In januari verschijnt het Berlijn nummer van Deus Ex Machina met bijdragen van o.m.Berlijn-kenners Jeroen Kuypers Piet De Moor, Huub Beurskens Dolores Thijs , Bodo Morshäuser, Jorg van Caulil (over voetbal ten tijde van de Muur) en vele vele anderen. Als aanloop naar de verschijning van het papieren nummer publiceren we intussen  recensies van boeken over Berlijn. Staan reeds online: Hans Fallada, Max Frisch, Hilsenrath , Joseph Kanon een orthografische beschrijving door Piet de Moor en een fragment uit de Berlijn-film van Jean-Luc Godard. Deze week bespreekt redacteur Max Moragie de omstreden figuur van Gottfried Benn. 

 

 

DE GESCHIEDENIS VAN EEN MISVERSTAND

Door Max Moragie

Op 1 januari 1935 verliet Gottfried Benn zijn woning en artsenpraktijk in de Belle Alliance Strasse in Berlijn en verhuisde naar Hannover. Het was een vlucht naar het platteland, uit de armoede, uit het blikveld van de nazi’s en onder de beschermende paraplu van de Wehrmacht, waar Benn als Oberstabsartz in dienst trad. Het was een vlucht die twee jaar voordien niemand had kunnen voorzien, Benn zelf al helemaal niet. Wat was er gebeurd met de man die kort na de machtsovername door de nazi’s nog gehoopt had zijn vooraanstaande positie als dichter in het Derde Rijk te kunnen prolongeren en zelfs uitbouwen? Hoe kon de auteur van zulke ophefmakende stukken als ‘Antwoord aan de Literaire Emigranten’ en ‘De Nieuwe Staat en de Intellectuelen’ zó diep zijn gevallen?

In politiek opzicht was Gottfried Benn eerder afzijdig dan geëngageerd. Zijn diepe voorliefde voor de filosofie van Nietzsche zorgde ervoor dat de rechterkant van het spectrum zijn natuurlijke heimat was. Als bon vivant die graag de Berlijnse cafés frequenteerde, verfoeide hij de maatregelen die de diverse linkse regeringen in de jaren twintig namen omdat ze financieel nadelig uitpakten voor de middenklasse, waartoe hij als arts behoorde. Met het communisme had hij geen enkele affiniteit. Maar als kunstenaar en vooral als prominente exponent van het expressionisme behoorde hij nadrukkelijk tot de avant-garde en dus tot wat de nazi’s denigrerend noemden de ‘Kulturbolsjewisten’. Toen de machtsovername een feit was en de grote uitstroom van kunstenaars op gang kwam verwachtte iedereen dan ook dat Benn zijn biezen zou pakken. In plaats daarvan bleef hij in Berlijn. Sterker nog: hij verwelkomde de machtswisseling.

Dichtende dermatoloog

Berlin, Gottfried Benn am Grab von Arno Holz

Gottfried Benn legt een bloemenkrans neer aan het graf van Arno Holz (1933)

Een jaar voordien had Benn eindelijk echte erkenning gekregen. Terwijl hij in de vijftien jaar sinds zijn debuut in 1912 een veelbelovend maar relatief onbekend auteur was gebleven, ging het sinds het einde van twintiger jaren eindelijk bergopwaarts. De dichtende dermatoloog werd lid van de gerenommeerde Pruisische Academie der Kunsten. Direct na hun triomfale intocht in het centrum van de macht namen de nazi’s dit instituut onder vuur. Heinrich Mann en Käte Kollwitz werden gedwongen hun lidmaatschap op te zeggen, omdat ze hun handtekening onder een kiespamflet hadden gezet waarin werd opgeroepen een eenheidslijst te vormen van communisten en socialisten. Daarna kwamen andere leden onder vuur te liggen. Het kersverse bestuurslid Gottfried Benn vergemakkelijkte de uitschakeling van de Academie als onafhankelijk instituut door eigenhandig een loyaliteitsverklaring op te stellen die ieder lid moest ondertekenen. De tekst ging verder dan een soort niet-aanvalsverdrag, want ze bevatte de zin: “De ondertekening verplicht tot een loyale medewerking aan de nationale taken in het kader van de veranderde historische situatie.”

