136cover n° 136 – Nautische literatuur   VOORWOORD   ‘Van een belevingswereld naar een metafoor’   Het lijkt onvoorstelbaar in deze tijd van lowcostcarriers die de modale burger voor een paar honderd euro de oceaan overvliegen, maar tot in de jaren zestig waren dit soort reizen voorbehouden aan boten. Men boekte een oversteek op een zogeheten pakketboot en voer vanuit een van de grote Europese havensteden naar New York. Reizigers brachten dagen door aan boord van een oceaanlijner, weken in het geval van een trip naar Afrika of het Verre Oosten. Het schip vormde een wereld op zich, met eigen rituelen, met een eigen hiërarchie en in zekere zin zelfs een eigen kalender. De Duitse dichter Hans Magnus Enzensberger bracht dit als geen ander onder woorden in zijn lange, epische gedicht ‘Der Untergang der Titanic’, waarin de klassen van het schip een symbool zijn voor de klassen van de maatschappij. Onderin het ruim zitten de arme immigranten uit Oost-Europa, de proletariërs, bovenin zitten de industriëlen en bankiers in de balzaal en middenin de leden van de kleine burgerij. Het beruchte schip dat in 1912 op een ijsberg liep is een metafoor voor de burgerlijk-democratische maatschappij die te pletter loopt. De figuurlijke ijsberg ligt dan nog amper twee jaar in de toekomst. Het vliegtuig heeft de pakketboot vervangen. Dat ging niet direct. Toen Charles Lindbergh in mei 1927 in één ruk de oceaan overvloog, waren commerciële trans-Atlantische vluchten nog lang geen feit. Zelfs Hitlers ingenieurs slaagden er vijftien jaar later niet in een toestel te ontwerpen dat veilig heen en terug kon vliegen, eerst met en daarna zonder bomlading. Maar met de komst van de straalmotoren werd dit een mogelijkheid. En daarna ging het snel. In de jaren zeventig vloog men in drie uur van Parijs naar New York. Tegen die tijd waren de oceaanlijners al uit de vaart gehaald. Een enkeling was cruiseschip geworden, de rest was verschroot. Tegelijk was de nautische fantasie van schrijvers en lezers verplaatst: naar duikboten die de diepten van de zee verkenden en vooral naar ruimteschepen. Duizenden jaren lang had een deel van de literatuur zich op boten afgespeeld: van Noah’s ark en Odysseus’ queeste tot Moby Dick. Maar in een tijdperk waarin de reiziger, en dus ook de romanschrijver, de dichter en de essayist, nog slechts luchthavens van binnen zien en landingsbanen, lijken schepen en zeeën geen rol van betekenis meer te kunnen spelen in de literatuur. We hebben het eens nagegaan, niet in een historische verkenning van wat er indertijd geschreven is, maar in de vorm van opdrachten aan hedendaagse auteurs. Dan blijkt dat nautische thema’s nog wel degelijk voortleven, maar meer onderhuids dan aan de oppervlakte. Robinson Crusoe mag dan al enkele eeuwen terug in Engeland zijn, het onbewoonde eiland blijft in de verbeelding van dichters en romanciers rondspoken. Het wrak van de Titanic is al jaren geleden ontdekt en gefilmd, maar de metaforische Titanic vaart nog altijd rond, op zoek naar een ijsberg. Alles kan tegenwoordig ‘een’ Titanic zijn, van een huwelijk tot een loopbaan. Vooral dichters reageerden op onze oproep, Daardoor is dit themanummer van Deus ex Machina poëtischer dan andere. Het bevat echter ook beschouwende stukken, bijvoorbeeld een essay van Lateur over de eenzaamheid van Charon, de veerman die de doden overzet, en een van misdaadauteur Piet Baete die nagaat welke rol de zee speelt in zijn thrillers. Een echt nautisch verhaal is dat over de zwaarmoedigheid van een matroos, van Bart Plouvier. Plouvier is misschien nog een van de laatste ‘echte’ nautische schrijvers die wij hebben. Bij alle anderen is de zee een ondergrondse rivier geworden, een binnenzee, zoals het reusachtige Vostok onder kilometers ijs van Antarctica. Maar nog meer dan bloed stroomt water waar het niet gaan kan. In onze taal en in onze verbeelding is het nautische definitief verankerd. . << Terug naar het archief