Praagse Lente: recensie Ladislav Mnacko: De Smaak van de Macht

DEM_164_Cover_corr3-page-001Als aanvulling op het themanummer ‘De Praagse lente’ DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. We zetten ze de volgende dagen online. Dit is nummer drie: Ladislav Mnacko:  De Smaak van de Macht

HET ZELFVERRAAD VAN DE MACHTIGEN

De Smaak van de Macht is een zeldzaam kritische roman over het machtsmisbruik en de verwording van de communistische elite in Slowakije tijdens de vijftiger en zestiger jaren. Het boek verscheen één jaar vóór de Praagse Lente maar vertoont alle kenmerken van de ongecensureerde werken uit die periode. Wat de auteur over de wereld voordien schreef gaat evenzeer op voor die van na de Russische invasie, en in bepaalde opzichten is zijn portret universeel en overstijgt het de grenzen van de Koude Oorlog.

Tekst: Max Moragie

Het verhaal van een dodenwake, zou je De Smaak van de Macht kunnen omschrijven. De naamloze hoofdpersoon ligt opgebaard in een theater en dagelijks lopen honderden burgers langs zijn kist om hun laatste respect te betonen. Van respect is lang niet altijd sprake. Velen zijn simpelweg gestuurd door hun fabrieksdirectie of ministerie, anderen willen zich er vooral van vergewissen dat de in zijn ambt gestorven eerste minister werkelijk dood is. Rouwen doen er slechts een paar: zijn eerste echtgenote, zijn zoon, een ex-minnares. De tot in de puntjes georkestreerde dodenwake eindigt na een aantal dagen met een houterig uitgesproken grafrede van de partijleider en een lange rit naar het crematorium waar de dode haastig de oven in wordt geschoven. Tussendoor lezen we de overpeinzingen van Frank, de van hogerhand aangestelde fotograaf en ooit de boezemvriend van de dode.

Het ware levensverhaal

Frank schiet plaatjes voor de persdienst en maakt tussendoor heimelijk opnames voor zijn privéverzameling. Dat doet hij al vijftien jaar. In zijn donkere kamer heeft hij een twintigtal albums staan waarin de foto’s werden geplakt die wel werden gemaakt maar nooit in de kranten gepubliceerd. Ze vertellen het ware levensverhaal van de naamloze dode, een dat veel minder fraai is dan het officiële. Frank vindt het belangrijk dit verhaal in beelden te bewaren voor het nageslacht. “Op een dag liet het persbureau de redacties van de kranten, de radio en de televisie weten dat zijn naam en foto in geen enkel artikel, in geen enkele uitzending meer mochten verschijnen. Toen was hij officieel gestorven. Niemand sprak er in zijn bijzijn over. Hij belegde nog steeds vergaderingen, hield besprekingen en kabinetszittingen, organiseerde nog steeds feestdiners, gaf bevelen, bekleedde zijn functie, maar hij bestond niet meer. Wat niet in de krant staat, bestaat officieel niet.”

Gedetailleerde bemoeizucht

De politieke fout die de dode heeft gemaakt is dat hij de Eerste Man op een zwak moment in diens bestaan heeft uitgedaagd maar vervolgens niet heeft toegeslagen. De aarzeling werd hem fataal. In moreel opzicht heeft hij heel andere zonden begaan. Eenmaal gepromoveerd tot minister verloor hij zijn vermogen tot improviseren en vooral tot luisteren. Als er een cementfabriek moet komen situeert hij die eigenhandig op een totaal verkeerde plaats. De grondstoffen moeten met een dure lift naar boven worden vervoerd, de afvalstoffen dwarrelen beneden neer op een ooit historisch en fraai stadje. Vanaf de dag van ingebruikname worden zowel de daken als de hoofden van de inwoners bedekt onder een laag fijnstof. Het raakt de dode niet. Vergezeld door lijfwachten, voorlichters en secretaresses rijdt hij kris kras door het land, om hier een ziekenhuis te openen en daar een school. Op kantoor wachten de stapels dossiers op zijn handtekening, geen gewichtige documenten maar bagatellen: een promotie hier, een reprimande daar. Hij verzuipt in de onbenullige details, omdat hij overal controle over wil hebben. Maar juist door die gedetailleerde bemoeizucht raakt hij langzaam maar zeker het overzicht kwijt en juist dan gebeurt waar hij het meeste bang voor is: hij komt in het vizier van de Eerste Man terecht en dat loopt altijd fataal af.

Macht of principes?

Terwijl hij fotografeert en observeert, gezamenlijke bekenden van vroeger aanschiet zodra ze de eerste stap op straat zetten, probeert Frank te achterhalen waar het breekpunt ligt: wanneer veranderde de idealist in de machtswellusteling? Was het toen hij de stap zette van de provinciale naar de landelijke politiek? Terwijl in andere landen en streken de collectivisatie van de landbouw met veel geweld gepaard ging was de dode vooral sluw. Als de boeren in een bergdorp weigeren vlees en melk te leveren laat hij de stroom afsnijden, de telefoon en post in de wacht zetten en de busdienst stoppen. Na een week staan de boeren in zijn kantoor, niet met woest geheven rieken maar met hangende pootjes.  De auteur heeft duidelijk sympathie voor deze zachte dwang, het enige waaruit blijkt dat Ladislav Mnacko in de vijftiger jaren zelf een overtuigde stalinist was. Of was de dode toen ook al meer met macht dan met principes bezig? Lag het omslagpunt misschien eerder? Aan het eind van de oorlog? In 1944 werd het met de nazi’s collaborerende fascistische bewind van Hinkla omvergeworpen door een breed gedragen opstand. De Slowaakse Nationale Opstand mislukte militair, maar slaagde wel politiek. Communisten en andere progressieven redden zo de eer van hun land en konden Slowakije laten bevrijden door het Rode Leger in plaats van bezetten, zoals met buurland Hongarije gebeurde. Frank herinnert zich hoe de dode hun groep redde uit de klauwen van een bende Russen, die onder het mom van verzetswerk niets anders deed dan boeren en burgers terroriseren en afpersen.  

Echtgenote-spionne

Hoe verder zijn herinneringen teruggaan in de tijd, hoe sympathieker de dode wordt. Maar ook toen liet de latere Eerste Minister zich al op een onaangename manier gelden. Hij pakt Frank diens vriendin Margit af en trouwt zelf met haar. Als een andere vriend, Fonda, op zijn beurt avances maakt bij Margit neemt hij op een afschuwelijke manier wraak: hij verspert hem de toegang tot de communistische partij, laat hem jaren later van de universiteit verwijderen en op valse voorwendselen veroordelen tot dwangarbeid in de mijnen. Terwijl Frank en de dode nog op leven en dood met elkaar over Margit kunnen vechten – primitief maar mannelijk – gedraagt de dode zich tegenover Fonda achterbaks en laf. Toch schuift hij later zijn weinig representatieve echtgenote aan de kant voor een prachtige blondine die als zijn privésecretaresse voor hem is gaan werken. Een spionne van de Eerste Man, denkt iedereen, inclusief de dode zelf. Hij trouwt weliswaar met haar, maar het huwelijk is vanaf dag één gekunsteld en daardoor ongelukkig. Toch heeft hij een grote gok genomen door te scheiden, iets wat in het preuts-communistische Slowakije niet makkelijk wordt getolereerd. Hij misbruikt de wet om zijn enige zoon van zijn voormalige vrouw af te pakken. Het betekent het einde van een tot dan toe goede vader/zoon verhouding.

Zwelgpartij

Het gezegde luidt dat het eenzaam is aan de top. Steeds vaker nodigt de dode vroegere vrienden uit voor een drinkgelag en ook bij officiële gelegenheden wordt de fles steeds enthousiaster ontkurkt. “Frank benijdde de dode niet. Hij moest ontelbare gemeenplaatsen aanhoren. Hij moest doen alsof hij in alles belang stelde, hij moest glimlachen, op schouders kloppen, niet bindende beloftes om zich heen strooien die hij het volgende moment weer vergat, en hij moest zich stierlijk vervelen. Slechts één ding dwong Frank telkens weer tot het einde van zo’n feestmaal te blijven. Hij genoot ervan te zien hoe de anderen zich verveelden, hoe ze allemaal tegelijk wilden praten en niemand luisterde, hoe ze zich opbliezen, hoe ze zich kronkelden in hun egoïsme. De zwelgpartij eindigde altijd met moppen over Cohen, Moos, Sammy en Saar, domme moppen, afgezaagd en slecht verteld.”