Het puurste cultuurbolsjewisme

Dat ging velen natuurlijk te ver. Sommige leden verlieten stante pede het land, zoals Heinrich Mann, die naar Frankrijk vertrok. Andere hielden zich gedurende de twaalf jaren die het Duizendjarige Rijk zou duren gedeisd, zoals Käte Kollwitz. Weer anderen praktiseerden aanvankelijk een soort neutraliteit, zoals Thomas Mann, die bang was dat de nazi’s zijn boeken zouden verbieden en dus zijn inkomsten aantasten. In zijn autobiografie Doppelleben (1950) heeft Benn zijn houding gerechtvaardigd met onder meer een beroep op die van Thomas Mann, maar die vlieger gaat niet op, want de pater familias van Duitslands beroemdste schrijversfamilie heeft zich nooit positief uitgelaten over het nazisme. Benn schaarde zich echter actief aan de kant van de fascisten. Het duidelijkst deed hij dit in zijn Antwoord aan de Literaire Emigranten. Deze open brief was een reactie op de private brief die Klaus Mann hem vanuit Frankrijk had gestuurd. Mann was een groot bewonderaar van Benn. In zijn brief getuigt hij van zijn ongeloof en onbegrip voor Benns houding en vraagt hij hem te kiezen: “Wat kan het u opleveren uw naam, die voor ons synoniem was met een bijna fanatiek volgehouden reinheid, aan hen ter beschikking te stellen… van wie de wereld zich afwendt wegens hun morele onreinheid zonder weerga?... Wie van hen heeft gevoel voor uw taal, die hen toch als het puurste cultuurbolsjewisme in de oren moet klinken?” In zijn antwoord, dat hij voorlas op de Duitse radio, verwees Benn wederom naar de veranderde historische situatie en de nieuwe taken: “Plotseling verdicht zich de gemeenschap en ieder van ons moet individueel naar voren treden, ook de literator, en een beslissing nemen: doe ik een stap in de richting van de liefhebberij of in die van de staat? Ik heb gekozen voor de staat en ik moet daarbij maar op de koop toe nemendat u mij vanaf de Azurenkust waar u verblijft, toeroept ‘Het ga u goed’.”

Het laatste werd als een steek onder de gordel gezien, alsof Mann en zijn collegae hadden gekozen voor een verlengde vakantie aan zee in plaats van halsoverkop te vluchten om gevangenschap te voorkomen. Maar de uitsluiting uit de internationale literaire gemeenschap bracht Benn niet de verhoopte opname in de literaire wereld van het Derde Rijk. Hitler, Goebbels en Göring bleven doof voor de lokroep van de expressionistische sirene en zeilden verder. De redenen daarvoor zijn divers.

Stroop om de mond

In de eerste plaats was en werd Benn nooit een nationaalsocialist. Niet alleen las hij de naziboeken niet, hij verafschuwde het platte taalgebruik. Benn mocht dan een vergelijking trekken tussen het oude Griekenland en het nieuwe Duitsland, waarbij de ‘Barbaren’ voor een noodzakelijke vernieuwing van de uitgebluste beschaving zorgden, de SA en de SS waren toch niet de barbaren die hij voor ogen had. In zijn essays smeerde hij in de eerste alinea’s stroop om de mond van de nieuwe machthebbers om vervolgens hartstochtelijk de autonomie van de kunst in de nieuwe staat te verdedigen. Maar, zoals Benn-biograaf Gunnar Decker stelt, de nazi’s hadden lak aan die autonomie. Kunstenaars moesten zich volledig ten dienste stellen van de racistische ideologie van het Derde Rijk, zoals Breker en Thorax dat deden in hun massale beelden en Leni Riefenstahl in haar documentaires. Dat racisme beviel Benn al helemaal niet. Tijdens verplichte nascholingen van de NS-artsenbond kreeg hij te horen dat hij Arische mannen moest overtuigen niet met joodse vrouwen te trouwen. Arische mannen gingen bovendien niet naar de hoeren en kregen geen syfilis of gonorroe. Het nieuwe Duitsland had dus ook geen behoefte meer aan een specialist in huid- en geslachtsziekten. In zijn literaire werk gaf Benn bovendien de indruk het libertijnse klimaat van de door de nazi’s geliquideerde republiek van Weimar op zijn minst te tolereren. Het fascisme waarmee Benn koketteerde was niet dat van hun maar dat van Marinetti, de grondlegger van het vaag aan het Duitse expressionisme verwante Italiaanse futurisme. Voor de ‘Bloed en Bodem’-theorieën van de nazi’s had de Mussolini-kunstenaar geen sympathie.

