In januari verschijnt het Berlijn nummer van Deus Ex Machina met bijdragen van o.m.Berlijn-kenners Jeroen Kuypers Piet De Moor, Huub Beurskens Dolores Thijs , Bodo Morshäuser, Jorg van Caulil (over voetbal ten tijde van de Muur) en vele vele anderen. Als aanloop naar de verschijning van het papieren nummer publiceren we intussen  recensies van boeken over Berlijn. Staan reeds online: Hans Fallada, Max Frisch, Hilsenrath , Joseph Kanon een orthografische beschrijving door Piet de Moor,  Gottfried Benn, en een fragment uit de Berlijn-film van Jean-Luc Godard. Deze week bespreekt redacteur Max Moragie de roman ‘Käte Jahn’ van Geert van der Kolk

 

DE LEGE LIEFDE VAN GENOSSE GUTKOPF

Door Max Moragie

ddrWie nu door Oost-Berlijn fietst of wandelt moet zijn ogen open houden om nog grauwe en troosteloze plekjes te ontdekken, maar vóór de val van de Muur was het contrast tussen het vaak chique westen en het vervallen oosten opvallend groot. Het is in dit Oost-Berlijn dat de roman ‘Käte Jahn’ van Geert van der Kolk is gesitueerd. In het jaar dat het boek verscheen – 1991 – was de DDR al voltooid verleden tijd, maar de herinneringen aan de Oostduitse communistische heilstaat moeten de voormalige correspondent Van der Kolk nog vers voor ogen hebben gestaan. ‘Käte Jahn’ is een roman die rijk is aan beelden en geuren en bevat veel beschrijvingen zoals deze: “ Jan Liep binnendoor naar de Janowitzbrücke en over de Alexanderstrasse naar het centrum. Links en rechts van hem stonden de grote nieuwe woonflats die hij vanuit zijn kamer in het Gästehaus kon zien. De straat was breed en leeg en er kwamen ook bijna geen auto’s voorbij. De Alexanderplatz leek een grote zwarte vlek op het hart van de stad. Er was wel licht aan de randen, in de etalages van het Centrum-Warenhuis en boven de parkeerplaats van Hotel Stadt Berlin, maar het plein was zo groot en leeg dat het midden aardedonker leek.”

Agiteren op de automatische piloot

Leegte en donkerte zijn symbolen voor het leven in de hoofdstad van de Duitse Democratische Republiek. De hoofdpersoon is een werkloze historicus die zich tijdens zijn studie heeft aangesloten bij de Nederlandse communistische partij. In Amsterdam colporteert Jan Goedkoop met het communistische dagblad, int hij contributie en bezoekt hij vergaderingen. Het zijn de nadagen van het Nederlandse communisme, waarin oudere havenarbeiders met versleten ruggen en vermoeide oorlogshelden met drankzucht de sombere achterafzaaltjes vullen. De misdaden van Stalin zijn al een kwart eeuw bekend, het Oost-Europese communisme verloor sinds het onderdrukken van de Praag Lente haar laatste glans, maar het lijkt er ook op of de Hollandse kameraden zich vrij wanen van al die Sovjet-Russische smetten. Ze gaan hun eigen, beduimelde gang en geloven ogenschijnlijk zelf al lang niet meer in de kracht van de revolutie. Van der Kolk suggereert dat de partijleden op de automatische piloot agiteren. Ook voor de jonge Jan Goedkoop lijkt het communisme meer een habitus dan een overtuiging. Wanneer hij de toestemming krijgt in Oost-Berlijn archiefonderzoek te verrichten voor een boekje over het obscure Bolsjewistisch Bureau in Amsterdam in de jaren 1917-1920, vormt de kennismaking met de wereld van het ‘reëel bestaande socialisme’ dan ook geen cultuurschok voor hem. Hij gebruikt de maaltijden alleen in het Gästehaus van het Centraal Comité, ploetert de documenten door die voor hem op tafel worden gelegd en stelt zichzelf geen enkele kritische vraag over de armoedige werkelijkheid om hem heen.

De onderklasse van de DDR  

Oost-Berlijn bestaat echter niet alleen uit beton en apparatsjiks die de communist uit het westen steevast met ‘Genosse Gutkopf’ aanspreken, maar ook uit mensen van vlees en bloed, en die brengen hem uiteindelijk geestelijk in beweging. Gedreven door verveling bezoekt Goedkoop ’s avonds kroegen. Daar ontmoet hij de beeldend kunstenaar Stefan Lange en de Jazz-zangeres Käte Jahn. Beiden hebben ooit een uitreisvisum aangevraagd en zijn sindsdien prompt uit het officiële circuit gegooid. Stefan overleeft met baantjes in drukkerijen, Käte treedt op in hotels maar verdient daarmee zo weinig dat ze zichzelf met obscure handeltjes in antiek en soms met prostitutie in leven moet houden. Stefan heeft een hardwerkende en doodbrave echtgenote, Käte een doortrapte vriendin, die over de juiste contacten beschikt, zowel met westerse opkopers als westerse hoerenlopers. Ze behoren tot de onderklasse van de DDR: politiek onbetrouwbaar, sociaal onaangepast, moreel verwerpelijk. Jan Goedkoop raakt bevriend met Stefan en wordt verliefd op Käte.