Robotfoto

De dode sterft in een ziekenhuis, uiteraard aan een alcohol gerelateerde ziekte die vervolgens uit de pers moeten worden gehouden, want een communist bezwijkt aan een hartaanval door het vele werk of aan kanker. Naamloos is hij ter wereld gekomen en naamloos gaat hij er uit, maar aan het eind van de roman heeft de lezer een tweede reden voor die anonimiteit gekregen. Natuurlijk heeft Mnacko een genadeloze robotfoto van de communistische machthebber willen tekenen, en een robotfoto heeft geen naam nodig. Maar de dode had nooit die toppen van machtsmisbruik en eenzaamheid kunnen scheren zonder de actieve en passieve medewerking van zoveel omstanders. Ook Frank is veel kwijtgeraakt onderweg: vrienden, vriendinnen, perspectieven en simpelweg menselijk geluk. De machtigen hebben niet alleen zichzelf en anderen verraden, ze zijn ook verraden door de naasten die hen in het gareel hadden moeten houden. De diepere boodschap van De Smaak van de Macht is dat de politieke macht niet alleen bitter smaakt voor degene die ervan proeft maar ook voor diegenen die hen naar de drinkplaats leiden. Daardoor is dit prachtig gecomponeerde en geschreven boek van de in 1993 overleden Mnacko een roman die het Slowaakse en het communistische kader verre overstijgt.

Ladislav Mnacko:  De Smaak van de Macht, vertaald uit het Duits door G.W. Roos, Bruna Grote Beren,  1967

 

 

 

Praagse lente: recensie Josefa Slanska: De Waarheid over mijn man- de zaak Slansky

DEM_164_Cover_corr3-page-001Als aanvulling op het themanummer ‘De Praagse lente’ DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. We zetten ze de volgende dagen online. Dit is nummer twee: Josefa Slansky: De Waarheid over mijn man- de zaak Slansky

EEN REHABILITATIE IN SCHIJFJES

Vanaf de jaren vijftig waarde er een spook door Tsjechoslowakije, niet het spook van het communisme, maar wel dat van een communist, luisterend naar de naam Rudolf Slansky. Hij was de belangrijkste aangeklaagde tijdens het showproces waarbij een dozijn vooraanstaande partijkaders tot de strop werd veroordeeld. In tegenstelling tot andere Oostblokstaten, waar dergelijke slachtoffers relatief snel na Stalins dood werden gerehabiliteerd, bleef de regering in Praag onwillig haar misdaad toe te geven, ook al had ze die in de schoenen van de dode dictator kunnen schuiven. In stukjes en beetje kwam de rehabilitatie, maar de buitenwereld moest tot 1968 wachten voor de volledige waarheid boven tafel kwam, via het door Pavel Kohout geredigeerde De Waarheid over mijn Man.

Tekst: Max Moragie

Slanksy, Pauker, Gomulka, Rajk – elk Oost-Europees land dat binnen de invloedsfeer van de Sovjet-Unie viel zag in de vroege jaren vijftig de nummer twee van de communistische partij beschuldigd worden van spionage en sabotage. Ineens bleek deze held van de revolutie een stiekeme schurk die jarenlang in het geniep had samengewerkt met westerse inlichtingendiensten om de leidende rol van zijn eigen partij te ondermijnen, de nummer één te vermoorden en het socialisme te vervangen door het kapitalisme. In zijn kielzog werden honderden andere partijkaders gearresteerd. Voor de bevolking was het moeilijk te geloven dat zich in het centrum van de macht zo’n enorme samenzwering had kunnen ontplooien, maar aangezien de partij altijd gelijk had moest het wel waar zijn. Trouwens, de aangeklaagden gaven alles zelf toe in de rechtszaal. Via het bioscoopjournaal en de radio hoorde de bevolking de afgezette leiders zichzelf beschuldigen van de meest groteske misdaden. Via petities en telegrammen drongen arbeiders uit het hele land er bij de rechters op aan geen clementie te tonen met deze gevaarlijke misdadigers.  Het socialisme moest hard terugslaan. Dat deed het, met snelle en genadeloze doodstraffen.

Asbestemming

De showprocessen in Praag, Bukarest, Warschau en Budapest waren herhalingen van die in Moskou anderhalf decennium eerder. Toen verdween zowat de hele oude bolsjewistische garde naar het schavot en trad een nieuwe generatie van kopstukken aan. Het was Stalin zelf die aandrong op de zuiveringen. Zo rekende hij niet alleen af met mogelijke oppositie maar maakte hij de nieuwe generatie ook medeschuldig. Zij had haar steile opgang immers te danken aan de ondergang van de voorgaande. In eigen land bereidde de oude tiran ook een nieuwe reeks van showprocessen voor, maar zijn plotselinge dood maakte daar een einde aan. Drie jaar later onthulde opvolger Chroestsjov de ware toedracht. De man die de Poolse communist Gomulka de gevangenis had ingeduwd kreeg tijdens het aanhoren ter plekke een hartaanval en overleed, maar ook de Praagse kameraden hielden hun hart vast. Klement Gottwald, de eerste man tijdens het proces tegen Slansky was al dood, dus misschien voelden zijn opvolgers zich minder verantwoordelijk en dus veiliger dan anderen. Hoe dan ook bleef een directe rehabilitatie van Slanksy en de andere veroordeelden – bijna uitsluitend Joden, iets wat ook werd benadrukt tijdens het proces – uit. Stukje bij beetje sprak de partij hem vrij van nu eens deze, dan weer gene verzonnen misdaad. Maar nog in 1963 kreeg zijn weduwe geen uitsluitsel over de asbestemming. Terwijl in de jaren voordien de ene na de andere van zijn zogenaamde medeplichtigen werd gerehabiliteerd bleef Slansky een verrader. Maar misschien was de waarheid over de asbestemming te onthutsend in haar banaliteit om te onthullen. De chauffeur grapte dat hij nog nooit zoveel mensen tegelijk in zijn auto had vervoerd en ze allemaal had ‘vrijgelaten’ bij een brug over de rivier.

Proletenvrijheid

De lange nasleep van ‘de zaak Slansky’ heeft de Praagse communisten geen goed gedaan. Het is juist door die onwil tot volledige rehabilitatie dat ze zichzelf steeds meer bloed aan hun handen praatten. Nog tijdens de Praagse Lente speelde deze affaire de dogmatici in de partij parten. Het is ook midden in het hervormingsproces dat het boek De Waarheid over mijn Man verscheen. De auteur ervan is Josefa Slanska, de weduwe van de vermoordde communist en de moeder van een andere Rudolf Slansky: een dissident tijdens de jaren zeventig en de eerste ambassadeur van de nieuwe Tsjechische republiek in het kersvers onafhankelijke Slowakije. Het boek is een pijnlijk werk, vooral omdat het zo gedetailleerd beschrijft aan welke martelingen de politieke gevangenen in de vroege jaren vijftig bloot stonden en aan welke pesterijen in de late. Pijnlijk is misschien vooral dat een groep proleten tijdens de heksenjacht een grote mate van vrijheid kreeg. De vernederingen en slaaponthouding mochten dan georkestreerd zijn, de memoires van Josefa Slansky geven de indruk dat veel van de wreedheden ook willekeurig waren, zuiver voor het plezier van de cipiers.

