafoon van een vriend. Daarmee ging hij aan de slag. Hij sprak dingen in. Losse zinnen, hele teksten, ideeën. Carine hield de tapes bij of schreef de zinnen en woorden op fiches. Hij leerde schrijven op een klembord met elastieken die hem wat rechter en gerichter op het blad deden schrijven. In de Vendée op vakantie schreef hij ook opnieuw met de hand, blindelings op een notablok. Zijn woorden waaierden uit over het blad. Hij scheurde de teksten van het blok en stak ze op een prikker. Carine zette ze om, typte ze over, sprak ze in. Ze trachtte die teksten dan zo vlug mogelijk te ontcijferen. En zijn vriend, beeldend kunstenaar Tone Pauwels, maakte een computer voor hem zodat hij zijn tapes kon ordenen.

Uiteindelijk vonden ze een systeem dat zich telkens weer aanpaste. Voor een gedicht bijvoorbeeld schreef Carine woorden en zinnen van op de tape of op het notablok op genummerde fiches over. Wanneer Marcel dan een gedicht wilde maken, gingen ze elk aan een kant van de tafel in de werkkamer zitten en las Carine continu de teksten voor. Marcel legde dan linken, voegde er zinnen aan toe of liet er weg en bedacht hoe de tekst eruit moest zien. ‘Drie laten vallen,’ zei hij dan, ‘Vijf met achttien samenvoegen.’ Een huzarenstukje dat niet altijd zonder geruzie voltooid werd. Hij werkte naderhand veel meer met cycli. En alles werd meer uitgepuurd. Dat is misschien een gevolg van zijn blindheid. Of van zijn leeftijd.

Om de bloemlezing Krassen in wat was samen te stellen, werd beroep gedaan op Lucienne Stassaert. Duizend gedichten werden bovengehaald. Lucienne las ze meermaals voor en Marcel koos. Ook Lucienne liet haar mening horen. Wanneer een gedicht hen beide niet meer beviel, voelde Marcel dat. ‘Vreemd hé,’ zei hij dan.

Alleen theaterteksten maken lukte niet meer. Daar kon Carine niet bij helpen, hoe zeer ze ook probeerde. Hij had nochtans nog een hoop ideeën. Hij praatte er met Jan Decleir over. Over een stuk dat Een zilveren schedel en een glazen oog zou heten. Het is niet verschenen. Marcel zocht er geen andere hulp voor.

Voor mij ligt Over woorden gesproken, een dichtbundel die in 2006 bij uitgeverij P verscheen. Alle gedichten heeft Van Maele blind geschreven. En ja, ze zijn inderdaad uitgepuurd en heel netjes in cycli ondergebracht. Het experimentele kantje is er helemaal af gevijld. Dit zijn klassieke gedichten. Wanneer ik de bundel doorblader, zien de gedichten eruit zoals bij een ziende dichter. Niets verraadt het proces, de uren met Carine aan de werktafel. Ik kan het niet geloven. En toch weer wel. Als je maar lang genoeg de woorden herhaalt, dan zie je de bladspiegel wellicht des te scherper voor je, omdat er niets anders te zien valt. Samenvallen op het blad met het gedicht. Wat wit is op het papier wordt zwart achter de oogleden, en omgekeerd. Schrijven in negatief, zoiets.

Naar aanleiding van deze tekst heb ik het ook eens geprobeerd. Blind gedichten schrijven. Ik sloot mijn ogen en begon te typen. Gestamel is het, gemijmer. Ergens schrijf ik dat ik de woorden niet kan onthouden. Dat ik niet weet waar ik in het gedicht beland ben. ‘Ik leef in een continu nu,’ typte ik. ‘Een conti-nu.’ Dat moet voor Van Maele ook zo geweest zijn.

Tenminste, als Carine er niet was geweest.

Marcel van Maele revisited in De Zwarte Panter

MARCEL VAN MAELE EX MACHINA

Tien jaar na het overlijden van cultdichter Marcel van Maele buigt Deus Ex Machina zich over zijn nalatenschap. Het nummer én een heruitgave van Van Maeles Pamflet I worden feestelijk voogesteld op 12 april om 20 uur in Galerie De Zwarte Panter. Wie komt, danst op de plaatjes van Bert Lezy en met een glas echte Van Maelewijn in de hand.

De nieuwe Deus Ex Machina komt eind deze maand uit! Tien jaar na het overlijden van de cultdichter Marcel van Maele buigen DEM-redactrices Sylvie Marie en Anneleen van Offel zich over zijn erfenis. Conclusie: Marcel van Maele leeft nog steeds, misschien zelfs meer dan ooit!

Om dat te vieren wordt op 12 april – in Marcels verjaardagsweek – om 20 uur in Galerie De Zwarte Panter uit het werk van Van Maele en de bijdragen in DEM168 voorgelezen. Dat gebeurt in vlammende Van Maelestijl.
En, heel belangrijk: DEM stelt ook PAMFLET 1 voor, de heruitgave van Marcels bundel uit 1960. Wie blijft napraten doet dat op de plaatjes van Bert Lezy en kan een glas Pomme Charelle drinken, wijn gemaakt door Karel van Maele, neef van Marcel.

Over DEM168:
Over de erfenis van Marcel van Maele getuigen onder anderen Lucienne Stassaert, Kila van der Starre, Roel Richelieu Van Londersele en Patrick Conrad. Anneleen van Offel interviewde Carine Lampens, de nog steeds in Antwerpen wonende weduwe van Van Maele en Sylvie Marie haakt haar ervaringen met een netvliesloslating vast aan de oogproblemen en de latere blindheid van de kunstenaar. Naadloos sluit daar het dossier ‘Poëzie in de openbare ruimte’ op aan waarvoor Stan Lafleur, Maud Vanhauwaert, Astrid Haerens en Jan Ducheyne in hun pen kropen. Meer dan in andere nummers is er in deze DEM ruimte voor beeld. Vincent van Meenen, Renaat Ramon en Bert Lezy (zie ook de afbeelding bij dit bericht) maakten nieuw werk ter ere van Marcel van Maele.

Over Pamflet 1:
In april 1960 schreef Marcel van Maele op één weekend tijd PAMFLET 1, het zijn vurige poëtische nota’s over het bewustzijn die vloeiend in elkaar overlopen. Het gestencilde boekje was nergens nog te vinden, behalve in het archief bij zijn vrouw Carine. Het wordt nu opnieuw aan het publiek gegeven en op honderd exemplaren herdrukt met de steun van Antwerpen Boekenstad.

Beide uitgaven kosten 10 euro/stuk en kan u de avond zelf kopen, of nabestellen via de website en diverse boekhandels.

Wie bij de uitgaven een abonnement neemt, betaalt 30 euro.

