foto interview 2Het heraldieke dier komt uitgebreid ter sprake in Deus 155. Van het wolkje af (1980) sluit stilistisch aan bij De mens van Paracelsus, maar is wat toegankelijker opgezet. In de hier geciteerde gedichten spelen de dood en het leven, de moeder en vader versus de vrouw een wisselende, maar sterk verbonden hoofdrol.

Zij, zwijgende herhaling van de Dood.
Getekend teken, in het wit
van haar lang en langzaam huwelijksleed.

Door schaduwbeeld en deemstering
bijwijlen bijgekleurd, zij loopt
het ganzenstapje naar de stallen;
konijn en kippen kennen haar
aan haar oermoederlijk gebaar.

Zij, eenmaal epicentrum van het milde
thans zwijgzame in zilveren stilte
gestolde amalgaam van kilte.
———–

Grassen op het graf. En het gebeente
een ontstellend sterfgesteente –

de vader doet alsof, en later
onder de tertiaire lagen van het stof
verlangt hij naar zijn huis terug:
het huis dat in de velden ligt

en luistert naar de protuberansen
op glanzend serreglas. Met het gebaar
in de boomgaard van de oude notelaar.
———–

Jij maakt mijn landschap helder
in hoe de hand het landschap langzaam
langs de buitenramen sponst en zeemt

waaraan abeel en conifeer geheel
zijn helderheid ontleent. Geen zicht
kan helderder een in zicht zijn
voor als het sneeuwen wil, weldra

en alle wonden in de witste witten
dichtgedekt, de dood een onbestaande.