Hagiografisch

De Waarheid over mijn Man valt in twee delen uiteen. Het eerste is een geschiedenis van het proces in documenten. Pavel Kohout, de journalist/schrijver die de weduwe Slansky na veel gesprekken wist te overhalen haar memoires te publiceren, laat aan de hand van processtukken maar vooral van krantenberichten zien hoe er destijds over het showproces geschreven werd. Het zijn stuitende staaltjes van haatdragend proza, opgesteld in een bombastische stijl. De herinneringen van Slansky’s weduwe staan daarmee in schril contrast. Ze beschrijft zoveel mogelijk van een leven dat ze meer niet dan wel met haar Rudolf heeft gedeeld. In de jaren dertig leefde het echtpaar als opgejaagd wild in Praagse appartementen, altijd op de hoede voor de politie, altijd aan het werk voor de partij, amper een of twee nachten per week bij elkaar. Tijdens de oorlog werkten beiden voor de Tsjechische afdeling van Radio Moskou. Voor een gezinsleven was nu nog minder tijd dan voordien. En toch is er geen woord van geklaag te vinden in al die pagina’s. Josefa was zowel haar man als de partij honderd procent toegewijd. Geen moment twijfelt ze aan hun liefde of aan de juistheid van de partijlijn. Ze bewondert het organisatietalent van haar echtgenoot, zijn kameraadschap, zijn tomeloze energie. Desalniettemin overtuigt dit hagiografisch portret niet echt. Als lezer krijg je gaandeweg de indruk dat Rudolf Slanksy meer iets van een houwdegen dan van een dichter moet hebben gehad om zo’n steile carrière in zo’n militaristische partij te kunnen maken. Tegelijk komt zijn vrouw steeds verfijnder over. Haar stijl is eenvoudig maar helder, haar belezenheid groot. Ze schreef en vertaalde teksten, redigeerde nieuwsberichten en las ze ook zelf voor. Op den duur krijgt haar bescheidenheid zelfs iets irritants.

Harde noot

Dat de Russen iets zochten om mensen als de Slansky’s te kunnen chanteren wordt duidelijk wanneer in 1943 hun dochtertje wordt ontvoerd. Ook ver na de oorlog geven de Russische autoriteiten niet thuis over deze kwestie, wat erop kan duiden dat er van hogerhand opdracht is gegeven de zaak in de doofpot te stoppen. Tijdens het proces wordt deze ontvoering echter gebruikt als hoofdmotief voor de zogenaamde haat van de Slansky’s tegen de Russen en hun systeem. Josefa is verbijsterd dat haar ondervragers dit durven opperen. Maar verbijsterd is ze nagenoeg voortdurend, vanaf het moment dat het echtpaar in de villa van een partijgenoot wordt gearresteerd tot de dag dat ze als weduwe de gevangenis mag verlaten en verbannen wordt naar een dorpje aan de Poolse grens. Ze ondergaat de vernederingen met onbegrip en zonder agressie, in tegenstelling tot haar man die weigert welk protocol dan ook te ondertekenen, elke beschuldiging met klem ontkent en probeert zichzelf op te hangen tijdens een onbewaakt moment. Rudolf Slansky is een zeer harde noot voor de geheime dienst om te kraken. Het kost heel wat emmers koud water, heel wat nachten zonder slaap en heel wat slagen en scheldpartijen eer zijn wil gebroken is.

Een blijvend besmette naam

Om zichzelf te beschermen tegen de oprukkende depressie en apathie blijft Josefa Slansky geloven in de goedheid van de mensen. Ze geeft voorbeelden van menselijk gedrag door bewakers, kleine staaltjes van begrip en mededogen die haar geestelijk op de been houden. Ze beschrijft ook hoe ze in later jaren probeert contact op te nemen met vroegere vrienden, die nog steeds hooggeplaatste kameraden zijn. Sommigen ontvangen haar, geven haar geld, beloven het voor haar te zullen opnemen, maar uiteindelijk ondernemen ze niets. De naam Slanksy blijft besmet, als het synoniem van een ziekte. De weduwe camoufleert zich achter haar doorzettingsvermogen, haar trots, deels om het vol te kunnen houden, deels ook om niet te hoeven twijfelen aan de aard van het systeem zelf. Want hoewel Rudolf Slanksy zonder twijfel een vooraanstaand slachtoffer is van het stalinisme heeft hij ook jarenlang gehandeld uit naam van datzelfde stalinisme. Drie jaar lang, van 1948 tot eind 1951, was hij de tweede man van het land, en precies in die tijd begon de gedwongen collectivisatie van de landbouw, de nationalisering van de industrie en de onteigening van rijke burgers. Hoeveel bloed heeft er aan de handen van Slanksy zelf gekleefd voor ze zelf geboeid werden? Die vraag wordt niet beantwoord in dit boek, zelfs niet opgeroepen. Het hoefde ook niet, want in 1968 was het belangrijker het getuigenis te lezen van Josefa Slansky dan een objectieve biografie. Als getuigenis van de stalinistische vervolging is dit boek nog altijd zeer lezenswaardig, als historische waardebepaling van de rol en de persoon van Rudolf Slanksy zelf schiet het natuurlijk sterk tekort.

Josefa Slansky: De Waarheid over mijn man- de zaak Slansky, vertaald door Kliphuis-Vlaskamp, Sijthoff, 197 bladzijden.    

©Max Moragie

Praagse Lente: recensie van Ludvik Vaculik: De Bijl

DEM_164_Cover_corr3-page-001Als aanvulling op het themanummer ‘De Praagse lente’ DEM 164, schreef redateur Max Moravie enkele recensies van Praagse Lente-romans. We zetten ze de volgende dagen online. Dit is nummer één: Ludvik Vaculik: De Bijl

DE BIJL AAN DE WORTEL

Tekst: Max Moragie

IEDER VOOR ZICH EN DE PARTIJ OOK NIET VOOR ONS ALLEN

In de jaren vóór de Praagse Lente glipte er een aantal romans door de censuur die verrassen door hun literaire vernieuwing en vooral hun bijtende kritiek op het systeem van het ‘reëel bestaande socialisme’. Een ervan is De Bijl van Ludvik Vaculik. In 1966 was de 42 jarige Vaculik een regimetrouwe, communistische verslaggever bij het partijblad Rude Pravo (De Rode Wet). Ook de ik-figuur in zijn debuutroman is een dagbladjournalist, maar een die in opstand komt tegen de geïnstitutionaliseerde leugenachtigheid om hem heen. De Bijl valt in eerste instantie op door zijn poëtische stijl en zijn humor, en misschien leidden die beide aspecten destijds de censor om de tuin, maar daaronder is het een rauw, ongenadig en ook vijftig jaar later nog verrassend actueel boek.

De Bijl is een cirkelvormig opgebouwde roman. Op de eerste bladzijde kondigt de verteller aan dat hij bij zijn ‘chaufferende broer op bezoek moet gaan’, in het laatste hoofdstuk is het eindelijk zover. Tussendoor vertelt hij over zijn problemen op de redactie, naar aanleiding van een artikel dat nooit had mogen verschijnen, maar eigenlijk is het verhaal één lange uitweiding over zijn leven en vooral over dat van zijn vader. Om de cirkelvorm complexer te maken verweeft Vaculik brieven van de vader in het verhaal. Als lezer herken je de overgangen in eerste instantie enkel aan een iets andere spelling – alle o’s zijn dubbel, zoals in zoo en alzoo – maar gaandeweg raak je vertrouwd met de stijlverschillen. Geleidelijk aan maken de brieven trouwens plaats voor gedachten. Onmerkbaar wordt de vader de eigenlijke ik-figuur in steeds meer hoofdstukken, tot hij overlijdt.

Ondankbaar en oprecht

De journalist heeft verschillende broers en diverse neven. Het opvallende aan hun levenswandel is dat die helemaal niet zo geordend is als je in een communistisch land zou verwachten. Er wordt zwart gewerkt, vanuit de kofferbak verkocht, gesjoemeld en gestolen. Eigenlijk zijn de ik-figuur en de ‘chaufferende broer’ de enigen met een vaste betrekking, maar ook zij zijn niet te beroerd om hout te stelen uit het bos of op een andere manier wat bij te verdienen. Ze kunnen ook niet anders.  De communistische machtsovername van februari 1948 heeft het door oorlog gehavende land niet van de ene op de andere dag welvarend gemaakt. Sterker nog: de revolutie die de samenleving egalitair zou moeten maken zorgt voor een nieuwe kloof. Een deel van de boeren in het Moravische geboortedorp van de ik-figuur weigert lid te worden van de nieuwe landbouwcoöperatie. De verteller beschrijft – met de wijsheid achteraf – dat ze door het regime gestraft worden tot in het zoveelste geslacht. De boer blijft verstoken van mechanische hulpmiddelen, zijn kinderen mogen niet studeren – als zonen en dochters van een contrarevolutionair – zijn kleinkinderen worden al geboren met achterstand, in een marginaal gezin. De vader van de ik-figuur had hen kunnen helpen. Hij is immers benoemd tot bestuurslid van het Volkscomité, als beloning voor zijn jarenlange lidmaatschap. Maar hij probeert het niet eens – en niet uit lafheid, maar uit overtuiging dat de partij precies weet wat ze doet. Hij schenkt zelfs een van zijn eigen akkers aan de coöperatie, hoewel die daar niet om gevraagd heeft. Zijn oprechtheid wordt hem niet in dank afgenomen.  De boze bourgeois boeren stelen zijn hout, vernielen zijn huis en beschieten hem zelfs. De klasse-oorlog woedt nog jarenlang op het platteland en is niet te onderscheiden van ordinaire familievetes.