Zie ook facebook: https://www.facebook.com/events/2370234816581948/

 

DEM 167 : Alfred Hitchcock

CZ-Hitchcock-Advertentie-2018-page-001Voorwoord bij het Hitchcock nummer

‘Un film n’est pas un album d’images stylisées, pas plus qu’une pièce de théâtre filmée. C’est une histoire racontée avec des images comme un roman est une histoire racontée avec des mots’, schreef de Franse filmcriticus/scenarist/regisseur/auteur Alexandre Astruc in een beroemd geworden essay in L’Écran français uit 1948. De filmmaker-auteur, aldus Astruc in ‘Le Caméra-Stylo’, ‘schrijft met zijn camera zoals een schrijver schrijft met zijn pen’. Astruc stond hiermee samen met André Bazin en François Truffaut aan de basis van wat de auteurscinema zou worden: cinema waarin de regisseur gezien wordt als de belangrijkste creatieve kracht bij het maken van een film.  Net zoals de schrijver dat is bij het schrijven van een literaire tekst.

Interessant aan dit concept is dat de cinema hier – om zich te emanciperen van de Amerikaanse filmindustrie waarin de regisseur louter als een schakel gezien wordt in de grote machinerie van het filmproces én tegelijkertijd om zich op deze manier als een volwaardig kunstgenre op de kaart te zetten – teruggrijpt naar de literatuur. Alfred Hitchcock (1899-1980) speelde in deze ontwikkeling een belangrijke rol. Met name François Truffaut verwonderde er zich over waarom iemand als Hitchcock in de Amerikaanse filmindustrie niet voor vol werd aanzien. Zijn bewondering en fascinatie voor ‘filmauteur’ Hitchcock zou in 1962 uitmonden in zijn legendarisch monsterinterview met de meester zelf; een tweegesprek dat vier jaar later in boekvorm zou verschijnen.

Niet iedereen was uiteraard even enthousiast over het gefilosofeer van Truffaut, Chabrol, Rohmer en andere Nouvelle Vague-kornuiten. Daarbij komt nog dat het ‘auteurs’-begrip op zich het sinds eind jaren zestig steeds moeilijker kreeg. Denk maar aan Roland Barthes en andere poststructuralisten die de ‘auteur’ officieel dood verklaarden.

Los van dit alles had Hitchcock Truffauts politique des auteurs niet nodig om zich met een literair aura te omgeven. Bijna alle 53 films en 20 afleveringen van televisieseries die Hitchcock zelf regisseerde zijn gebaseerd op literaire werken – romans, kortverhalen en, in iets mindere mate, toneelstukken. Heel veel werk van zogenaamde tweede- en derderangs auteurs, veel thrillers en spionageromans, pulp fiction en penny dreadfuls en – zeer sporadisch – een gecanoniseerd werk uit de wereldliteratuur (zoals Joseph Conrads The Secret Agent (1907), dat in 1936 werd verfilmd als Sabotage). Daarnaast kon Hitch een beroep doen op de diensten van veel schoon volk uit de literaire wereld: Raymond Chandler, John Steinbeck, Patricia Highsmith, Evan Hunter, George Tabori, Roald Dahl en Maxwell Anderson – om het bij dit zevental te houden.

Wat is beter, het boek of de film? Een veelal overbodige en zelfs ridicule vraag. Dat geldt zeker voor het oeuvre van Hitchcock, een regisseur die zijn verhalen in de eerste plaats met beeld en geluid vertelt, zonder daarbij al te gemakkelijk van dialogen gebruik te maken. Getuige daarvan de briljante, woordloze, half uur durende achtervolging van James Stewart in Vertigo (1958). Of – in de woorden van scenarioschrijver Ernst Lehman – de fameuze crop duster scene uit North by Northwest (1959): ‘Nothing happens for almost eight minutes and it still holds your attention’.

Deze DEM wil de wisselwerking tussen film en literatuur in Hitchcocks werk verder exploreren. Bavo Dhooge – naast schrijver van ‘100 boeken’ sinds kort ook de auteur van het nietsontziende, fascinerende vaderboek Sr – opent de dans met een tekst over Hithcocks jeugdjaren en de plaats die zijn vader in zijn leven en werk inneemt. John Vervoort zoomt in op Hitchcock en Patricia Highsmith, Max Moragie op Psycho-auteur Robert Bloch en Ivo De Cock op Hitchcocks Vertigo, een superieure adaptatie van Boileau-Narcejacs D’entre les morts (1954). Welp-regisseur Jonas Govaerts verwoordt  zijn fascinatie voor Hichcocks voorlaatste film Frenzy (1972). Orlando Verde en DEM-redacteur Michiel Leen focussen op de nogal problematische plaats die vrouwen in Hitchcocks leven en werk innemen. Guido Van Eijck schreef een kort essay over Hitchcock als meester van de (zelf)promotie.  Dichters Alexis de Roode, Moya De Feyter, Stefanie Huysmans en Delphine Lecompte lieten zich inspireren door leven en werk van Hitchcock. Annelies Van Parys, Gaea Schoeters en Jen Hadfield grepen terug naar Rear Window (1954). Het leverde de opera Private View op. Wij publiceren een Nederlandse vertaling van een fragment uit het libretto. Verder vertaalden we ‘Back for Christmas’, een kortverhaal van John Collier uit 1939 dat Hitchcock zeventien jaar later zou verfilmen als aflevering in de ‘Alfred Hitchcock presents’-serie. En we vertaalden ‘Gas’, een van de zeldzaam bewaard gebleven literaire teksten van Hitchcock zelf. De Amerikaanse schrijfster Shannon Reed sluit het themagedeelte af met ‘Hitchcock na therapie’, vijf korte Hitchcock-Spielereien vertaald door Sofie Verraest.

Deze keer hebben we geen mini-focus, wel een uitgebreid essay van Tommy van Avermaete over voormalig Nobelprijswinnaar Imre Kertész, de holocaust en de problematische relatie die het Hongarije van Victor Orbán hiermee heeft. Yoeri Hostie debuteert als prozaschrijver met ‘The Big Rip’. Daarnaast vindt u in deze DEM nog poëzie van Sara Eelen, Kristien Spooren en opnieuw Stefanie Huysmans.

De redactie

Hamburg – Antwerpen. Literaire uitwisseling Tau//Deus Ex Machina

Drie jaar geleden kwam de redactie van Deus Ex Machina in Hamburg voor een verrassing te staan: tot hun grote verbazing bleek deze roemrijke hanzestad een volwaardig literair tijdschrift te ontberen. Tot… in maart 2018 Tau het levenslicht zag

Het Belgische literaire tijdschrift bracht intussen een best-of van zijn Duitse sateliet als minifocus in DEM 165 (Queer) en haalt haar poulains nu ook naar Antwerpen.

Café Boekowski vormt het toneel voor een heuse tweetalige literaire uitwisseling. Tau zendt Lütfiye Güzel (Duisburg), André Patten (Köln), Marie-Alice Schultz (Hamburg) en Jonis Hartmann (Hamburg) uit om een selectie van hun werk te brengen. Deus Ex Machina selecteerde Akim A. J. Willems en Nele Buyst die hun vrije bijdragen uit DEM 165 voorlezen en Stefanie Huysmans die ons met haar werk vooruit doet blikken naar DEM 167 (Hitchcock).

De avond wordt feestelijk afgesloten met ‘Hamburgse muziek’ van onder meer Abwärts, Die Goldenen Zitronen, Andreas Dorau, Blumfeld, Jan Delay en Udo Lindenberg.

I.s.m Tau · zeitschrift für literatur en dasKULTURforum

Inkom: 5 euro (Incl DEM 165 of DEM 166).

