JORGE en JAIME SEMPRÚN: SLECHTS IN NAAM VAN DE VADER (Max Moragie)

Als uitsmijter bij ons JORGE SEMPRÚN-themanummer krijgt u van ons nog twee extra teksten: ‘Slechts in de naam van de vader’, een essay van samensteller Max Moragie (Jeroen Kuypers) over de relatie tussen Jorge Semprún en zijn zoon Jaime. En een door de redactie van DEM opgestelde Semprún-chronologie. U kan zich nog altijd abonneren op DEM (vier nummers – 35 euro/België) via info@deusexmachina.be of deze website. Het Semprúnnummer krijgt u er dan gratis bij. Doen!

SLECHTS IN DE NAAM VAN DE VADER (MAX MORAGIE)

In Quel beau Dimanche! beschrijft Jorge Semprún hoe hij na zijn terugkeer uit Buchenwald een jonge vrouw leert kennen, wekenlang om haar heen draait en er dan toch niet toe komt haar definitief voor zich te winnen. Niet lang daarna leert hij een andere vrouw kennen, die uiterlijk hetzelfde type is maar karakterieel heel anders. Ze trouwen, maar het huwelijk draait uit op een mislukking. Dat er in 1947 ook een kind geboren wordt, vermeldt de auteur niet eens. De hele verbintenis, die officieel tot 1960 heeft geduurd, lijkt niet meer dan twee zinnen waard.

Jaime Semprún groeit op met een afwezige vader, niet alleen omdat Semprún veel en lang op reis is voor zijn illegale partijwerk, ook omdat de band tussen vader en zoon kil is en blijft. Vanaf zijn elfde krijgt Jaime een stiefvader, de schrijver-journalist Claude Roy, die een veel aanweziger vaderfiguur lijkt te zijn geworden. Zijn moeder, de actrice Loleh Bellon, hertrouwt met Roy en overleeft hem slechts twee jaar, wanneer hij in 1997 op 82-jarige leeftijd overlijdt. Tegen dan is Jaime al jaren zelf auteur en vooral uitgever, maar hoewel hij dezelfde achternaam draagt als de wereldberoemde Jorge ontkent hij elke intellectuele band met zijn biologische vader. Hij verwijt Jorge een dienaar van het stalinisme te zijn geweest, en negeert diens breuk met het gelijknamige systeem. In zijn essays en pamfletten refereert hij ook niet naar Jorge. Tussen het oeuvre van Jaime en Claude Roy zijn echter wel dwarsverbanden te zien. Ze polemiseren bijvoorbeeld beiden scherp tegen de ex-maoïstische Nieuwe Filosofen in de jaren zeventig en wanneer Jaime in 1981 een studie publiceert over de stakingsgolf in Polen laat zijn stiefvader een grote reportage over hetzelfde onderwerp verschijnen.

Er zijn meer vaders in het leven van Jaime Semprún. De belangrijkste onder hen is Guy Debord, de voorman en theoreticus van het Internationale Situationisme. Met hem is de verhouding complex. Het denken van Jaime is duidelijk schatplichtig aan dat van deze linksradicale theoreticus, wiens La Société du Spectacle een grote invloed had op de gangmakers van de opstand van Mei 68, het jaar na verschijnen. Met twee boeken over de revolutionaire gebeurtenissen in Portugal en Spanje, na de dood van de dictators, gooide Jaime hoge ogen, maar Debord was er minder gecharmeerd door en hield de Spaanse vertaling onnodig lang tegen. Ook over latere werken van Jaime liet hij zich half lovend, half kritisch uit. In een brief uit 1982 aan zijn Nederlandse vertaler Jaap Kloosterman schreef Debord bijvoorbeeld: “Als Semprún de verdediging van een revolutie op zich neemt, zegt hij wat ze werkelijk betekent en wat er werkelijk is voorgevallen. Hij neemt de commentatoren op de korrel die zich hebben vergist of er zelfs op los hebben gelogen, en dat met een woede die ik enkel als een talent kan definiëren. Maar tegelijk zou je kunnen zeggen dat hij zich onverschillig toont tegenover de voortgang, dat het hem niet werkelijk interesseert of de revolutie eindigt in een overwinning of een nederlaag […] Ik weet niet of hij ooit vooruitgang zal maken als het over zulke strategische kwesties gaat.”

Het Internationale Situationisme situeerde zich links van het leninisme. Debord en de zijnen zochten naar een synthese tussen anarchisme en marxisme en probeerden daarbij het laatste te bevrijden van de autoritaire trekken die er vanaf Marx zelf ingeslopen waren. De radenbeweging was hun grote voorbeeld; het stalinisme en al zijn varianten, inclusief het maoïsme, hun grote vijand. Jaime Semprún kan in de jaren zeventig als een onofficieel lid van de dan al ter ziele gegane beweging worden beschouwd en in de decennia erna als een voortzetter van dit denken. Hij publiceert onder meer in 1980 een boek over de politieke gevaren van de kernenergie, waarin hij stelt dat een sterke proliferatie van atoomenergie tot een intensivering van veiligheidsmaatregelen zal leiden: La Nucléarisation du Monde. Dit werk markeert een overgang van de optimistische essays die hij voordien heeft gepubliceerd naar de steeds pessimistischere boeken die in de decennia nadien zullen verschijnen. In de jaren zeventig heerst volgens Semprún een revolutionair klimaat, dat niet is geëindigd maar juist is ingezet met de stakingsgolf van mei-juni ‘68 in Frankrijk. Maar na het neerslaan van de stakingsgolf in Polen begint, aldus Semprún, een somberder tijdvak. ‘Vals bewustzijn’ vervangt het klassenbewustzijn, gestimuleerd door een vorm van Newspeak en dominantie van het ‘Nu’ in de beeldenmaatschappij. De greep van machines op het leven van burgers wordt groter. Het streven naar verduurzaming en een circulaire economie zal de consument niet meer vrijheid geven maar nog afhankelijker maken van de kapitalistische warenproductie. De titel van zijn beroemdste werk, L’Abîme se repeuple (De Afgrond wordt herbevolkt) uit 1997, spreekt in dat opzicht boekdelen.