Een slet dan maar

Maar het nieuwe regime maakt zich aan meer dingen schuldig. Met veel gevoel beschrijft Vaculik de bossen en bergen die het Moravische landschap kenmerken. De wateren zitten vol vis, de bomen hangen vol fruit en als er ergens een grote boom is omgevallen zijn vader en zoon niet te beroerd die een dag lang door midden te gaan zagen om voor winters brandhout te zorgen. De bijl wordt op vele manieren gehanteerd in dit boek: letterlijk om brandhout te klieven maar ook door een boze boer die er woest zwaaiend  een aantal controlerende ambtenaren mee tracht te verjagen. Figuurlijk fungeert de pen van de journalist als bijl, wanneer hij een artikel schrijft over een meisje dat onterecht niet is toegelaten tot een opleiding en dat vervolgens zelfmoord pleegt. De ware reden waarom ze niet werd toegelaten – willekeur – mag niet worden onthuld, dus wordt er maar op gezinspeeld dat ze een slet was. De dokter die verklaart dat ze geen maagd meer was deed dit onder druk. Hoewel het nergens expliciet gezegd wordt, lijkt het erop dat de ik-figuur partij heeft gekozen voor het meisje omdat ze een uitgestotene is, net zoals veel van zijn familieleden en dorpsgenoten. Maar op de redactie werkt men niet met de botte bijl. Anderen verliezen hun baan als gevolg van hun verdediging van het artikel, een halfslachtige, waarbij ze niet echt kritiek durven leveren op de leiding, maar toch een verdediging. Door alle stress rond het vermaledijde artikel sterft zijn collega Slavek aan een hartaanval; de hoofdredacteur wordt ontslagen – en prompt opnieuw benoemd bij een andere krant in dezelfde functie.

Opgestapelde misstanden

In dit laatste zou je ook een halfslachtigheid van Ludvik Vaculik zelf kunnen zien, want natuurlijk kon de auteur in 1966 niet zonder meer schrijven wat hij wilde, niet in de partijkrant maar ook niet in fictie. De echte systeemkritiek is dan ook meer tussen de regels leesbaar, in ieder geval in dit deel van het verhaal. En toch zijn er hele hoofdstukken waar de communistische honden geen brood van moeten hebben gelust. Als de vader na de dood van zijn vrouw het ouderlijk huis aan zijn dochter overlaat wordt hij manager op een grote kolchoze. De oogst binnenhalen op de collectieve boerderij wordt een ramp. De misstanden stapelen zich op. ‘Mijn voorganger heeft tweemaal mijn spullen buiten de deur gezet en vier meisjes van de Werkbrigade hun intrek laten nemen in mijn kantoortje. .. Ik heb geweigerd om voor hem werkbriefjes te ondertekenen waarop de werkomschrijving altijd onleesbaar was en alleen de geldbedragen met koeienletters genoteerd stonden. Hier placht men voor werk te betalen dat nooit uitgevoerd werd. Ik zei hem die bewuste dag: ‘Schrijft u alstublieft de bedragen even onleesbaar als het werk, dan komen we waarschijnlijk aan een exacter bedrag.’ ‘ Hij wordt opnieuw beschoten, uitgescholden en bestolen. Tegen alle ervaring in blijft de vader geloven dat de maatschappij goed kan draaien als alle betrokkenen eerlijk hun plicht vervullen, terwijl de collectieve boerderij in werkelijkheid een wereld is waarin geldt: ieder voor zich en de Partij ook niet voor ons allen.

Betrapt

De cirkel van het verhaal sluit –voorlopig – bij het bezoek aan de chaufferende broer. Die beschrijft hoe zijn bazen telkens weer stukjes van zijn salaris afsnoepen, onder de meest perfide voorwendselen. De beide broers besluiten hun wraak te nemen: in het bos verderop ligt al twee jaar een enorme beukeboom. Ze vertrekken zondags met hun bijlen en hakken de stam en takken aan stukken. ’s Avonds halen ze het hout op met een vrachtwagen en worden daarbij betrapt door de boswachter. Het boek eindigt met een nachtelijke achtervolging over de slecht verlichte wegen, een waarbij ze uiteindelijk de politie weten af te schudden. Uitgeput maar lachend vieren de broers hun overwinning op het systeem, hun wraak voor hun dode vader, voor de armoede en gemiste kansen in hun jeugd. Hun wraak is vol spierpijn, tijdelijk, maar daarom niet minder zoet. Ze hebben even de bijl gezet aan de wortels van het systeem, net als de auteur met de gelijknamige roman. Drie jaar later verdween het boek alsnog onder die van de opnieuw ingestelde censuur.

De Bijl verscheen pas in 1978 in vertaling bij Meulenhoff, maar in wat voor een.. Kees Mercks heeft de roman in een zeer mooi en nog altijd hedendaags Nederlands omgezet. Het boek was toen al een klassieker van de Tsjechische literatuur. Ruim vijftig jaar na verschijnen is het nog steeds zo poëtisch, zó geestig en tegelijk zó schrijnend dat ik het gerust een roman van wereldklasse zou durven noemen.

Ludvik Vaculik: De Bijl, vertaald door Kees Mercks, Meulenhoff, 1978.

 

 

 

© Max Moragie

DEM164 dubbelnummer Praagse Lente en minifocus op J.M.H. Berckmans

Deux ex Machina nr 164 is een dubbel(dik)nummer rond twee thema’s. Enerzijds een terugbliDEM_164_Cover_corr3-page-001k op de Praagse Lente, anderzijds een unieke verzameling nieuwe teksten van en over J.M.H. Berckmans. 

Het dubbelnummer wordt dan ook op twee gelegenheden voorgesteld:

De Praagse lente in het Prague House in Brussel (uitnodiging)
De minifocus J.M.H. Berckmans in de Boekowski in Antwerpen (uitnodiging)

 

PRAAGSE LENTE

‘Es war hörbar, sichtbar, greifbar und doch nicht zu fassen.’ Zo begint Heinrich Böll zijn verslag van de gebeurtenissen die zich in de nacht van de 20ste op 21ste augustus 1968 in Praag afspeelden. Böll was enkele uren voordien in Praag gearriveerd op uitnodiging van de Tsjechische schrijversbond. De latere Nobelprijswinnaar literatuur die zich in de loop der jaren wist te ontpoppen tot vooraanstaand politiek activist en tot het morele geweten van (West-)Duitsland, geloofde zijn ogen niet toen de tanks van het Warschaupact de Tsjecho-Slowaakse hoofdstad binnenrolden en een einde maakten aan een experiment dat de geschiedenis zou ingaan als de ‘Praagse Lente’.