Meer info op facebook: https://www.facebook.com/events/556979568089771/

Antwerpen en Hamburg: literaire zustersteden

tau_CoverToen de redactie van Deus ex Machina een bezoek bracht aan Hamburg op zoek naar interessant voedsel voor een nieuw nummer, kwam ze tot de verbijsterende vaststelling dat deze roemrijke hanzestad niet eens een literair tijdschrift had! Meer dan een bedenkelijke Belgische blik had het Forum (Hamburger Autorinnen und Autoren) echter niet nodig om tot actie over te gaan. Drie jaar later – maart 2018 – zag het Hamburgse geesteskind van Deus ex Machina het literaire licht: Tau was geboren.

Het Belgische literaire tijdschrift bracht intussen een best-of van zijn Duitse sateliet als aparte bijlage in het queer nummer en samen organiseren ze twee literaire avonden in België.

Op vrijdag 23 november (20 uur) een tweetalige literaire avond in Café Boekowski.

De Duitsers brengen Lütfiye Güzel (Duisburg), André Patten (Köln), Marie-Alice Schultz (Hamburg) en Jonis Hartmann (Hamburg) mee. Deus ex Machina zet er een viertal auteurs van eigen bodem tegenover. De avond wordt feestelijk afgesloten met ‘Hamburgse muziek’ van onder meer Abwärts, Die Goldenen Zitronen, Andreas Dorau, Blumfeld, Jan Delay en Udo Lindenberg.

Op 22 november een literaire avond in Hanse Office Brussel om 18.30 uur met een exclusief Duitstalige presentatie van het eerste nummer van TAU.

Meer info volgt.

Tweetalige literaire avond: hou het Antwerpse DasKULTURforum en café Boekowski in de gaten.
Duitstale voorstelling nieuw nummer Tau: Hanse Office Brussels.

De website van van TAU.

DEUS EX MACHINA NR 166: Microfictie

Dit nummer werd samengesteld door gastredactrice Sofie Verraest.

Bij wijze van voorwoord: Het liggende gedicht

In 2014 wordt A. L. Snijders, schrijver van ultrakorte verhalen, samen met een handjevol dichters uitgenodigd op Literatuur Late Night in Den Haag. Ervan overtuigd dat hij ‘echt als dichter’ is gevraagd, heeft Snijders ter attentie van het publiek print-outs van zijn ‘stukjes’meegebracht. ‘En die zijn zo.’ Hij toont de bladspiegel aan de zaal en tracht met zijn hand de regels een eindje verder te wuiven. ‘Maar,’ zegt hij, terwijl die hand als een arend boven de zwarte balk tekst blijft zweven, ‘als je ze nu afkapt!’ Hij trekt een paar denkbeeldige lijnen door de tekst, verticaal. De lange rechthoek is nu opgesplitst in een drietal vierkantjes. ‘En zo zet!’ Hij maakt een slepende beweging van rechtsboven naar linksonder, zodat de vierkantjes uiteindelijk onder elkaar lijken te staan. ‘Dan wordt het echt poëzie! Maar er staat precies hetzelfde. En daarom heb ik bedacht, gewoon, vanmiddag’ – wait for it – ‘dit noem ik liggende gedichten.’

Het gevaar bestaat dat dat niet helemaal duidelijk is, dus hij voegt er nog aan toe: ‘Terwijl de meeste poëzie staand is.’ Korte pauze voor het effect. ‘De meeste poëzie is staande poëzie.’

Snijders is in ons taalgebied de koning van het ultrakorte verhaal. Gekroond en gezalfd. Maar het is een geluk dat deze koning met plezier de mantel voor het narrenpak verruilt. Zelfs in eigen land blijft het af en toe improviseren.

Dienovereenkomstig heb ik mijn rol als gastredacteur van dit nummer rond microfictie bescheiden opgevat. Ik arrangeer een kleine ontmoeting met het genre. Tegelijk is dat gevaarlijk: it’s the hope that kills you. Mijn, potentieel dodelijke, hoop is die van de matchmaker:dat ik voor elk wat wils kan oprakelen. Dat iedereen in dit nummer een microverhaal vindt om van te houden. Daarom een greep uit het assortiment – maar dan wel zo goed mogelijk, wat wil zeggen zo breed mogelijk. Met diversiteit als richtlijn. Als een genre zijn plaats in het veld nog niet helemaal heeft gevonden, is de verleiding groot om meteen al in te perken. Je zoekt de meest kenmerkende voorbeelden bijeen en stopt ze in een hokje. Terwijl je van het ene op het andere been verspringt, wijs je ernaar en roept: ‘Dit! Dit is het!’

Dit nummer van Deus ex machina is mijn poging om dat niet te doen. In de bloemlezing vind je zowel Fleur Jaeggy als Grace Paley. In het duistere ‘De steriele kamer’ plaatst Jaeggy de zinnen zo naast elkaar dat ze op mysterieuze manier beginnen te resoneren. Een beetje zoals dat in poëzie gebeurt, begint de vorm van de taal zelf te spreken. Daartegenover staat Paleys ‘Een man vertelde me zijn levensverhaal’. Het eigenlijke verhaal telt twee woorden: ‘Vicente zei’. De rest is Vicente’s leven in de directe rede. Hij vertelt ons in de meest alledaagse taal over zijn meest ingrijpende momenten. In Lydia Davis’ ‘Ei’ verschuift de alledaagsheid naar de momenten zelf. Geen grote keerpunten hier, maar twee baby’s die naar hetzelfde voorwerp op het tapijt gaan kijken en iets brabbelen wat nog net geen woord is. In mijn essay in dit nummer, ‘Drie schrijvers gaan een café binnen’, vind je iets meer over dat alledaagse in het werk van Davis. Zelfs Engelstalige microverhalen hoeven kennelijk niet zo flitsend te zijn als de meest gangbare flash fiction het wil.

‘De herfst’ is nog een ander paar mouwen. Dat komt uit het magistrale Fritz Kocher z’n opstellen, destijds al even magistraal vertaald door Jeroen Brouwers. Wat doet Robert Walser eigenlijk in dit boek? Zogezegd is het een verzameling schoolopstellen van de jonge Fritz. Is het een verhalenbundel? Een experimentele roman? Of – helemaal niet zo experimenteel – gewoon een soort briefroman, maar dan in opstellen? In elk geval komt het uit een fictieboek. Dat kan van ‘De martelaar tegen wil en dank’ niet gezegd worden. Maar dat is Nietzsche dan weer. En hoe verschillend is Kafka’s verhaal niet van zowel Nietzsche als Walser. Wim Michiel klaart een en ander uit in zijn essay over de Duitstalige microfictie van die periode.

De Deense Signe Schmidt Kjølner Hansen brengt ons in haar verhaal van een Franse film recht naar een bouwkraan en van daar recht naar de ‘Dinosaurus’ van de titel. Haar associatieve op-de-tast doet nog het meest denken aan een bepaald soort Latijns-Amerikaanse microfictie. Aan een ander soort lapt de Argentijnse Silvina Ocampo met ‘De geliefden’ rustig haar laars, zoals Bieke Willem uitlegt in haar essay ‘Verrassing!’ Zelfs het stuk van Snijders in deze bloemlezing is een atypisch Snijdersverhaal – wel zo dat het, o ironie, weer in de buurt komt van een gebruikelijker soort microfictie. Daar kan je de tekst van Koen Rymenants op naslaan.