Jaime Semprún was, in de woorden van Jean-Luc Porquet, in een necrologie in het weekblad Le Canard Enchainé, iemand die nooit de publiciteit opzocht, die je nooit in televisieprogramma’s zag optreden, die dus ook nooit zo bekend werd als hij had kunnen worden. Ook zijn uitgeverij, L’ Encyclopédie des Nuisances, publiceerde slechts drie boeken per jaar en zette zelfs nog in lood. Het interesseerde hem allemaal niet. Wie het belang van deze boeken inzag zou ze toch wel kopen en lezen. Zo zag hij er ook geen been in om de korte films die hij in de jaren zestig had geregisseerd nadien te vernietigen. Eén ervan droeg de veelzeggende titel Le Meutre du Père. Wilde hij ook cinematografisch toch zijn beroemde vader achterna? Hij heeft zich er nooit over uitgelaten. In 2010 overleed Jaime plotseling aan een hersenbloeding, amper een jaar vóór zijn naamgever zelf het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde.

JORGE SEMPRÚN IN VIJFTIEN JAARTALLEN

-1923: Jorge Semprún Maura wordt op 10 december geboren in Madrid. Zijn vader is een liberale politicus, zijn moeder de jongste dochter van Antonio Maura, die tussen 1903 en 1922 verschillende keren premier van Spanje was.

-1936: De Spaanse Burgeroorlog begint in juli 1936. Semprún emigreert met zijn ouders en zijn zes broers en zussen via Frans Baskenland naar Frankrijk (Parijs) en later naar Den Haag, waar vader Semprún als diplomaat werkt. Wanneer in 1939 de Burgeroorlog ten einde is en Nederland het Franco-regime officieel erkent, verhuizen de Semprúns opnieuw naar Parijs.

-1942: Tijdens de Nazi-bezetting van Frankrijk wordt Semprún lid van het verzet en – later – van de Spaanse communistische partij in Frankrijk.

-1943: Semprún wordt gearresteerd door de Gestapo en gedeporteerd naar het concentratiekamp Buchenwald. Daar blijft hij tot de bevrijding van Buchenwald op 11 april 1945. Semprún zou zijn wedervaren in Buchenwald achteraf beschrijven in verschillende werken, waarvan Le grand voyage (1963), Quel beau dimanche (1980) en L’écriture ou la vie (1994) de bekendste zijn.

-1947: Na een kort verblijft in de Ticino (Zwitserland) bij zijn zus Maribel belandt hij nogmaals in Parijs. In 1947 wordt zijn zoon Jaime geboren. Jaimes moeder is de actrice Loleh Bellon, met wie Semprún in 1949 huwt.

-1953: Onder verschillende schuilnamen zoals Federico Sanchez en Juan Larrea coördineert Semprún voor de Spaanse communistische partij geheime activiteiten tegen het Franco-regime. Semprún leidt een dubbelleven in Frankrijk en Spanje.

-1954: Semprún wordt lid van het Comité Central van de PCE, de Spaanse communistische partij. Twee jaar later treedt hij toe tot het politbureau.

-1963: Semprún debuteert officieel als schrijver met Le grand voyage.

-1964: Na conflicten tussen stalinistische aanhangers van de PCE en minder dogmatische leden van de communistische partij, wordt Semprún uit de partij gezet.

-1966: Semprún debuteert als scenarioschrijver met Objectif 500 millions (Pierre Schoendoerffer) en La guerre est finie (Alain Resnais). Voor deze laatste film krijgt hij een Oscarnominatie voor beste origineel scenario. In totaal zou Semprún een vijftiental filmscenario’s schrijven en één (documentaire) film zelf regisseren. Met Z (Costa-Gavras – 1969) wordt hij voor de tweede keer voor een Oscar genomineerd, nu in de categorie voor beste bewerkte scenario.

-1976: Semprún publiceert – in het Spaans – Autobiografía de Federico Sánchez, waarin hij definitief afrekent met het Franco-regime én met zijn communistische verleden. Dit werk zou in 1993 een verlengstuk krijgen met Federico Sánchez vous salue bien.

-1988: Semprún wordt minister van cultuur in een door de socialistische premier Felipe González geleide regering. Hij neemt ontslag als minister in 1991 na een bijzonder kritisch artikel over vice-premier Alfonso Guerra.

-1994: Semprún wordt voor zijn werk bekroond met verschillende prijzen – in Frankrijk, maar ook daarbuiten. In 1994 krijgt hij de prestigieuze Friedenspreis des deutschen Buchhandels en – drie jaar later – ‘de Jeruzalemprijs voor de vrijheid van het individu in de maatschappij’.

-1996: Semprún treedt als eerste niet-Franse auteur toe tot de prestigieuze Académie-Goncourt.

-2011: Semprún overlijdt op 7 juni en wordt in Garenteville (Île-de-France) begraven naast zijn tweede vrouw Colette Leloup, met wie hij van 1963 tot haar dood in 2007 gehuwd was.