Niet te vatten was de Russische inval uiteraard ook voor vele Tsjechen en Slovaken. ‘Ik hoop dat dit alleen maar een slechte droom is’, zong de populaire zanger Karel Černoch ongeveer op hetzelfde moment. Een nachtmerrie was het evenzeer voor Moskou. Spoedig gingen de filmbeelden en foto’s van Josef Koudelka en co de wereld rond. Beelden van meestal ongewapende Tsjechen die het opnamen tegen Russische pantsers – het mag duidelijk zijn waarnaar de sympathie van de modale wereldburger uitging, en dit niet alleen in het kapitalistische Westen. ‘De Tsjechische fotografen en cameramensen begrepen dat juist zij het enige konden doen dat nog gedaan kon worden: voor de verre toekomst het beeld van het geweld bewaren’, schreef Milan Kundera later in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.
Samen met Kundera lieten ook andere Tsjechische en Slovaakse auteurs zich niet onbetuigd. Naast economische hervormingen en de toename van de persoonlijke vrijheid, betekende de Praagse Lente een tot dan toe ongekende explosie aan artistieke creativiteit, die zich onder meer vertaalde in de literatuur. Ludwíg Vaculík, Milan Kundera, Arnošt Lustig, Ivan Klíma en de nog jonge Václav Havel – om het bij dit vijftal te houden – schuwden hun kritiek op het (vroegere) regime niet en steunden de toenmalige politieke leider Alexander Dubček in zijn poging om het communistische Tsjechoslowakije om te vormen tot een ‘socialistische staat met een menselijke gezicht’.

Deze DEM gaat onder meer over deze literaire revolte. In het inleidende ‘De ongekende dynamiek van Priestor’ beschrijft Vincent Scheltiens hoe de liberalisering in het Tsjechoslowakije van de jaren zestig een dynamiek ontketende die zou leiden tot augustus 1968. Max Moragie herlas het werk van Pavel Kohout en Zdeněk Mlynář. De Tsjechisch-Nederlandse auteur Jan Stavinoha en de Tsjechische fotograaf/dichter Pavel Baňka kijken terug op augustus 1968. De eerste maakte alles mee in Praag; de tweede neemt ons mee naar Italië. Want ook dat was de Praagse Lente: Tsjechen die door de open grenzen in de mogelijkheid verkeerden met een decadente Amerikaanse automobiel uit de jaren dertig naar Italië te reizen. Irma Pieper vertaalde gedichten van Václav Hrabě, een in 1965 jong gestorven beat-dichter die na
zijn dood zou uitgroeien tot een ware cultauteur. Wim Michiel schetst in ‘Franz Kafka en de Praagse Lente’ hoe Praags bekendste auteur veertig jaar na zijn dood door de hervormingsgezinden werd ingezet om zowel op literair als maatschappelijk vlak een en ander te doen bewegen. Afsluiten doen we met Jasper Vervaeke, die uitweidt over de wonderbaarlijke ontmoeting tussen Milan Kundera enerzijds en Gabriel García Márquez, Carlos Fuentes en Julio Cortázar anderzijds

Naast de ‘Praagse Lente’ is er poëzie van Tess Gallagher, Hendrik Carette, Bert Van Raemdonck, Christophe Vansteeland en Peggy Verzett. Het laatste woord krijgt Robert Musil, die zich in een eigenzinnige hertaling van Harry van Doveren de pertinente vraag stelt wat een dichter is.

MINI-FOCUS J.M.H. Berckmans

Tien zomers geleden werd J.M.H. Berckmans (1953-2008) dood aangetroffen in de sofa waarin hij een groot deel van zijn laatste jaren doorbracht. Toen hij stierf, was Berckmans al een legendarisch schrijver. Tien jaar later is de ‘chroniqueur van Barakstad’ niet vergeten. Integendeel. Nu het stof van zijn woelige poète mauditbestaan is neergedaald, blijft zijn unieke literaire stem intrigeren en inspireren.
Hij verenigde de oerkracht van Louis Paul Boon en de experimentele speelsheid van Ivo Michiels. Met beide voorgangers had hij niet alleen de volstrekt eigen toon gemeen, maar ook de arbeidersjeugd en het koppige selfmade schrijverschap.

Ook Berckmans wilde met zijn literatuur geen ‘verhaaltjes vertellen’, maar greep proberen te krijgen op het bestaan. Berckmans’ bestaan kende heel wat breuklijnen en ook in zijn schrijven bleef hij evolueren. In deze special leggen we vooral de nadruk op de laatste periode van zijn schrijversleven, toen hij zich in een kleine biotoop terugtrok en een radioscopie van een geïmplodeerde existentie op papier zette.
Over Berckmans werden al vele beschouwingen geschreven. We kozen er daarom voor unieke scherven te tonen uit Berckmans’ universum. Eerst en vooral met een ongepubliceerde literaire litanie (een van Berckmans’ favoriete vormen) van Berckmans in de vorm van een brief aan zijn laatste muze Kristien. De actrice en toneelauteur Kristien De Proost, de laatste jaren een brandpunt in Berckmans’ teksten, antwoordt tien jaar later met een aangrijpende brief aan haar ‘donkere zon’. Ook Berckmans’ boezemvriend, personage en ‘literair & muzikaal secretaris’ Geert Breës blikt voor het eerst terug op zijn intense jaren met Jean-Marie.

Om deze bijzondere scherven te kaderen, publiceren we een fragment uit de deze zomer te verschijnen Berckmans-biografie Schrijven in de Grauwzone van Chris Ceustermans. En DEM-redacteur Jan Bettens zwierf wekenlang langs Berckmans’ prozawegen, op zoek naar datgene wat de auteur legendarisch maakt. Dichter Frederik Lucien De Laere, die op instigatie van Berckmans zijn eerste bundel publiceerde, bezweert samen met Kromsky de demonen van de Grauwzone.

Ten slotte blikken twee auteurs terug op Berckmans’ invloed. Elvis Peeters ontbeet in Berckmans’ vilbeluik. En de jonge Michiel Cox beschrijft zijn Saulus-moment: een jonge auteur van de schrijfstoel gebliksemd door Berckmans’ swingende & krinklende taalpandemonium.
Een mensenleven is geen puzzel. Deze scherven bieden de lezer een gebarsten en doorleefd beeld van Berckmans en diens werk; proza dat vooral worstelt met een gebarsten zelf. Jean-Marie, met zijn afkeer voor academische mierenneukerij, zou deze benadering wellicht geapprecieerd hebben. Wat u als lezer daarvan denkt zou, in de geest van zijn helden John Coltrane en Samuel Beckett, niet meteen zijn allergrootste zorg zijn geweest. Toch wensen we u een boeiend verblijf in Berckmans’ Grauwzone.

De genomineerden van de Europese wedstrijd microfictie!

flash-fiction-banner-webHoera, de landelijke kandidaten voor de EACWP-microfictiewedstrijd zijn bekend!

Je vindt de genomineerden hier.
Op 30 juni wordt de winnaar bekendgemaakt.

Deus Ex Machina mocht de Vlaamse en de Nederlandstalige inzendingen inkijken en deelde tien nominaties uit voor de Deus Ex Machinaprijs ter waarde van 200 euro . Dit aan respectievelijk vijf Vlaamse en vijf Nederlandse inzendingen. Deze tien verhalen worden opgenomen in ons septembernummer dat volledig aan microfictie gewijd is. Daarbovenop krijgen de auteurs een jaar lang ons tijdschrift toegestuurd.

Wie uiteindelijk met de DEM-prijs gaat lopen, wordt op donderdag 20 september 2018 bekendgemaakt. Dan vindt in Antwerpen een feestelijk microfictie-event plaats en wordt het nieuwste nummer van DEM boven de doopvont gehouden. Meer nieuws daarover volgt nog, want het belooft een prachtige avond te worden in samenwerking met onze partners deBuren, Mont Saint Eugene, boekhandel Limerick en Het Bos.

Dit zijn alvast de tien kanshebbers:

Voor België:

Ich bin wie du: Yelena Schmitz
Winterland: Wouter Degreve
De vogels van het noorden: Frank Van Den Houte
Het restaurant: Yves Peirsman
De kruik: Thomas Buyssens

Voor Nederland:

Het symposium: Louis Bidder
Een ondergrondse: Wout Waanders
Morgenster: Arthur de Smet
Showtime: Debby Willems
Gêne: Sanne van Gent

Vers op tafel: ‘Houdingen’ van Sylvie Marie

zo onbezonnen liggen luilakken als vers

gezoogde leeuwenjongen

zullen we niet meer doen.

altijd zal er dat sprietje schaduw zijn,

een beet van een netel op een kleine teen. ooit

streek ik mijn voeten ongegeneerd

tegen je been. nu

nemen we poses aan

waarop in documentaires

de voice-over stokt.