Naast de bloemlezing zoeken dus ook de vier essays de rafelige randjes van de microfictie op. In het rijtje van vier heb ik overigens – alweer hoopvol – de Nederlandstalige literatuur samen met drie solide tradities van microfictie opgenomen die hier vrij goed bekend zijn: de Engels-, Spaans- en Duitstalige. Omwille van de samenhang zijn die in de bloemlezing iets sterker vertegenwoordigd dan de andere taalgroepen. Verder heb ik qua taal en herkomst toch zoveel mogelijk gevarieerd, al blijft het te eurocentrisch (graag iemand die dit corrigeert). Ook moesten minder bekende schrijvers naast grote namen staan. Ten slotte was er een criterium waarvoor ik zonder spijt alle andere liet varen: ik wilde minstens evenveel vrouwelijke als mannelijke auteurs in de bloemlezing.

Het resultaat van die rigide, scrupuleuze omgang met selectiecriteria is… eerlijk? Willekeur. Maar naar ik hoop van een andere aard dan de willekeur die een al te eenzijdig en gesloten genrebegrip aankleeft. Naar ik hoop het soort willekeur dat ontstaat wanneer je iets opentrekt dat het een lieve lust is, wijd, wijd, wijd.

Sofie Verraest – samensteller DEM 166

De microfictie-focus wordt aangevuld door Larissa Viaene die zeven speelse, intuïtieve illustraties maakte bij evenveel verhalen uit de bloemlezing; én door tien ultrakorte teksten van de Nederlandstalige laureaten van de EACWP-wedstrijd. Meer info hierover leest u verderop in dit nummer. En last but not least maken we in deze DEM behoorlijk wat plaats vrij voor de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Manon Smits vertaalde exclusief een achttal korte beschouwingen uit ‘Il Nuovo Barnum’ (2016) over onder meer voetbal, 9/11, de dood van Gabriel García Márquez en vriendschap in het pre-Facebooktijdperk. De vrije inzendingen hebben we opgespaard voor de laatste uitgave van dit jaar.

Memorial J.M.H. Berckmans

vrijdag_berckmans1Deze zomer, tien jaar na zijn overlijden, wordt J.M.H. Berckmans alom herdacht. Deus Ex Machina gaf al een bescheiden startschot voor  met een minifocus, een verzameling onuitgegeven teksten – zeg maar collectors item – van en over Pafke. Na de aftrap in de Boekowski volgt nu een heuse Berckmans-memorial georganiseerd door het Letterenhuis: voorstelling van zijn biografie, inhuldiging van een genkplaat, expo, documentaires en activiteiten. Het volledige programma vindt u hier!

Praagse Lente: recensie van Bronja Prazdny: VERLOREN TAAL

Als aanvulling op het themanummer ‘De Praagse lente’ DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. Deze week: Bronja Prazdny: VERLOREN TAAL

GEEN SLAPENDE WOORDEN WAKKER MAKEN

De ouders van Bronja Prazdny behoorden tot de stroom van Tsjechen die in de maanden na de Russische inval van 21 augustus 1968 het land ontvluchtten. Ze leerden elkaar kennen in Nederland, trouwden, kregen een dochter maar bleven niet bij elkaar. Wat de allesbepalende stap door het IJzeren Gordijn leek bleek slechts één etappe op een levenslange vluchtweg. In Verloren Taal – een zoektocht naar mijn familie onderzoekt Bronja Prazdny hoe die ontsnapping van 1968 past in een patroon dat generaties omspant en welk effect die constante migratie op haarzelf heeft gehad.

Door Max Moragie

 

Het familieverhaal heeft wel wat weg van een toeter: het beginstuk is smal, bestaande uit de schrijfster en haar moeder, maar gaandeweg loopt het uit in een waaier van landen, mensen en talen. Moeders kant van de familie is joods, kwam uit Bohemen, Oostenrijk en Hongarije en sprak Jiddisch, Duits, Tsjechisch, Slowaaks en Hongaars. Een groot deel van hen kwam in de trechter van de Endlösung terecht en eindigde in de Poolse vernietigingskampen. De weinige overlevenden waaierden opnieuw uit: naar Engeland, Israël, Nederland. Wat van de doden overblijft bestaat uit foto’s, lijsten van gedeporteerden en af en toe een brief.  Verloren Taal is een poging in ieder geval de samenhang tussen al die mensen te reconstrueren, en dat vaak noodgedwongen vooral aan de hand van officiële documenten. Bronja en haar moeder, Hanna, reizen achtereenvolgens naar Engeland, Israël en Tsjechoslowakije, bezoeken achterneven en achternichten maar vooral staatsarchieven en buurten waar de familieleden ooit gewoond hebben. 

Achtergehouden

Boeken zoals dat van Bronja Prazdny zijn er natuurlijk meer geschreven. Philo Bregstein ging bijvoorbeeld op zoek naar zijn joodse familie in Litouwen, in Terug naar Litouwen. Ook Ethel Portnoy schreef over haar Oost-Europese verwanten en in de romans van veel andere joodse of half-joodse schrijvers, zoals Marcel Möring en Harry Mulisch, zijn familieverhalen in pure of verkapte vorm van belang. Maar daar situeert zich gelijk een groot verschil met Verloren Taal. Gesproken overlevering speelt slechts een ondergeschikte rol in dit boek, zelfs de schriftelijke is onvolledig en dat heeft alles te maken met de tekortkomingen van het geheugen. In collectieve vorm schiet het tekort, wanneer voor de zoveelste keer blijkt dat documenten zijn verdwenen of achtergehouden, en in individuele wanneer personages er niet op kunnen vertrouwen. Bronja’s moeder blijkt over een ‘gatenkaas’ te beschikken. Cruciale gebeurtenissen herinnert ze zich niet of verkeerd. Het komt zo vaak voor dat je als lezer de verdenking krijgt dat de psychologe opzettelijk zaken heeft verdrongen of verdraaid. Wie overleeft voelt zich immers schuldig. Voor ieder die is ontkomen zijn er diverse die zijn achtergebleven. Hanna’s vader ontvluchtte in 1966 Tsjechoslowakije met zijn tweede echtgenote en liet zijn zestienjarige dochter alleen achter in Praag. Maar Hanna zelf vertrok tijdens de Praagse Lente naar Engeland voor een studentenuitwisseling, kwam niet meer terug na de invasie en liet haar grootvader alleen achter om te sterven.

Partijtrouw

Waarom vluchtte Hanna’s vader? Dokter Drexler – ‘Opa Pista’ voor Bronja – zou hebben ontdekt dat er nog in de zestiger jaren politieke gevangenen naar de uraniummijnen werden gestuurd, dit feit hebben toevertrouwd aan een westerse collega, die net als hij communist en partijlid was, en deze Britse arts zou in zijn naïviteit de zaak onmiddellijk hebben verraden aan de autoriteiten. Gewaarschuwd door vrienden binnen de partij kon Opa Pista nog tijdig vluchten. Een spannend verhaal, maar de schrijfster en haar moeder ontdekken dat dokter Drexler in het westen als eerste contact heeft gezocht met uitgerekend deze verrader en ook van zijn zogezegde ontdekking over de mijnen blijft niets overeind. Wilde de man gewoon weg uit het land dat hem, ondanks zijn partijtrouw, als jood niets dan een mager bestaan kon bieden?

