EEN WANDELENDE JOOD ALS STAMGAST          

Door Max Moragie

berlin_endstation-9783423137836In de jaren dertig woonden er naar schatting 170.000 Joden in Berlijn, in de jaren negentig schommelde dat aantal rond de elfduizend. Er waren toen ongeveer evenveel joden als Jehova getuigen in de Duitse hoofdstad, niet veel, maar nog altijd meer dan het tienvoudige dan de decennia voordien voorspelde 800 voor het jaar 2000. Dat klonk niet veel beter dan de tien rechtvaardigen in Sodom en Gomorrah. Het merendeel van de huidige Berlijnse Joden is echter niet uit Duitsland zelf afkomstig maar uit Oost-Europa. Het zijn de verre neven en nichten van hen die na de machtsovername door de nazi’s de stad verlieten of er tijdens de oorlog uit gedeporteerd werden. De echte Berlijnse Joden bestaan amper nog.

Wat gebeurt er als één van deze Joden terugkeert? Joseph Levinsky, de hoofdpersoon in de roman Berlin…Endstation (2006) is weliswaar geen ‘geburtiger Berliner’, maar net als de auteur, Edgar Hilsenrath, wel een echte Duitse Jood. Hilsenrath werd in 1926 in Leipzig geboren en ontkwam met zijn familie in 1938 naar Roemenië, Levinsky groeide op in Halle an der Saar en werd in hetzelfde jaar de grens overgezet naar Polen. Zoals veel auteurs maakt Hilsenrath het een graadje erger voor zijn alter ego. Zijn personage is het enige Joodse kind in een kleinburgerlijk stadje, het enige mikpunt dus ook van alle nazistisch geïnspireerde kinderen en leraren. Maar hij overleeft alles: het getto in Oost-Polen, het harde leven in de Oekraïense wouden, de tocht dwars door Europa naar Frankrijk. In plaats daarvan heeft hij het erg moeilijk met het leven in Amerika, het beloofde land waar zijn familie naar emigreert. Als auteur heeft hij er nauwelijks succes, als kostwinner sukkelt hij van baantje naar baantje, als minnaar wordt hij door Amerikaanse vrouwen afgewezen. Levinsky verwordt tot een half mislukte, berooide en gefrustreerde nachtschrijver en hoerenloper, een leven dat amper verschilt van dat van zijn Joodse lotgenoten die hij dag na dag in dezelfde New Yorkse cafés treft: “altijd terugverlangend naar Duitsland en Oostenrijk, waar alles beter was geweest, tot de nazi’s kwamen.” Levinsky wil niet wegkwijnen in de VS. Hij besluit dat hij als schrijver nooit kan aarden in het Angelsaksische taalgebied omdat hij de Duitse taal nodig heeft. In de veronderstelling dat hij niets te verliezen heeft besluit hij terug te gaan naar Duitsland en zich in West-Berlijn te vestigen.

De Jood en de SS Man

In Berlijn krijgt de oude Levinsky alsnog het succes dat hem altijd onthouden was. Een kleine uitgeverij publiceert zijn roman De Jood en de SS Man en de pers en het publiek pikken hem op. De deuren van tijdschriften, kranten en omroepen openen zich voor de schrijver op leeftijd. En ook de harten van vrouwen. Levinsky – door iedereen Lesche genoemd – versiert op een bepaald moment zelfs een moeder én haar minderjarige dochter. De dochter wordt zwanger. Levinsky is bereid het vaderschap op zich te nemen maar eigenlijk is hij nauwelijks bij het kind betrokken. Hij leeft er maar wat op los en in zijn ogen heeft hij daar het volste recht toe. De Duitsers zijn hem wat verschuldigd, en een boel ook. “Ik raak die Holocaust nooit kwijt, ik draag hem dag en nacht met mee,” bekent hij op een bepaald moment aan een vriendin. Maar ook de Berlijners raken die niet kwijt. Hun schuldgevoel is meer dan spreekwoordelijk, ook al zijn ze ver na de oorlog geboren. Daarom zijn ze maar wat blij met ‘hun’ teruggekeerde Jood en vergeven ze hem elke misstap.  