 
 
Sylvie Marie (Tielt, 1984) is schrijver en schrijfdocent. Ze staat regelmatig op het podium en is ook redacteur van dit tijdschrift. Eind deze maand verschijnt haar vierde dichtbundel ‘houdingen’.

Vers op tafel: Anouk Smies, ‘Onbeschoft, zo wit’

In de rubriek Vers Op Tafel brengen we een voorpublicatie uit een binnenkort te verschijnen dichtbundel.

AnoukSmiesAnouk Smies (1975) debuteerde in 2013 met Citaten van een roofdier, een bundel die de jury van de C. Buddingh’- prijs fascineerde door de weerbarstige, onnavolgbare beeldspraak. Haar tweede bundel Wie heeft een middelpunt nodig werd in 2017 genomineerd voor de J.C. Bloemprijs. Smies publiceerde eerder op Krakatau, de Optimist en de Contrabas. Ze schreef poëzie en levensbeschouwelijke verhalen voor kinderen en is eigenaresse van Tekstbureau PURUS. Daarnaast beslaat ze vijftig procent van het beeld en tekst spugend samenwerkingsverband Collectief 15.
Haar nieuwe bundel Onbeschoft, zo wit verschijnt medio mei bij uitgeverij Opwenteling.


EEN AVOND AAN ZEE DIE NIEMAND ZICH HERINNERT

De klokkenluider zegt:
Bijna alle ellende
op aarde
is een verdienmodel

De horizon
schikt kalkarm
been onder zijn vel

De zee verkleurt

Mijn moeder lacht
Ze lacht omdat
de waterlijn zich terugtrekt
in haar panty vol gaten
en een autarkisch zonnetje
over de betaaldrempel meesleurt

 

TEDERHEID

Nu je langzaam
oplost verwacht men tederheid

Men gaat er vanuit dat
ik het desintegrerende vastpak
met vergevende handen

Tederheid
is gemaakt
voor vaste vormen

Ze omsluit totalitair
wat te verstard is om te denken

Tederheid breekt
Wat kapot is stoot ze af
maakt een verontschuldigend gebaar

Vingert zich uit verveling
met ruwe vingertoppen
3x
op de grijze molton klaar

 

DE ZIEKTE

Ik ben
een exorcist
die zich met semantische wangen
tegen de venusheuvel van kunst aan schurkt

De hoofdredacteur van tijd
die je ontkenning tot
behapbare kreet uitsnijdt

Ik maak je compact en licht
Poreus, zo humaan

Ik geef je dat postmoderne moment
van helemaal niets weten
Van lachwekkend normaal zijn, als ruikbaar vlees
maar midden in de spotlight staan

 

OP EEN DAG GAAT JE MOEDER DOOD

Ooit gaat ook jouw moeder dood
Op die dag kom ik langs

Pluk servetten uit je vlees
en snuit mijn neus

Ik bouw een heus
gebouw van klappen in taal

Druk je de stinkende leegte
van je adem in
en zeg: Godverdomme-zie

Als je wegrent
talm ik slinks als een gespierde jager
Dan verwijt ik je mijn poëzie

©Anouk Smies

‘Une chanson est un Gesamtkunstwerk’ – Bertrand Cantat

[Deze ‘Bordeaux-column’ verscheen in het Deux ex Machina nummer over songwriting.]

quartier libreJuli 2003 wordt West-Europa bruusk uit zijn zomeridylle gerukt door nieuws uit de pop-/filmwereld: Betrand Cantat, frontman van Noir Désir, heeft zijn vriendin Marie Trintignant om het leven gebracht in een hotelkamer in Litouwen. Het nieuws haalt de voorpagina’s van alle kranten. Een geschenk van formaat voor journalisten en nieuwsmedia die zich elke zomer suf piekeren over  anti-komkommermateriaal. Tel daarbij dat de dochter van Trintignant een bloedmooie actrice was, en je hebt alle ingrediënten voor een kanjer van een scoop.   Bovendien was het al van 1980 (Ian Curtis hing zich op in zijn keuken) geleden dat de Europese popwereld zijn  rock ’n roll-drama had gehad.

Het vervolg is bekend. Cantat moet een paar jaar brommen in de gevangenis. Noir désir wordt opgedoekt. Kort na zijn vrijlating pleegt zijn ex-vrouw,  de Hongaars-Franse schrijfster en vertaalster Krisztina Rády en moeder van zijn twee kinderen, zelfmoord. De Franse popscene heeft zijn hoogst eigen rock ’n roll-geval.

April 2017. Het is lente in Bordeaux [1]. Mijn vriendin en ik runnen een vegetarisch restaurant, La soupe au caillou, gelegen in de volkswijk Saint Michel op een boogscheut van ‘Quartier Libre’, een bar opgericht door Bertrand Cantat waar je elke avond naar een gratis concert kan luisteren. Het is twee uur ‘s middags en onze middagdienst zit erop. Of nee toch niet, iemand klopt bescheiden op het raam. Het is Bertrand Cantat. Of hij nog iets kan eten? Tuurlijk, zegt mijn vriendin, een Bertrand Cantat kun je toch niets weigeren. Hij neemt plaats in het restaurant. Een imposante fysieke verschijning, goedlachs, jongensachtig nieuwsgierig. Met zijn prachtige stem vraagt hij: ‘Et vous ?  Qui êtes-vous?’ Ik vertel hem dat ik uit België kom. Welk deel precies? Le nord, zeg ik. ‘Ah, Les Flandres..!’ Stop. Meer heeft Cantat niet nodig om een monoloog van een half uur af te steken over de Belgische en vooral de Vlaamse popscene om vervolgens uit te bollen met een lange mijmering over the art of songwriting.

‘Weet je, de eerste plaat van Noir désir hebben we opgenomen in Brussel. Daar had je toen die fantastische studio gerund door een Amerikaan. De halve muziekwereld zat er platen op te nemen. Geweldige omgeving. Zelfs in Parijs had je zoiets niet. Popgroepen in de jaren ‘80-‘90 moesten nog voor alles zelf zorgen. Zelfs onze affiches plakten we zelf in de stad. Als ik zie hoe jonge groepen het vandaag aanpakken: beetje facebooken en hup honderdduizend likes! Ik ben niet cynisch hoor, maar het was toch een andere tijd.’

Of er zoiets bestaat als ‘de Franse stijl’? En of hij (en Noir Désir) zich plaatst in de traditie van het Franse Chanson?

‘Het Franse chanson? Wat is dat eigenlijk? Dat zijn oneindig veel stijlen, stemmen. Dat bestaat eigenlijk niet. Elke liedjesschrijver maakt/boetseert zijn eigen muzikale object. Je hebt drie minuten om een verhaal te vertellen en je kan het op honderdduizend manieren doen. Een song is een geheel van verschillende elementen: muziek, tekst, zanger, begeleiding: het moet allemaal kloppen, vloeien, natuurlijk overkomen. Natuurlijk heb ik veel aan Brel gehad. Maar evengoed aan The Clash. Weet je, ‘Amsterdam’ van Brel is een geweldig nummer als Brel het zingt, maar als Bowie – met alle respect voor Bowie – het zingt is het een klucht: hij méént het niet, hij covert Brel zonder zijn eigen ziel erin te leggen. Dat is hopeloos oninteressant. Enfin, ikzelf ben niet geïnteresseerd in netjes ‘gepolijste’ songs die wel goed klinken maar geen guts hebben. Laatst kreeg ik een telefoontje van Tom. Je kent hem toch? Tom Barman. Goeie vriend van mij. Topkerel. We spelen vaak in elkaars voorprogramma als hij in Frankrijk toert. Wel, Tom belde me onlangs op met de vraag of ik geen song van hem in het Frans wil overzetten? Nou, als Tom wat vraagt, dan ben ik altijd geïnteresseerd, dus ik meteen: stuur maar door, Tom. Enkele seconden later (je kent Tom) krijg ik een nummer in de mail. Man man man. Zo’n typisch poppy deuntje, lekker in het oor liggend, goed gedaan hoor, maar absoluut niet mijn ding. Ik (je kent me) heb meteen Tom gebeld en gezegd dat ik zoiets onmogelijk kan, tenzij ik er helemaal mijn eigen ding kan van maken. Is niet de bedoeling, zegt Tom, we willen met dit nummer ook de Franse markt aanspreken, we zoeken iemand die het kan transponeren naar iets ‘Frans’. Ik heb ervoor bedankt. Zie je, een song dat is een klein organisme. Je weet vaak niet waar je aan begint, je voelt potentieel, je laat je gaan en opeens is het daar. Je kan het niet ‘willen’, het komt of het komt niet.’