Inwonende armoezaaier

Verloren Taal staat vol met dit soort doorprikkingen van leugens en halve waarheden. Het lijdt geen enkele twijfel dat de familie van de schrijfster zowel onder de nazi’s als onder de communisten voortdurend werd onderdrukt. Als het al niet om regelrechte doodsbedreigingen ging (de deportatie naar de kampen) dan wel om het frustreren van talent, het stelen van bezittingen of het simpelweg pesten. Illustratief is het lot van Bronja’s andere grootvader, Jozef. De Slowaakse ondernemer bleef tot 1944 gevrijwaard van deportatie, wegens zijn economisch belang, maar verdween toen alsnog naar Auschwitz. Hij overleefde en liep na de oorlog de vrienden af waar hij schilderijen in bewaring had gegeven – de enige manier om iets van zijn kapitaal veilig te stellen. De meesten beweerden de kunstwerken niet meer te bezitten, een enkele vrouw barstte in huilen uit, zo blij was ze dat hij had overleefd. Achter haar rug zag hij de schilderijen hangen, maar door heel het emotionele vertoon durfde hij ze niet terug te vragen, althans niet op dat moment. Hij zou wel laten zien dat hij sterker was dan wat rotschilderijen. De rest van zijn leven sleet hij bij zijn familie als inwonende armoezaaier, afgevend op het communisme tegenover iedereen die het maar horen wilde. Hij werd er niet voor vervolgd. Later ontdekt de schrijfster dat de geheime dienst ook meer geïnteresseerd was in het verwerven van het familiehuis dan in de zogezegd subversieve activiteiten van Jozefs schoonschoon, dokter Drexler. Onder het ideologische antisemitisme van zowel de nazi’s als de stalinisten zat een laag van doodordinaire afgunst.

Een onneembare barrière

Bronja zelf is geboren en getogen in Nederland, in de volle vrijheid van de zeventiger en tachtiger jaren. Toch is ook zij op die generatielange vlucht iets kostbaars kwijtgeraakt. Tot haar derde levensjaar sprak ze Tsjechisch. Toen haar vader en moeder uiteengingen gaf het kind de laatste daarvan de schuld. Ze weigerde halsstarrig nog naar haar moeder te luisteren als die haar in de moedertaal aansprak en reageerde enkel nog op Nederlandse woorden. De taal bleek niet veilig maar leugenachtig. De woorden werden verbannen naar de krochten van haar geheugen. Om nooit meer terug te keren. Alle latere pogingen in haar leven het Tsjechisch opnieuw machtig te worden liepen stuk op een onneembare barrière van weerzin. Die barrière sluit haar tijdens de reizen naar Israël en Praag af voor haar familieleden. Ze kan ze nauwelijks verstaan, terwijl haar moeder honderduit met hen praat. Ze sluit haar ook af voor de waarheid die in de talloze documenten ligt: de alsnog opgedoken brieven van haar grootvader, de rapporten van verraders en geheim agenten. Ook al worden er heel wat tippen van sluiers gelicht, de frustratie van de schrijfster over deze persoonlijke vorm van onbegrip neemt met elk hoofdstuk toe, zo erg dat uiteindelijk een psychotherapeute uitkomst moet bieden.

Grijstinten

Verloren Taal is een merkwaardig waarachtig boek. Terwijl de meeste auteurs hun best doen hun personages eenzijdig sympathiek of antipathiek voor te stellen toont Bronja Prazdny iedereen vol grijstinten. Haar reconstructie laat zien hoe permanent beschadigd mensen raken door niet aflatende vervolgingen. Ook al bevat deze geschiedenis tal van punten waar het leven weer een vrije vorm kon nemen – het einde van de Tweede Wereldoorlog, de stichting van de staat Israël, de Praagse Lente, de Fluwelen Revolutie – de psychische schade verdwijnt er niet door. Heling is een illusie. Het happy end wordt telkens weer uitgesteld. Dat is een belangrijke boodschap voor buitenstaanders: denk niet dat alles pais en vree is met vluchtelingen alleen omdat ze een nieuw leven hebben kunnen opbouwen. Maar al te vaak houdt voor ons het verhaal op, zodra de verblijfsvergunning is verleend en de Nederlandse taal is aangeleerd.

Is het beter het verleden te laten rusten in archieven, in ongeopende enveloppen en in zwijgen? Tijdens een van de sessies met de therapeute denkt de auteur ‘beter geen slapende woorden wakker maken.’ De vreugde over elke onverwachte vondst, elk weerzien met een lang vergeten familielid, wordt immers direct gevolgd door pijn over het gemis van daarvoor. En vaak valt er ook niets te zeggen, zoals wanneer Bronja het halfzusje leert kennen dat haar vader in de VS verwekte bij zijn nieuwe echtgenote. Ze zijn volkomen vreemden voor elkaar. DNA kan slechts tot op zekere hoogte verbindend werken. Veel van de familieverhalen zijn onaf, onvolledig, maar ook dat is waarachtig. De geschiedenis is geen kunstig geknoopt wandtapijt maar een rafelig kleed. Verloren Taal lijkt ook daarin meer op het echte leven dan op een gekunstelde historie. Tussen de oneffenheden zit stof voor romans en korte verhalen. In dit boeiende debuut van de journaliste Prazdny zit nog een beloftevolle schrijver van fictie.

Bronja Prazdny: Verloren Taal – een zoektocht naar mijn familie, is uitgegeven door Nieuw Amsterdam in 2016, 287 pagina’s.

©Max Moragie

DEUS EX MACHINA NR 165 : QUEER + Minifocus op TAU

DEM_164_Cover_DRUK_825_1640_56_1640_825_V2-page-001REDACTIONEEL

In den beginne was het woord.
En het woord was een manier om relaties aan te gaan tussen mensen. Om dingen aan te duiden en te delen met elkaar. Het woord was er om te communiceren. Toch zijn sommige dingen niet te vatten in taal.

Soms schiet de taal tekort. Eigenlijk was er vast iets anders dan taal in het begin. Wat wil dat overigens zeggen, ‘het begin’?

Woorden kunnen bedriegen, beledigen, verdoezelen, versluieren, vervagen. Een woord is een vorm, een aaneenschakeling van klanken die betekenis draagt. Maar betekenis zelf is vorm, noch klank. Betekenis staat niet vast. Een goed voorbeeld daarvan is het woord ‘queer’.

Oorspronkelijk was het een adjectief dat de betekenis ‘vreemd’ of ‘excentriek’ droeg, maar stilaan verschoof ‘queer’ naar een scheldwoord
voor homoseksuelen. Sindsdien legde de betekenis van het woord een enorme weg af en werd het zelfs trots gerecupereerd tot identiteitsbepaling voor een hele gemeenschap. Of net niet. Wie tot die gemeenschap behoort, ligt immers niet vast. De voorbije jaren breidde de gemeenschap zich uit van genderqueer tot veel meer dan dat. Vandaag is het een heuse parapluterm waaronder je homoseksualiteit en travestie kunt verstaan (vandaar de ‘Q’ in LGBTQA+) maar ook een politieke stellingname. In dat laatste geval betekent
‘queer’ verzet tegen élke identiteitsnorm, en niet enkel de heteronorm, omdat in- en uitsluiting er onlosmakelijk mee verbonden zijn.

