[Deze 'Bordeaux-column' verscheen in het Deux ex Machina nummer over songwriting.]

quartier libreJuli 2003 wordt West-Europa bruusk uit zijn zomeridylle gerukt door nieuws uit de pop-/filmwereld: Betrand Cantat, frontman van Noir Désir, heeft zijn vriendin Marie Trintignant om het leven gebracht in een hotelkamer in Litouwen. Het nieuws haalt de voorpagina’s van alle kranten. Een geschenk van formaat voor journalisten en nieuwsmedia die zich elke zomer suf piekeren over  anti-komkommermateriaal. Tel daarbij dat de dochter van Trintignant een bloedmooie actrice was, en je hebt alle ingrediënten voor een kanjer van een scoop.   Bovendien was het al van 1980 (Ian Curtis hing zich op in zijn keuken) geleden dat de Europese popwereld zijn  rock ’n roll-drama had gehad.

Het vervolg is bekend. Cantat moet een paar jaar brommen in de gevangenis. Noir désir wordt opgedoekt. Kort na zijn vrijlating pleegt zijn ex-vrouw,  de Hongaars-Franse schrijfster en vertaalster Krisztina Rády en moeder van zijn twee kinderen, zelfmoord. De Franse popscene heeft zijn hoogst eigen rock ’n roll-geval.

April 2017. Het is lente in Bordeaux [1]. Mijn vriendin en ik runnen een vegetarisch restaurant, La soupe au caillou, gelegen in de volkswijk Saint Michel op een boogscheut van ‘Quartier Libre’, een bar opgericht door Bertrand Cantat waar je elke avond naar een gratis concert kan luisteren. Het is twee uur ‘s middags en onze middagdienst zit erop. Of nee toch niet, iemand klopt bescheiden op het raam. Het is Bertrand Cantat. Of hij nog iets kan eten? Tuurlijk, zegt mijn vriendin, een Bertrand Cantat kun je toch niets weigeren. Hij neemt plaats in het restaurant. Een imposante fysieke verschijning, goedlachs, jongensachtig nieuwsgierig. Met zijn prachtige stem vraagt hij: ‘Et vous ?  Qui êtes-vous?’ Ik vertel hem dat ik uit België kom. Welk deel precies? Le nord, zeg ik. ‘Ah, Les Flandres..!’ Stop. Meer heeft Cantat niet nodig om een monoloog van een half uur af te steken over de Belgische en vooral de Vlaamse popscene om vervolgens uit te bollen met een lange mijmering over the art of songwriting.

‘Weet je, de eerste plaat van Noir désir hebben we opgenomen in Brussel. Daar had je toen die fantastische studio gerund door een Amerikaan. De halve muziekwereld zat er platen op te nemen. Geweldige omgeving. Zelfs in Parijs had je zoiets niet. Popgroepen in de jaren ‘80-‘90 moesten nog voor alles zelf zorgen. Zelfs onze affiches plakten we zelf in de stad. Als ik zie hoe jonge groepen het vandaag aanpakken: beetje facebooken en hup honderdduizend likes! Ik ben niet cynisch hoor, maar het was toch een andere tijd.’

Of er zoiets bestaat als ‘de Franse stijl’? En of hij (en Noir Désir) zich plaatst in de traditie van het Franse Chanson?

‘Het Franse chanson? Wat is dat eigenlijk? Dat zijn oneindig veel stijlen, stemmen. Dat bestaat eigenlijk niet. Elke liedjesschrijver maakt/boetseert zijn eigen muzikale object. Je hebt drie minuten om een verhaal te vertellen en je kan het op honderdduizend manieren doen. Een song is een geheel van verschillende elementen: muziek, tekst, zanger, begeleiding: het moet allemaal kloppen, vloeien, natuurlijk overkomen. Natuurlijk heb ik veel aan Brel gehad. Maar evengoed aan The Clash. Weet je, ‘Amsterdam’ van Brel is een geweldig nummer als Brel het zingt, maar als Bowie – met alle respect voor Bowie – het zingt is het een klucht: hij méént het niet, hij covert Brel zonder zijn eigen ziel erin te leggen. Dat is hopeloos oninteressant. Enfin, ikzelf ben niet geïnteresseerd in netjes ‘gepolijste’ songs die wel goed klinken maar geen guts hebben. Laatst kreeg ik een telefoontje van Tom. Je kent hem toch? Tom Barman. Goeie vriend van mij. Topkerel. We spelen vaak in elkaars voorprogramma als hij in Frankrijk toert. Wel, Tom belde me onlangs op met de vraag of ik geen song van hem in het Frans wil overzetten? Nou, als Tom wat vraagt, dan ben ik altijd geïnteresseerd, dus ik meteen: stuur maar door, Tom. Enkele seconden later (je kent Tom) krijg ik een nummer in de mail. Man man man. Zo’n typisch poppy deuntje, lekker in het oor liggend, goed gedaan hoor, maar absoluut niet mijn ding. Ik (je kent me) heb meteen Tom gebeld en gezegd dat ik zoiets onmogelijk kan, tenzij ik er helemaal mijn eigen ding kan van maken. Is niet de bedoeling, zegt Tom, we willen met dit nummer ook de Franse markt aanspreken, we zoeken iemand die het kan transponeren naar iets ‘Frans’. Ik heb ervoor bedankt. Zie je, een song dat is een klein organisme. Je weet vaak niet waar je aan begint, je voelt potentieel, je laat je gaan en opeens is het daar. Je kan het niet ‘willen’, het komt of het komt niet.’

In vier, vijf grote happen is Cantat door zijn copieuze vegetarische schotel (mijn vriendin verwent hem echt wel hoor, die Cantat)  ‘Zo. Ik moet er weer eens vandoor. Ben druk bezig met een soloplaat. Die komt uit in december. Leuk gesprek. We moeten nog eens doorbomen over Vlaamse popmuziek en over dat Gesamtkunstwerk: de song. ‘

Oktober 2017. Nationaal nieuws: Bertrand Cantat kondigt een soloplaat aan. Frankrijk haalt de affaire Trintignant weer uit de gracht. Een oude rechter beaamt: ‘Cantat heeft wel degelijk een moord gepleegd, schande dat die man nu alweer liedjes mag zingen.’ 

Die middag in het restaurant had hij de reacties voorspeld. ‘Die affaire blijft me achtervolgen. Ik toer momenteel met de tekstlezing van een roman van Caryl Férey, Condor, een verhaal dat in Chili speelt. Avignon heeft geweigerd me te programmeren vanwege mijn verleden.’

Je n'ai pas peur de la route
Faudrait voir, faut qu'on y goûte
Des méandres au creux des reins
Et tout ira bien

Le vent l'emportera

Noir Désir, Le vent nous portera (2001)

 Jan Pollet

Redacteur Deus Ex Machina

[1] Bordeaux was in de jaren negentig het epicentrum van de popmuziek in Frankrijk. De aanwezigheid van Noir Désir was daar natuurlijk niet vreemd aan. Veel beginnende groepjes streken er neer en repeteerden in vochtige oude wijnkelders. Bordeaux heeft ook een eigen Rockschool.  Onder anderen Arno komt er regelmatig concertjes geven…