Völkische schrijvers

Voor de nationaal-socialisten was en bleef Benn verdacht. Het echte gevaar kwam echter uit een andere hoek: uit die van de zogeheten ‘völkische’ schrijvers. Zoals er tal van kladschilders van ‘Nordische’ boerentafereeltjes waren die hun kans schoon zagen toen de ‘entartete’ kunstenaars het land verlieten, zo was er ook een groep dichters en romanciers die het nationaal-socialisme omarmden. Mannen als Wil Vesper en Hans Grimm namen de plaats in van collega’s die waren geëmigreerd. Eén van hen, luisterend naar de merkwaardig naam Börries von Münchhausen, had het in het bijzonder op Benn voorzien. Het begon ermee dat Von Münchhausen graag lid zou willen worden van de Unie van Nationale Schrijvers, maar dat niet kon zolang de jood Gottfried Benn daarvan vice-president is. Waarom een jood? Omdat hij een expressionist was: “Een joodse uitvinding die het Duitse wezen volkomen vreemd is; iets ziekmakends dat dus moet worden uitgeroeid.” Trouwens, Benn was volgens Von Münchhausen niet alleen geestelijk een jood, maar ook fysiek. De naam van zijn Zwitserse moeder klonk on-Duits en ook de naam Benn had iets typisch joods: het zou een verbastering zijn van het Hebreeuwse ‘zoon’. Nu stond het er voor Gottfried Benn werkelijk slecht voor: hij was hoe dan ook een door het joodse doordrenkte cultuurbolsjewist, waarschijnlijk een half jood en mogelijk zelfs een volbloed jood. De bedreigde dokter verdedigde zich op alle mogelijke manieren. Hij liet zijn stamboom natrekken. Die ging terug tot 1701 en was aantoonbaar ‘raszuiver Arisch’. De naam Benn was bovendien niet joods, want dan komt er altijd een eigennaam achter, bijvoorbeeld Ben Hur. De dichter ging zelfs zover de burgemeester van een Duits dorp aan te schrijven waarin wijn werd verbouwd onder het label Benn. Kwam de naam misschien dáár vandaan? De ambtsdrager stelde hem gerust: de joodse invloed op de Duitse wijnbouw is altijd verwaarloosbaar geweest.

De onanist Benn

Maar waar rook is, is vuur. Er was nog veel meer dat tegen zijn trouw aan de nieuwe staat sprak. Had hij halverwege de jaren twintig geen veelbesproken verhouding gehad met de joodse dichteres Else Laske-Schüler en had hij haar werk niet steeds actief gepromoot? Steeds als het gevaar geweken leek laaide het weer op. Ook nadat hij Berlijn was ontvlucht en zich schuilhield in het leger lieten zijn tegenstanders hem niet met rust. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag verscheen een keuze uit zijn gedichten. Aanvankelijk werd het boek positief besproken maar al snel volgden de negatieve recensies elkaar op. In het lijfblad van de SS verscheen zelfs een heel pamflet waarin het werk van de ‘onanist Benn’ met de grond gelijk werd gemaakt. Het was zijn eigen taal die hem de das omdeed. Opponenten als Börries von Münchhausen beweerden dat ze het cultuurbolsjewisme tussen de regels proefden. In het Duitsland van slogans, parolen en bevelen klonk de poëzie van Benn steeds meer als de taal van een voorbij en veracht tijdperk. Hij besefte dat er geen plaats meer voor hem was als dichter maar misschien ook niet meer als legerarts. Een officier die dermate diep door het slijk werd gesleurd was immers een schande voor de Wehrmacht. Benn legde de zaak voor aan een hogere officier, die alle betrokken stukken las en hem vrijpleitte: “Het zou pas erg zijn als je in dat SS blad werd geprezen.” Maar opnieuw was de kous daarmee niet af. De SS dreigde de zaak verder aanhangig te maken. Enkel het ingrijpen van Hans Johst, een voormalig expressionistisch toneelschrijver die tot het boegbeeld van de nationaal-socialistische literatuur was uitgegroeid, redde hem van de totale ondergang. Johst had een hoge rang in de SS en schreef aan Himmler persoonlijk. In zijn brief aan ‘Liebe Heini’ wees hij op de nationale verdiensten van Benn in het eerste jaar na de machtsovername, met name op zijn open brief aan de emigranten. Himmler gaf toe en beval alle onderdelen van de SS zich niet meer met ‘de zaak Benn’ te bemoeien.