Deus Ex Machina vroeg een aantal schrijvers om na te denken over twee QUEER woorden: Out now. Een klankverzameling die voor verschillende mensen een totaal andere betekenis blijkt te hebben: van ‘zich outen als’ over ‘een (der welke) identiteit aannemen’ tot ‘uit de hokjes breken’; van een imperatief om een identiteit aan te nemen (‘out yourself now!’) tot een aankondiging die betekent ‘nu beschikbaar, want nu herkenbaar’, van normbevestigend tot normdoorbrekend.

Taal is het basismateriaal van literatuur. Met een flauwe metafoor zou je kunnen zeggen dat schrijvers schilderen met woorden. Ze hakken met hun pen in de materie tot er een tekst overblijft. Uit onze vraag aan deze schrijvers ontstonden een hele reeks uiterst vreemde teksten.
Wij nodigen je uit deze woorden te volgen, om op zoek te gaan naar de verschuivende betekenissen en om op je eigen manier de waarheid
vorm te geven. Je zal zien: net zomin als er een begin is, is er een einde in zicht. En dat is maar goed ook.

We geloven dat queerteksten de verdienste hebben dat ze gaten slaan in een waardensysteem dat het vreemde soms dreigt uit te sluiten. We geloven dat het vreemde door deze gaten naar binnen kan kruipen om daar stilte en hokjes te breken.

In dit nummer ontdek je daarom een aantal essays, korte verhalen, gedichten en teksten die zich helemaal niets van die hokjes aantrekken.
De selectie is niet meer dan dat: een selectie. Buiten het vakje van dit nummer tref je nog veel meer ‘queerteksten’ aan. Aan jou om te bepalen
wat je met de gaten doet, en wie of wat je erdoor naar binnen laat. Wij blijven in elk geval openstaan voor meer woorden. Laat ze maar komen.

De minifocus bestaat deze keer uit een selectie uit TAU, een onlangs verschenen Hamburgs literatuurtijdschrift. Meer informatie over TAU en een antwoord op de vraag waarom DEM teksten uit het eerste nummer van TAU opneemt, vindt u in het nawoord dat op de mini-anthologie volgt.

Verder in dit nummer: het Engelstalige gedicht ‘My art’ van Adriána Kóbor en enkele visual poems van de
Hongaarse dichter-kunstenaar József Bíró. Afsluiten doen we met nieuw werk van Nele Buyst, Dinie Fintelman, Jan M. Meier en Akim A.J. Willems.

Carlien Coppieters, Ernest De Clerck, Nele Janssens
samenstellers DEM 165

Musil : ‘Wat is een dichter?’

In Deus Ex Machina nr 164 verscheen een hertaling van een tekst van Musil ‘Wat is een dichter’. Naast deze vrije hertaling brengen we hierbij ook een een meer tekstgetrouwe versie in een vertaling van Harry van Doveren.  

Inleiding bij de vertaling van ‘Wat is een dichter?’

Wie is Musil? Een Duitse uitgever maakte eens de volgende karaktertekening van hem: ‘ridderlijk, terughoudend, koel, trots, zwijgzaam, ijskoud, vernietigend, scherp, officierstoon, mateloos ijdel, elegant en uitermate burgerlijk, verzorgd, droeg op maat gesneden costuums (beste kleermakers, beste schoenen), discreet en afstandelijk, nooit stralend, als een ambtenaar, niet onomkoopbaar als hij werd geprijsd, … een grote maar niet sympathieke persoonlijkheid, ontoegankelijk, voelde zich niet voldoende erkend, hield mensen ver van zich en leed daaronder, altijd interessant, trots op zijn oorlogstijd, maakte liever negatieve dan positieve opmerkingen.’
Hij is de schrijver van De Man Zonder Eigenschappen, een scherts, een utopie. Een beschrijving van het zoeken naar een leven zonder bindingen aan ideologie, bezit en verlangens, maar ook een ontleding van de samenleving en de menselijke karakters daarin. Tevens een onderdeel van de encyclopedie over de domheid. En meer…

Als schrijver gaat hij daarbij over de maximaal belaste weg: de weg van de kleine en geleidelijke overgangen, het paadje schoongeveegd van de net-niet-precieze formuleringen. Sur place rondwentelend komt Musil steeds nieuwe vergezichten tegen. Soms schitterend dan weer vol tragiek en ongeluk, gemoduleerd met waanzin, erotiek, misdaad en praalzucht, steeds in wisselende verhoudingen, ernst, ironie en bijtend
sarcasme. Naast het schrijven aan dit hoofdwerk, bundelt hij een aantal korte verhalen en cultuurpessimistische opstellen (Nachlass zu Lubzeiten). Dit geldnoodboekje, zoals hij het zelf noemt, is een bundel voor een onoplettende, brede lezerskring. ‘Wat is een dichter?’ maakt hier deel van uit. Een simpele vraag, zo lijkt het. Maar waarvan het antwoord voor Musil aan het eind van oneindige processen ligt.

Harry van Doveren

WAT IS EEN DICHTER?

 

Iets voor een prijsvraag misschien: kunt u zeggen wat een dichter is? Denk aan ‘Wie heeft meneer Stein vermoord’ (de eerste aflevering verschijnt morgen in de amusementsbijdrage). Of aan ‘Wat te doen als je bridgepartner anders opent dan op het laatste bridgecongres werd aanbevolen?’. Het is nauwelijks voorstelbaar dat een krant daar op ingaat. Maar mocht het gebeuren, dan ongetwijfeld in een meer aansprekende vorm. Bijvoorbeeld ‘Wie is uw lievelingsdichter?’ of met andere, evengoede en prikkelende vragen als ‘Wie is volgens u de belangrijkste hedendaagse dichter?” of ‘Wat was het beste boek van het jaar of maand?’.

Van tijd tot tijd horen we iets over dichters in alle soorten en maten: de grootste, de belangrijkste, de origineelste, de meest erkende en de meest gelezene. Niemand vroeg nog naar die andere dichters; dichters zonder extra steuntje, eenvoudige dichtende zielen, zij die niet ‘de bekende schrijver’ zijn van –.

Om een of andere reden schamen we ons voor deze vraag. Herinnert ze ons aan een biedermeierse posthoorn? En ooit zal het gebeuren dat opa, die weet wat koffie Hag is, en wat een Rolls Royce en een zweefvliegtuig is, met zijn mond vol tanden staan wanneer zijn kleinkinderen hem enthousiast vragen: ‘Opa, toen u jong was, bestonden er nog dichters. Wat zijn dat?’ Misschien probeert hij uit te leggen dat men daar net zo weinig van moest hebben als van de duivel. Dat je niet in de duivel hoefde te geloven om te kunnen zeggen: ‘Om de duivel niet!’ Alsof de duivel er meespeelt! Duiveljager!’ ‘Arme duivel!’ Uitdrukkingen die bij het leven van de taal horen en een verzekering afsluiten voor het leven van de Duitse taal kan niet.