In vier, vijf grote happen is Cantat door zijn copieuze vegetarische schotel (mijn vriendin verwent hem echt wel hoor, die Cantat)  ‘Zo. Ik moet er weer eens vandoor. Ben druk bezig met een soloplaat. Die komt uit in december. Leuk gesprek. We moeten nog eens doorbomen over Vlaamse popmuziek en over dat Gesamtkunstwerk: de song. ‘

Oktober 2017. Nationaal nieuws: Bertrand Cantat kondigt een soloplaat aan. Frankrijk haalt de affaire Trintignant weer uit de gracht. Een oude rechter beaamt: ‘Cantat heeft wel degelijk een moord gepleegd, schande dat die man nu alweer liedjes mag zingen.’ 

Die middag in het restaurant had hij de reacties voorspeld. ‘Die affaire blijft me achtervolgen. Ik toer momenteel met de tekstlezing van een roman van Caryl Férey, Condor, een verhaal dat in Chili speelt. Avignon heeft geweigerd me te programmeren vanwege mijn verleden.’

Je n’ai pas peur de la route
Faudrait voir, faut qu’on y goûte
Des méandres au creux des reins
Et tout ira bien

Le vent l’emportera

Noir Désir, Le vent nous portera (2001)

 Jan Pollet

Redacteur Deus Ex Machina

[1] Bordeaux was in de jaren negentig het epicentrum van de popmuziek in Frankrijk. De aanwezigheid van Noir Désir was daar natuurlijk niet vreemd aan. Veel beginnende groepjes streken er neer en repeteerden in vochtige oude wijnkelders. Bordeaux heeft ook een eigen Rockschool.  Onder anderen Arno komt er regelmatig concertjes geven…

Europese wedstrijd microfictie – maximum 100 woorden!

ACHTUNG! ACHTUNG! ACHTUNG!

 

flash-fiction-banner-webSeptember 2018 brengt DEM – met Sofie Verraest als gastredacteur – een themanummer over MICROFICTIE uit.  Naast essays over Kafka, Cortazar, Lydia Davis en A.L. Snijders, vindt u ook een heleboel (ultra)kort werk van bekende en minder bekende (inter)nationale auteurs. Daarnaast koppelt Deus ex Machina zijn karretje aan de Flash-Fiction EACWP Contest, een Europese schrijfwedstrijd die in ons taalgebied ondersteund wordt door Creatief Schrijven (Vlaanderen) en ArtEZ Creative Writing (Nederland). 

Elke inwoner van Europa kan aan deze wedstrijd deelnemen. Zij/hij schrijft een verhaal van maximum 100 woorden (exclusief titel) dat zich in Europa afspeelt. Verhalen kan je eenvoudig indienen via een online formulier op de website van EACWP. Opgelet: deadline is 1 maart 2018! 

De tien beste Nederlandstalige inzendingen worden gepubliceerd in DEM166 (september 2018). De tien auteurs krijgen een gratis abonnement op Deus ex Machina. Het beste Nederlandstalige verhaal wordt beloond met een geldprijs van 200 euro en dingt met dertien andere Europese kortverhalen mee naar de internationale EACWP-award (met een geldprijs van 600 euro).

Meer info over deze wedstrijd, het reglement en de timing vind je via http://creatiefschrijven.be/wedstrijd/eacwp-flitsverhalen/ en https://eacwp.org/flash-fiction/

Dit initiatief is een samenwerking van deBuren, Creatief Schrijven, Mont Saint Eugene, Boekhandel Limerick en Deus ex Machina.

dem creatief schrijven deburen logo

 limerick logo MSE logo

DEUS EX MACHINA NR 163 : SONGWRITING

Vooraf

DEM_163_Cover_V5-page-001Bob Dylan won vorig jaar de Nobelprijs voor Literatuur.  Een  songwriter werd verkozen tot beste literator van 2016. En dit boven, bijvoorbeeld, Haruki Murakami of Philip Roth. Menig schrijver fronste de wenkbrauwen. Jonathan Safran Foer vroeg zich luidop af of hij nu in aanmerking kwam voor de Nobelprijs voor Muziek. Er waren natuurlijk ook wel wat schrijvers die de toekenning bejubelden, zoals de Vlaamse schrijver Christophe Vekeman, die zelfs beweert dat Bob Dylan erin geslaagd is ‘om van de songtekst een literair genre te maken’.

In deze Deus ex Machina willen we de songtekst als literair genre verder onderzoeken. Het nummer opent met Things can never be other than what is. Hiphopteksten in de context van hun cultuur. In dit essay onderzoeken Maarten Buser en Hugo Emmerzael enkele thema’s die de teksten van rappers in de voorbije decennia kleurden. Ook in de Lage Landen is hiphop in opmars.

Jongeren luisteren vandaag meer naar rap dan naar rock. Meer nog: hiphop is de hedendaagse pop. Artiesten als Tourist LeMC, Boef, Lil’ Kleine, De Jeugd van Tegenwoordig of Sevn Alias zijn populairder dan eender welke popgroep.

Ondanks de nadruk die veel mensen leggen op songteksten, probeert Michiel Kroese in Waarom schrijvers jaloers zijn op muzikanten aan te tonen dat de muziek an sich belangrijker is dan de tekst, en dat schrijvers dit zelf maar al te goed beseffen. Michiel Leen onderzoekt in Songstealing, een traditie als een andere aan de hand van de song Hey Joe hoe muzikanten elkaar voortdurend plagiëren, of op zijn minst inspireren. Remo Verdickt brengt een ode aan zijn grote idool Bob Dylan, terwijl Jan Pollet verhaalt over zijn ontmoeting met Bertrand Cantat, de Franse zanger van de beruchte groep Noir Désir die zijn eigen vriendin vermoordde. Muzikant/schrijver Michaël Brijs laat ons stap voor stap zien hoe hij een songtekst schrijft, onder andere door leentjebuur te spelen bij Nabokov. Jan Buts schreef een verhaal over een man die zich niet meer thuis voelt in een wereld waar alle spontaniteit en authenticiteit verbannen lijken te zijn. Bram Petraeus sluit de focus af met een aantal indringende foto’s. De meeste van de afgebeelde foto’s maakte Bram in opdracht van Gonzo (circus). Hiervoor bezocht hij onder andere het experimentele Rewire Festival in Den Haag. Bij dezen onze dank aan Gonzo (circus), het boeiendste muziekblad van België.

 

In dit nummer vindt u naast de hoofdfocus ook een katern van Jeugd&Poëzie (vanaf volgend jaar ‘Totaal’). De zomerkaping is een residentietraject voor jong artistiek talent, waarbij schrijvers elk jaar aan een andere discipline worden gekoppeld. Dit jaar werden tekst en grafiek met elkaar verbonden. Een twintigtal schrijvers en illustratoren resideerden een week lang in Mu.ZEE, waar ze in dialoog gingen met de Frans Masereel-tentoonstelling.    Zij werden begeleid door Bart Jaques (Letterzetter Kortrijk 2015-2017) en Gerard Leysen (Afreux) en kregen workshops  van  Hannah  van  Wieringen (De Harmonie) en Seppe van den Berghe (De Eenhoorn). De zomerkaping is een initiatief van Totaal & Jeugd&Poëzie en kwam tot stand in samenwerking met Mu.Zee en Deus Ex Machina.

 

Verder leest u in dit nummer het laatste deel van het drieluik van Gaea Schoeters. Deze keer laat ze Marguerite Duras een brief schrijven aan haar  38 jaar jongere compagnon Yann Andréa. Frans Denissen trakteert ons op  een extra lang en heerlijk verhaal: ‘Een lavallière heb ik nooit gedragen, maar een borsalino wel.’ Het laatste woord hebben we gereserveerd voor twee dichters: Kevin Amse en Tania Verhelst.