Eerzuchtig narcist

Benns biograaf geeft aan hoe wanhopig de dichter zich op een bepaald moment moet hebben gevoeld: hij kreeg de volle lading over zich heen van de nationaal-socialisten maar kon niet voor de emigratie kiezen omdat hij zich in de ogen van degenen die direct gevlucht waren onmogelijk had gemaakt. Benn had iedereen verkeerd ingeschat en zijn eigen kansen binnen het Derde Rijk sterk overschat. De vraag is hoe zo’n intelligente man zich zo schromelijk had kunnen vergissen? Daar valt geen eenduidig antwoord op te geven. Het staat wel vast dat Benn politiek erg naïef was. Hij dichtte de nazi’s een culturele bagage en interesse toe die ze geen van allen hadden. Hij meende bovendien dat er binnen het nationaal-socialisme ruimte zou zijn voor een autonome, individuele kunst, terwijl de nieuwe machthebbers uitsluitend propagandistische kunst wilden tolereren. Hij onderschatte ook het belang dat de dictator en zijn partij hechtten aan de rassenleer en zijn implicaties.

Maar het lijdt ook geen twijfel dat Gottfried Benn een eerzuchtig narcist was, een man die er niet voor terugschrok over de rug van collega’s carrière te maken en die wat graag de hofdichter van Hitler had willen worden, als de Führer maar oog voor hem zou hebben gehad. In zijn behaagzucht hield hij geen rekening met de effecten die zijn redevoeringen en krantenartikelen zouden hebben voor het aanzien van het jonge Hitler Duitsland. Het feit dat een zo vooraanstaand dichter het voor de dictatuur opnam moet bij tal van toehoorders en lezers in en buiten Duitsland de illusie hebben gewekt dat het met die barbaarsheid van het nazisme wel meeviel. Het is enkel aan de benepenheid en het gebrek aan smaak van de nazi’s te danken dat Benn niet veel langer dit desastreuze propagandawerk voor hen heeft kunnen doen. Hij meende vergeefs een nationaal-socialist te kunnen zijn, zij zagen hem echter nooit als een van de hunnen. De geschiedenis van Gottfried Benn en het nationaal-socialisme kan daarom volgens Gunnar Decker het best worden gekarakteriseerd als die van een misverstand.

Ruimhartig vergeven

Plat opportunisme, zelfoverschatting maar ook een bijna pathetische angst om te verkassen uit zijn geliefde Berlijn speelden stuk voor stuk een rol in de foute keuze die Benn maakte. Toen hij op 1 januari 1935 verhuisde naar Hannover mistte hij de grootstad en verfoeide hij dagelijks de provinciestad waarin hij terecht was gekomen. Als hij wat minder honkvast was geweest had hij in februari 1933 misschien toch voor de emigratie gekozen en zou hij zich na de oorlog niet in bochten hebben moeten wringen om zijn tijdelijk engagement voor de nazi’s te rechtvaardigen. Voor andere foute collega’s liep het na de oorlog niet goed af: zij waren voorgoed aangebrand en zakten weg in de literaire obscuriteit. Benn werd zijn misstap echter ruimhartig vergeven. Eigenlijk gebeurde dat al vóór de oorlog. In 1936 stuurde Klaus Mann hem een exemplaar van zijn in het buitenland verschenen roman ‘Mephisto, het verhaal van een Duitse acteur die zijn ziel verkoopt aan de nazi’s in ruil voor roem. Benn las het boek in één adem uit, herkende tal van personages, inclusief zichzelf. In een brief aan een vriendin schreef hij erover: “De roman bevat stukken die niet slecht zijn. Alleen vind ik uitgerekend de kritiek aan het nationaal-socialisme zwak, te zwak. Dat zien wij hier na de jarenlange omgang met nationaal-socialisten veel scherper. In de roman komen juist die passages nogal clichématig over. “ Zo’n oordeel vellen over een auteur die altijd je grootste bewonderaar is geweest, die je terecht heeft gewaarschuwd dat de nazi’s je zouden aanvallen over je taal en die in staat was je een gruwelijke misstap en persoonlijke aanval te vergeven - dat getuigt op zijn minst van een slecht karakter.

©Max Moragie

Literatuur:

Gunnar Decker: Gottfried Benn – Genie und Barbar, 544 blz. Aufbau Verlag 2006.

Nadine Kinne: Gottfried Benn, ein Nationalsocialist? 34 blz. Universiteit Mainz.

Gottfried Benn: Primal Vision, Selected Writings, 292 blz. New Directions Paperbacks, 1971.