Er is veel in te brengen tegen deze drogredenen.

In het huidige tijdsgewricht, een periode in de geschiedenis van de geest, is de betekenisplaats van het woord ‘dichter’ futiel. Niettemin treffen de komende generaties zijn nu nog onopgemerkte spoor onuitwisbaar aan in de geschiedenis van de economie. Inschatten hoeveel mensen vandaag de dag leven van het woord dichter is welhaast ondoenlijk, en dat staat los van de wonderlijke misvatting van de staat dat zij er zijn om de kunsten en de wetenschappen tot een goddelijke bloei te brengen. Begin bij de letterkundige professoraten en de vakopleidingen, met het volledige universitaire bedrijf met zijn questors, pedels, secretarissen en anderen die voor het onderhoud zorgen. Of bij de uitgevers en het personeel van hun uitgeverijen, de commissionairs, de boekhandelaren, de drukkerijen, de papier- en machinefabrieken, de spoorwegen, post, belastingdienst, de kranten, de hoofden van dienst op het ministerie, de intendanten: om kort te gaan, met geduld kan een hele dag worden besteed aan het kriskras uittekenen van alle onderliggende verbanden. En wat dan steeds weer blijkt, is dat al deze duizenden mensen op een goede dan wel een slechte manier, onafgebroken of periodiek, leven van het feit dat er dichters zijn. En wat een dichter is, blijft ondertussen niemand weten, en evenmin of ze er ooit één hebben gezien. En alle prijsvragen, academies, honoraria en recepties van notabelen, ten spijt, garanderen niet dat men ooit een levende dichter zal ontmoeten.

Ik schat dat er vandaag wereldwijd zo’n dozijn dichters zijn. Of zij er van kunnen leven, of dat men van hen leeft, weet ik niet. Een enkeling wel misschien, anderen niet. Hoe zouden we daar ooit achter moeten komen?

Vanuit een ander perspectief met soortgelijke verhoudingen: vele ondernemers leven van kippen en vissen. De vissen en kippen leven niet van hen, maar worden door hen verwerkt en gegeten. Sterker nog, de kippen en vissen leven door hen, om op een dag voor hen te moeten sterven. Maar heel deze vergelijking gaat mank. We weten dat deze schepsels bestaan en dat ze er niet op uit zijn hun eigen kweek en broed te verstoren. Welnu, voor de ondernemers die zich op de literatuur toeleggen, is de dichter een lastpost. Als hij geld of geluk heeft, zal men het niet zo nauw nemen, maar heeft hij dit allemaal niet en hij verstout zich toch om aanspraak te maken op zijn eerstegeboorterecht, dan kan het haast niet anders of hij wordt als een Poltergeist gezien.

Een geest die ons herinnert aan een lening die onze voorouders sloten met de oude Grieken. Die, na eerst wat vrijblijvende, idealistische en plechtige beloftes, laat gebeuren dat hij door de uitgeverijen wordt gevraagd om een stuk te schrijven dat minimaal dertigduizend keer verkoopt of dat redacties hem aanbieden korte stukken te schrijven die vanzelfsprekend aan de eisen van de krant voldoen. Die hierop niets anders dan nee kan zeggen. Die overal, bij de toneelgezelschappen, boekenclubs en andere culturele genootschappen, terecht kan, maar daar een begrijpelijke weerstand opwekt door zich ongeschikt te achten in het maken van kassuccessen, vrijetijdslectuur of filmscripts. Bij wie het donkerbruine vermoeden ontstaat, na alles eens op een rijtje gezet te hebben van wat hij niet kan, dat hij uitzonderlijk begaafd moet zijn. Maar als dat zo is, kunnen ze hem natuurlijk niet helpen. Neem het hen eens kwalijk, dat ze dan van hem af willen!

Toen zo’n spook eens smachtend op de Berlijnse geldbronnen neerstreek, hoorde hij een jonge, handige, opvallende schrijver, voor wie de hoogst mogelijke onderscheidingen klaar lagen en om die reden het gevoel had, dat hij het ook niet makkelijk heeft, geschokt zeggen: Lievehemel, als ik zoveel talent had als deze ezel zou ik het wel weten! Hij vergiste zich.

 

Uit: Nachlass zu Lebzeiten, Robert Musil verschenen onder de titel ‘Een cultuurvraag’, vertaling Harry van Doveren

Praagse Lente: recensie Ladislav Mnacko: De Smaak van de Macht

DEM_164_Cover_corr3-page-001Als aanvulling op het themanummer ‘De Praagse lente’ DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. We zetten ze de volgende dagen online. Dit is nummer drie: Ladislav Mnacko:  De Smaak van de Macht

HET ZELFVERRAAD VAN DE MACHTIGEN

De Smaak van de Macht is een zeldzaam kritische roman over het machtsmisbruik en de verwording van de communistische elite in Slowakije tijdens de vijftiger en zestiger jaren. Het boek verscheen één jaar vóór de Praagse Lente maar vertoont alle kenmerken van de ongecensureerde werken uit die periode. Wat de auteur over de wereld voordien schreef gaat evenzeer op voor die van na de Russische invasie, en in bepaalde opzichten is zijn portret universeel en overstijgt het de grenzen van de Koude Oorlog.

Tekst: Max Moragie

Het verhaal van een dodenwake, zou je De Smaak van de Macht kunnen omschrijven. De naamloze hoofdpersoon ligt opgebaard in een theater en dagelijks lopen honderden burgers langs zijn kist om hun laatste respect te betonen. Van respect is lang niet altijd sprake. Velen zijn simpelweg gestuurd door hun fabrieksdirectie of ministerie, anderen willen zich er vooral van vergewissen dat de in zijn ambt gestorven eerste minister werkelijk dood is. Rouwen doen er slechts een paar: zijn eerste echtgenote, zijn zoon, een ex-minnares. De tot in de puntjes georkestreerde dodenwake eindigt na een aantal dagen met een houterig uitgesproken grafrede van de partijleider en een lange rit naar het crematorium waar de dode haastig de oven in wordt geschoven. Tussendoor lezen we de overpeinzingen van Frank, de van hogerhand aangestelde fotograaf en ooit de boezemvriend van de dode.

Het ware levensverhaal

Frank schiet plaatjes voor de persdienst en maakt tussendoor heimelijk opnames voor zijn privéverzameling. Dat doet hij al vijftien jaar. In zijn donkere kamer heeft hij een twintigtal albums staan waarin de foto’s werden geplakt die wel werden gemaakt maar nooit in de kranten gepubliceerd. Ze vertellen het ware levensverhaal van de naamloze dode, een dat veel minder fraai is dan het officiële. Frank vindt het belangrijk dit verhaal in beelden te bewaren voor het nageslacht. “Op een dag liet het persbureau de redacties van de kranten, de radio en de televisie weten dat zijn naam en foto in geen enkel artikel, in geen enkele uitzending meer mochten verschijnen. Toen was hij officieel gestorven. Niemand sprak er in zijn bijzijn over. Hij belegde nog steeds vergaderingen, hield besprekingen en kabinetszittingen, organiseerde nog steeds feestdiners, gaf bevelen, bekleedde zijn functie, maar hij bestond niet meer. Wat niet in de krant staat, bestaat officieel niet.”