DEUS EX MACHINA NR 162: Het abstracte spel

VOORAF BIJ HET NIEUWE DEM-NR : HET ABSTRACTE SPEL

 

‘Het abstracte spel is als een meer, waarin een mug baden en een
olifant verdrinken kan.’ (vrij naar een Indiaas spreekwoord)

 

DEM_162_Cover_V2_-page-001‘Naar den vorm beschouwd kan men dus, samenvattende, het spel noemen een vrije handeling, die als “niet gemeend” en buiten het gewone leven staande bewust is, die niettemin den speler geheel in beslag kan nemen, waaraan geen direct materieel belang verbonden is, of nut verworven wordt, die zich binnen een opzettelijk bepaalde tijd en ruimte voltrekt, die naar bepaalde regels ordelijk verloopt, en gemeenschapsverbanden in het leven roept, die zich gaarne met geheim omringen of door vermomming
als anders dan de gewone wereld accentueeren.’ Zo omschrijft de Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) het spel in Homo ludens: proeve eener bepaling van het spelelement der cultuur (1938).

De voornaamste verdienste van Huizinga was dat hij tegenover de ‘homo sapiens’ en de ‘homo faber’ de ‘homo ludens’ of ‘spelende mens’ positioneerde. Het spel ligt, volgens Huizinga, aan de basis van taal, kunst en cultuur. Meer nog: het is een noodzakelijke voorwaarde voor het scheppen van cultuur. Dit probeerde hij in al zijn imposante eruditie en belezenheid te bewijzen aan de hand van zeer diverse voorbeelden – gaande van sportwedstrijden uit de Griekse oudheid en Indische raadseltoernooien tot trommelduels bij de eskimo’s. Homo Ludens is echter meer dan een louter descriptieve beschrijving van het spelelement in de cultuur: het is ook een aanklacht tegen een materialistische en hedonistische samenleving die het ‘ludieke’
hoe langer hoe meer uit het oog had verloren en zich – in de slipstream van Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes – richting afgrond begaf. ‘De moderne cultuur wordt nauwelijks meer gespeeld’, aldus Huizinga in het laatste hoofdstuk van Homo ludens, ‘en waar zij schijnt te spelen, is het spel valsch.’ Met Homo ludens ontpopte de auteur van het gelauwerde Herfsttij der Middeleeuwen (1919) zich tot volbloed cultuurpessimist die zijn toenmalige tijdsgenoten een spiegel voorhield. En dat spiegelbeeld zag er allesbehalve mooi uit.

Over Huizinga’s Homo ludens valt veel te zeggen. Over het belang van ascese en inkeer die hij als remedie zag tegen de ondergang van onze cultuur, bijvoorbeeld; of over het reactionaire, conservatieve karakter van zijn tekst. Feit is evenwel dat Huizinga laat zien dat spel en cultuur onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, dat het spel de grenzen van het sportveld of speelbord moeiteloos overstijgt en dat het zoveel meer is dan, nou ja, een spel.

Dit themanummer gaat niet over Huizinga of over zijn in Homo ludens ontwikkelde (en zeer ruim opgevatte) spelbegrip. Gecharmeerd door Kris Burms hartstochtelijk pleidooi in zijn manifest De juiste zet, kozen wij voor het ‘abstracte spel’. Zonder vooruit te lopen op wat komen gaat, zouden we het abstracte spel kunnen definiëren als een spel zonder thema voor twee spelers waarbij beide over alle informatie beschikken en de geluksfactor is uitgeschakeld. Of, zoals het in het Engels heet, ‘the abstract perfect information game for two players’. Het schaakspel is het bekendste abstracte spel. Daarnaast heb je andere klassieke abstracte spellen zoals dammen, go en othello, en ook nu nog worden er abstracte spellen ontwikkeld. Dat vooral die laatste zich tegenwoordig moeilijk staande kunnen houden tegenover de zoveel blitsere, hippere en lucratievere computergames en themaspellen, is een understatement.

Deze DEM mag je gerust als een apologie van het abstracte lezen. Een heroïsche, in dit tijdperk niet te winnen strijd die daarom juist toch moet gestreden worden. Een beetje vergelijkbaar als het ware met de positie waarin de letteren zich tegenwoordig bevinden.

Huizinga indachtig, hebben we ervoor gekozen om het abstracte spel zo breed mogelijk te benaderen. Zo wordt er behalve op het onvermijdelijke schaakspel ook gefocust op het Japanse go en het Afrikaanse mancala. Tegelijkertijd hebben we er bewust voor gekozen om het grensgebied van wetenschap, kunst en literatuur op te zoeken en te verkennen. Daarom vindt u in dit themanummer naast literair werk van onder meer Stefan Zweig, Yasunari Kawabata en Derek Walcott bijdragen van een mathematicus, een wetenschapsjournalist, een japanologe, een antropoloog, een socioloog, een filosoof en, last but not least, spelontwerpers zelf. En net zoals bij Huizinga is ook hier, meer dan we aanvankelijk hadden vermoed, cultuurkritiek nooit veraf.

Los van het centrale thema speelt Gaea Schoeters met de literaire traditie. In ons vorige nummer over ‘verboden boeken’ kroop zij in de huid van sovjetdichter Vladimir Majakovski. Omdat haar tekst zó goed was en omdat het om het eerste deel van een drieluik bleek te gaan, vroegen wij haar om ook de andere delen uit te schrijven. In het tweede deel laat ze markies de Sade een brief schrijven aan E.L. James, succesauteur van o.a. Fifty Shades of Grey.

Verder vindt u in dit nummer gedichten van Sander Buesink, Nikki Dekker en Bob Vanden Broeck, terwijl Lies Gallez met haar aanstekelijk kortverhaal ‘De voortuin van mijn grootmoeder’ deze DEM afsluit.

De redactie

De Boog viert André Baillon

0001De Boog nodigt u uit op dinsdag 10 oktober om 20:30 

André Baillon
WONDERLIJK EN ONBEKEND

André Baillon verdient een ereplaats in de galerij van vergeten schrijvers van De Boog.

Baillon werd geboren in Antwerpen in 1875 en kende een bewogen leven. Als jonge wees werd hij opgevoed door een strenge oom en tante. Na zijn studies in Leuven verbraste hij zijn erfdeel samen met een jonge minnares. In 1902 trouwde hij met de prostituee Marie Vandenberghe, later een hoofdpersonage in zijn (in het Frans geschreven) verhalen en romans. Hij trok zich samen met Marie terug nabij de abdij van Westmalle maar hun kippenkwekerij mislukte. Hij werkte een tijdje als journalist in Brussel waar hij de pianiste Germaine Lievens ontmoette. Samen vertrokken ze naar Parijs waar hij als ‘literaire gigolo’ tijdelijk meer succes kende maar uiteindelijk in de psychiatrische instelling van Saint-Germain-en-Laye belandde. Vanwege zijn labiele toestand verbleef hij tweemaal in het ziekenhuis La Salpêtrière, waarover hij prachtige verhalen schreef. Het ziekenhuis werd door de patiënten onder elkaar La Pépette – de Piepzak – genoemd, ook de titel van zijn laatste werk. Baillons laatste jaren werden gekenmerkt door zijn affaire met een jonge dichteres, Marie Vivier, met wie hij een hartstochtelijke correspondentie begon. Na een eerste zelfmoordpoging in 1931 maakte hij een jaar later een einde aan zijn leven.

Bart Duron formeerde rond deze fascinerende en innemende schrijver een veelstemmige avond rond een woord-en klankperformance van Maarten Otten en Koen Hanssen van de Factorij (de kunst-club van P.C. Bethanië in Zoersel) met medewerking van Jan Bettens (van het literaire tijdschrift Deus ex Machina), Frans Denissen (vertaler en biograaf van Baillon), Michael Brijs (schrijver, muzikant en theatermaker) en Elvis Peeters (popmuzikant en auteur van romans en theater).

Reserveer via info@boog.be. Inkom aan inkom: 5 euro. Podiumcafé RoodWit is gelegen in de Generaal Drubbelstraat 42 (niet ver van station Berchem). Voorstelling begint om 20:30. Deuren om 19:30.