Spuwen op de Joden

Levinsky blijft wantrouwend tegenover de Berlijners. In het begin van zijn jarenlange verblijf huurt hij een kamer bij een oudere dame. Ze was tijdens de oorlog een fanatiek nazi-meisje. Na de oorlog zag ze haar fout in, ontmoette een Joodse overlevende, trouwde met hem en bekeerde zich tot het jodendom. Vol trots toont ze Lesche de Davidster die ze draagt op de plek waar vroeger ongetwijfeld een hakenkruisje prijkte. ’s Ochtends bespiedt ze haar huurder door het sleutelgat van de badkamerdeur en ’s nachts droomt Levinsky dat ze bij hem in bed kruipt en hem smeekt haar zijn besneden penis te tonen, waarna ze hem – zonder kunstgebit – oraal bevredigt. Pas aan het eind van het boek wordt duidelijk waarom deze droom voor Levinsky zo’n nachtmerrie is. Dan herinnert hij zich de tijd die hij als vluchteling doorbracht bij een oudere Oekraïense boerin, die hem dwong haar te bevredigen en die ook al zo’n fascinatie had voor zijn besneden lid. In Levinsky’s beleving zijn de beide oude vrouwen even walgelijk: pronken met een Davidster of spuwen op de joden, antisemieten zijn ze allebei.

Afmaken

En toch wíl Levinsky graag geloven dat de nazitijd voorbij is en de Duitsers zich gebeterd hebben. Hij zoekt in Halle an der Saar de jongen op die in de jaren dertig de aanvoerder was van de groep die hem dagelijks pestte, uitschold voor ‘Zwijnenjood’, schopte en bepiste. Frits Tischler is na de Wende zelfstandig kapper geworden. Levinsky zwelgt in wraakfantasieën en zoekt de kapper op, met in zijn binnenzak een mes. Maar Tischler heeft niets meer van de fanatieke nazijongen van destijds, integendeel. De hernieuwde kennismaking verloopt zeer aangenaam en weer is Levinsky ‘iemands’ teruggekeerde Jood. Opgelucht en tegelijk ook wat teleurgesteld gaat hij terug naar Berlijn. Daar is zijn voordeur nog maar eens beklad met hakenkruisen en steekt zijn brievenbus vol anonieme dreigbrieven van neonazi’s. Iedereen raadt hem aan te verhuizen en een geheim telefoonnummer te nemen maar Levinsky weigert, keer op keer. Als hem iets kán overkomen had hij niet naar Berlijn moeten komen. Als de jonge nazi’s kunnen afmaken wat de oude niet is gelukt, had hij in New York moeten blijven, tussen de knorrende, van nostalgie en heimwee verzadigde andere oude kerels, een wandelende Jood als stamgast. Maar dan had hij het prettige leven dat hij jarenlang in Berlijn heeft gehad, vol literaire erkenning, erotiek en vriendschap, moeten missen. In feite staat New York voor een doods en Berlijn voor een levendig bestaan. De beloning voor het doodse is een uitgestelde dood, de straf voor het levende een vroegtijdige en gewelddadige. Levinsky krijgt een hersenbloeding maar overleeft die. Wat de hoge bloeddruk en de sigaretten niet voor elkaar krijgen, lukt de neonazi’s wel. Terug uit het ziekenhuis in zijn woning staan ze hem op straat op te wachten en slaan hem dood.

Nieuwkomers

De Joodse bevolking van Berlijn is zeventig jaar geleden gedecimeerd, en de tien procent die ‘over’ is, is niet werkelijk over, omdat ze grotendeels uit nieuwkomers bestaat. Hoe wrang en grappig Hisenraths roman ook is, de onderhuidse boodschap is geen vrolijke: voor Duitse Joden is geen plaats meer in Duitsland. Joseph Levinsky was enkel welkom in Berlijn omdat er geen concurrenten meer waren. Hij was de uitzondering die de regel moest bevestigen. Het heimwee van Joden én Duitsers naar hun tijd samen moet onvervuld blijven.

©Max Moragie

Edgar Hilsenrath: Berlin…Endstation, Dittrich Verlag, 2006/Deutscher Taschenbuch Verlag, 2012, 243 blad.

In januari verschijnt het Berlijn nummer van Deus Ex Machina met bijdragen van o.m.Berlijn-kenners Jeroen Kuypers Piet De Moor, Huub Beurskens Dolores Thijs , Bodo Morshäuser, Jorg van Caulil (over voetbal ten tijde van de Muur) en vele vele anderen.

Online verschenen intussen recensies van Berlijnboeken van Hans Fallada, Max Frisch en een fragment uit de Berlijn-film van Jean-Luc Godard.