Gedetailleerde bemoeizucht

De politieke fout die de dode heeft gemaakt is dat hij de Eerste Man op een zwak moment in diens bestaan heeft uitgedaagd maar vervolgens niet heeft toegeslagen. De aarzeling werd hem fataal. In moreel opzicht heeft hij heel andere zonden begaan. Eenmaal gepromoveerd tot minister verloor hij zijn vermogen tot improviseren en vooral tot luisteren. Als er een cementfabriek moet komen situeert hij die eigenhandig op een totaal verkeerde plaats. De grondstoffen moeten met een dure lift naar boven worden vervoerd, de afvalstoffen dwarrelen beneden neer op een ooit historisch en fraai stadje. Vanaf de dag van ingebruikname worden zowel de daken als de hoofden van de inwoners bedekt onder een laag fijnstof. Het raakt de dode niet. Vergezeld door lijfwachten, voorlichters en secretaresses rijdt hij kris kras door het land, om hier een ziekenhuis te openen en daar een school. Op kantoor wachten de stapels dossiers op zijn handtekening, geen gewichtige documenten maar bagatellen: een promotie hier, een reprimande daar. Hij verzuipt in de onbenullige details, omdat hij overal controle over wil hebben. Maar juist door die gedetailleerde bemoeizucht raakt hij langzaam maar zeker het overzicht kwijt en juist dan gebeurt waar hij het meeste bang voor is: hij komt in het vizier van de Eerste Man terecht en dat loopt altijd fataal af.

Macht of principes?

Terwijl hij fotografeert en observeert, gezamenlijke bekenden van vroeger aanschiet zodra ze de eerste stap op straat zetten, probeert Frank te achterhalen waar het breekpunt ligt: wanneer veranderde de idealist in de machtswellusteling? Was het toen hij de stap zette van de provinciale naar de landelijke politiek? Terwijl in andere landen en streken de collectivisatie van de landbouw met veel geweld gepaard ging was de dode vooral sluw. Als de boeren in een bergdorp weigeren vlees en melk te leveren laat hij de stroom afsnijden, de telefoon en post in de wacht zetten en de busdienst stoppen. Na een week staan de boeren in zijn kantoor, niet met woest geheven rieken maar met hangende pootjes.  De auteur heeft duidelijk sympathie voor deze zachte dwang, het enige waaruit blijkt dat Ladislav Mnacko in de vijftiger jaren zelf een overtuigde stalinist was. Of was de dode toen ook al meer met macht dan met principes bezig? Lag het omslagpunt misschien eerder? Aan het eind van de oorlog? In 1944 werd het met de nazi’s collaborerende fascistische bewind van Hinkla omvergeworpen door een breed gedragen opstand. De Slowaakse Nationale Opstand mislukte militair, maar slaagde wel politiek. Communisten en andere progressieven redden zo de eer van hun land en konden Slowakije laten bevrijden door het Rode Leger in plaats van bezetten, zoals met buurland Hongarije gebeurde. Frank herinnert zich hoe de dode hun groep redde uit de klauwen van een bende Russen, die onder het mom van verzetswerk niets anders deed dan boeren en burgers terroriseren en afpersen.  

Echtgenote-spionne

Hoe verder zijn herinneringen teruggaan in de tijd, hoe sympathieker de dode wordt. Maar ook toen liet de latere Eerste Minister zich al op een onaangename manier gelden. Hij pakt Frank diens vriendin Margit af en trouwt zelf met haar. Als een andere vriend, Fonda, op zijn beurt avances maakt bij Margit neemt hij op een afschuwelijke manier wraak: hij verspert hem de toegang tot de communistische partij, laat hem jaren later van de universiteit verwijderen en op valse voorwendselen veroordelen tot dwangarbeid in de mijnen. Terwijl Frank en de dode nog op leven en dood met elkaar over Margit kunnen vechten – primitief maar mannelijk – gedraagt de dode zich tegenover Fonda achterbaks en laf. Toch schuift hij later zijn weinig representatieve echtgenote aan de kant voor een prachtige blondine die als zijn privésecretaresse voor hem is gaan werken. Een spionne van de Eerste Man, denkt iedereen, inclusief de dode zelf. Hij trouwt weliswaar met haar, maar het huwelijk is vanaf dag één gekunsteld en daardoor ongelukkig. Toch heeft hij een grote gok genomen door te scheiden, iets wat in het preuts-communistische Slowakije niet makkelijk wordt getolereerd. Hij misbruikt de wet om zijn enige zoon van zijn voormalige vrouw af te pakken. Het betekent het einde van een tot dan toe goede vader/zoon verhouding.

Zwelgpartij

Het gezegde luidt dat het eenzaam is aan de top. Steeds vaker nodigt de dode vroegere vrienden uit voor een drinkgelag en ook bij officiële gelegenheden wordt de fles steeds enthousiaster ontkurkt. “Frank benijdde de dode niet. Hij moest ontelbare gemeenplaatsen aanhoren. Hij moest doen alsof hij in alles belang stelde, hij moest glimlachen, op schouders kloppen, niet bindende beloftes om zich heen strooien die hij het volgende moment weer vergat, en hij moest zich stierlijk vervelen. Slechts één ding dwong Frank telkens weer tot het einde van zo’n feestmaal te blijven. Hij genoot ervan te zien hoe de anderen zich verveelden, hoe ze allemaal tegelijk wilden praten en niemand luisterde, hoe ze zich opbliezen, hoe ze zich kronkelden in hun egoïsme. De zwelgpartij eindigde altijd met moppen over Cohen, Moos, Sammy en Saar, domme moppen, afgezaagd en slecht verteld.”

Robotfoto

De dode sterft in een ziekenhuis, uiteraard aan een alcohol gerelateerde ziekte die vervolgens uit de pers moeten worden gehouden, want een communist bezwijkt aan een hartaanval door het vele werk of aan kanker. Naamloos is hij ter wereld gekomen en naamloos gaat hij er uit, maar aan het eind van de roman heeft de lezer een tweede reden voor die anonimiteit gekregen. Natuurlijk heeft Mnacko een genadeloze robotfoto van de communistische machthebber willen tekenen, en een robotfoto heeft geen naam nodig. Maar de dode had nooit die toppen van machtsmisbruik en eenzaamheid kunnen scheren zonder de actieve en passieve medewerking van zoveel omstanders. Ook Frank is veel kwijtgeraakt onderweg: vrienden, vriendinnen, perspectieven en simpelweg menselijk geluk. De machtigen hebben niet alleen zichzelf en anderen verraden, ze zijn ook verraden door de naasten die hen in het gareel hadden moeten houden. De diepere boodschap van De Smaak van de Macht is dat de politieke macht niet alleen bitter smaakt voor degene die ervan proeft maar ook voor diegenen die hen naar de drinkplaats leiden. Daardoor is dit prachtig gecomponeerde en geschreven boek van de in 1993 overleden Mnacko een roman die het Slowaakse en het communistische kader verre overstijgt.

Ladislav Mnacko:  De Smaak van de Macht, vertaald uit het Duits door G.W. Roos, Bruna Grote Beren,  1967