138cover 138 & n° 139 – Ivo Michiels dubbelnummer     Deus ex Machina plaatst maar af en toe een auteur in de focus. Een nummer helemaal gewijd aan één schrijver is uitzonderlijk. Toch hebben we een dubbelnummer gemaakt over Ivo Michiels. De redactie vindt dat daar goede redenen voor zijn. Het oeuvre van de auteur is helemaal afgerond. Dat maakt een breed overzicht mogelijk. Michiels heeft een bijzondere plaats in de Nederlandstalige literatuur. Hij is geëvolueerd van een klassiek schrijver tot één van de belangrijkste figuren in de Nederlandstalige literaire avant-garde. Boeken uit De alfa-cyclus, onder andere Het boek alfa en Orchis Militaris, vonden internationale weerklank. Zijn literaire werk is nauw verbonden met en sterk beïnvloed door zijn werk als journalist bij Het Handelsblad (1948-1958). Dat journalistieke werk verruimde zijn blikveld gevoelig op literair vlak, maar de confrontatie met de hedendaagse plastische kunsten heeft ten gronde zijn houding tegenover kunst en dus ook literatuur veranderd. Via zijn filmkritieken raakte hij betrokken bij diverse filmprojecten waar hij voor het scenario instond. Hij stond diverse keren op het podium in Cannes. Die band met andere kunsten, vooral met de schilderkunst, plaatst zijn werk in een interessante internationale context. Michiels heeft heel wat grote namen uit die periode persoonlijk gekend. Zij duiken enigszins verhuld op in zijn Journal Brut.   Van medio de jaren vijftig tot begin jaren tachtig genoot het werk van Michiels ruime belangstelling. In de jaren erna kwijnde die belangstelling langzaam weg. De laatste delen van Journal Brut werden nauwelijks nog gerecenseerd. Gelukkig lijkt er nu een kentering op komst. Parallel met de voorbereiding van dit nummer organiseerde het studiecentrum voor experimentele Literatuur (SEL, een initiatief van de universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel) in september 2010 een studiedag over “Ivo Michiels en de kunsten”. Op die dag werden de talrijke verbanden tussen Michiels’ literaire werk en de kunsten (plastische kunst, film, muziek…) belicht. In het voorjaar van 2011 verschenen bijna gelijktijdig het interviewboek van Sigrid Bousset, Meer dan ik mij herinner en de bloemlezing uit Journal Brut, Mag ik spreken? Journal Brut – een reconstructie. Een beter tijdstip voor een Michielsnummer is dan ook nauwelijks denkbaar.   In dit nummer vindt de lezer een breed gamma aan stukken waarin de focus weliswaar op het literaire werk ligt, maar waarin ook de ruimere verbanden aan bod komen. Erg gelukkig zijn we met een voorheen ongepubliceerd fragment van Michiels zelf. Jan M. Meier, die dit Michielsnummer heeft samengesteld, schreef een overzichtsessay met de nadruk op het literaire werk. Ook Cyrille Offermans blikt terug op het werk, vooral vanuit Sigrid Boussets recente orale biografie. Lukas De Vos doet dit vanuit het perspectief van het filmwerk. Michiels’ bloemlezing uit Journal Brut komt in die vermelde essays ruim aan bod. Stefan Hertmans schrijft er met warm enthousiasme een gebald, maar vurig essay over. Hoewel Michiels zijn christelijke achtergrond al lang achter zich heeft gelaten, is veel van zijn werk doordrongen door de christelijke verhalen en metaforiek. Zowel Joris Gerits als Lars Bernaerts en Bart Vervaeck gaan hier dieper op in. Frank Heirman schrijft een boeiend verhaal over Michiels journalistieke werk met betrekking tot de plastische kunsten. Sven Vitse beschrijft de poëtica van de moderne muziek in Exit. Ook hij vertrekt vanuit de journalistieke bijdragen van Michiels over klassieke muziek: heel verrassend. Michiels’ werk laat zich uitstekend declameren. Theaterbewerkingen konden dan ook niet uitblijven. Heleen Mercelis en Thomas Crombez gaan in op dat performatieve karakter van zijn werk. Yves T’Sjoen beschrijft de evolutie in Michiels’ visie op het werk van Gerard Walschap en hoe daarin de kiemen voor de radicale vernieuwing in zijn oeuvre al besloten lagen.   In dit nummer vindt u niet alleen een reeks boeiende essays, maar ook een aantal kortere stukken. Daarin leggen een aantal auteurs op hun eigen wijze getuigenis af over hun visie op mens en werk. Inge Braeckman doet dat in een gedicht. Paul de Wispelaere en Adriaan de Roover vertrekken vanuit hun langdurige vriendschap. Jan Lauwereyns verwoordt het in poëtisch proza. Mark Insingel geeft bondig zijn eigenzinnige visie. Dat Ivo Michiels heel goed wist waar hij literair stond, blijkt uit een uniek bierviltje. Daarop schreven Krijgelmans en Michiels beknopt uit hoe hun werk zich verhield tot de nouveau roman. Nog meer documentaire waarde vindt u in een brief van Michiels aan Paul de Wispelaere en in de talrijke citaten waarmee we dit nummer hebben doorspekt. Graag bedanken we Ivo Michiels voor de toestemming om filmstills te gebruiken uit Het afscheid en Meeuwen sterven in de haven en om het archief van het AMVC te consulteren en materiaal uit dit en uit zijn eigen archief te mogen gebruiken om dit nummer te illustreren.   Naast de focus op Ivo Michiels vindt u in ons nummer ook nog gedichten van Y.M. Dangre, Lisette Waterschoot en Emad Fouad. En Anneleen De Coux bespreekt toegedekt met een liedje van Charles Ducal. . << Terug naar het archief