Nationaalsocialistisch fundament

               Eigenlijk is het merkwaardig dat de twee Oost-Berlijners, die zo sterk lijden onder het bewind van de partij, de communist Goedkoop tolereren, maar meer dan eens maken ze duidelijk dat ze zijn communisme niet serieus nemen. En gaandeweg neemt Jan zelf het ook steeds minder serieus. Wekenlang verblijft hij in de stad Merseburg voor aanvullend archiefonderzoek. De sterke milieuvervuiling, de eentonigheid van de omgeving, het nauwelijks verhulde racisme van de Duitsers tegenover gastarbeiders uit de ‘socialistische broederlanden’ , gestaag tast het zijn geloof in de onfeilbaarheid van de heilsleer aan. Hij zegt ‘ja’ op het huwelijksverzoek van Käte, die dit als de enige mogelijkheid ziet om legaal naar het westen te kunnen emigreren. Hij raakt geïrriteerd als Stefan de omgedoopte straten steevast bij hun oude, verboden, namen noemt maar verraadt hem niet. Diens kunstwerken beginnen hem zelfs te fascineren, zoals een groot houten kruis, dat oprijst uit een stapel nazi propagandamateriaal en betimmerd is met communistische spandoeken. Stefan vertelt dat het propagandamateriaal nog op tal van zolders te vinden is, zoveel is er destijds van gedrukt. Hij wil duidelijk maken dat het communistische Berlijn gebouwd is op een nationaalsocialistisch fundament, de stad zowel als de ideologie.

               ‘Ach so’

               Ook het resultaat van het onderzoek dat Goedkoop verricht heeft versterkt zijn communisme niet. De Nederlandse en Duitse bolsjewisten die in de eerste jaren na de Oktoberrevolutie letterlijk koffers vol geld en juwelen vanuit Moskou kregen om de revolutie in het westen te steunen bleken geen helden. Onderling ruzie maken, kansen onbenut laten voorbijgaan en de dilettant uithangen waren hun grootste verdiensten. Geen wonder dat de archivaris van het Institut für Marxismus-Leninismus uitsluitend met ‘Ach so’ op zijn verhalen reageert. Frau Dr. Gelnitz heeft trouwens meestal vrij of is anderszins onbereikbaar. Zelf lijkt ze ook niet zo sterk te geloven in de missie van haar instituut. Een van de keren dat Jan haar te spreken krijgt is in een Berlijnse sauna. De enthousiaste nudiste ziet er geen been in bezoek te ontvangen in een grote ruimte, gevuld met stoom en zwetende lichamen. De naakte werkelijkheid van Oost-Berlijn beschrijft Van der Kolk als even grauw en onaantrekkelijk als de betonnen.

               De doorlaatbare Muur

De geschiedenis van het communisme en die van Oost-Berlijn zijn even triest. Het kan niet anders of ook de persoonlijke geschiedenis van Jan Goedkoop moet een treurige wending nemen. Het begint ermee dat Stefans atelier door de politie wordt leeggehaald en dat hijzelf verdwijnt. Ook Käte komt in het nauw als een ontevreden medewerkster dreigt haar illegale handeltje aan de politie te verklikken. Jan zelf komt erachter dat een medewerkster op het Institut al die tijd zijn doen en laten heeft gerapporteerd aan de Stasi. De verklikkersmaatschappij die tweehonderd bladzijden niet aan bod kwam dringt in de laatste hoofdstukken het verhaal binnen. En toch is het boek tot op de laatste pagina’s doordrongen van een merkwaardig gevoel van vrijheid. Er wordt gespot, gedronken, gehoereerd , gehandeld, in het geniep maar ook in het kwasi-openbaar. Oost-Berlijn lijkt soms een stad als een ander, maar net als de scène te ‘normaal’ wordt laat Van der Kolk een beeld van de Muur opduiken. Voor Käte en Stefan is de Muur een onomkoombare realiteit. Ze willen naar het westen maar stuiten overal op figuurlijke administratieve muurtjes en op de Muur van beton en prikkeldraad. Alleen voor Jan Goedkoop lijkt de Muur niet te bestaan. Hij reist vrij van oost naar west en door de DDR. Zijn partijkaart maakt alle muren voor hem doorlaatbaar, en indirect lijkt ze ook de ‘asocialen’ met wie hij omgaat een zekere bescherming te bieden. Maar hoezeer zijn communisme ook afvlakt, zijn weigering er mee te breken breekt Goedkoop uiteindelijk zuur op. Zijn partijlidmaatschap zet een muur tussen hem en zijn omgeving. Zijn verliefdheid is altijd geremd, zijn vriendschap is nooit volledig. Het duurt maanden eer hij zichzelf er toe kan brengen met Käte naar bed te gaan. Hoezeer hij ook probeert Käte te helpen en Stefan te vinden als die verdwenen is, zowel zijn geliefde als zijn vriend ontglippen hem uiteindelijk. De twee slagen erin naar het westen te ontkomen en laten hem achter in het oosten, in een grauwe, lege stad, beheerst door een ideologie die van meet af aan rechtvaardigheid beloofde en misbruik gaf.

Geert van der Kolk: ‘Käte Jahn,’ Uitgeverij Veen, 1991.

©Max Moragie