Woord vooraf

‘Never trust the artist. Trust the tale’, schreef D.H. Lawrence ooit in Studies in Classic American Literature (1923). Lawrence’s quote is een advies aan de literaire criticus om een tekst als een op zichzelf staand geheel te beschouwen, los van de mogelijke intenties die de auteur hiermee heeft. Nochtans is een gezonde dosis wantrouwen tegenover auteur én tekst in sommige gevallen geen overbodige luxe. Zeker wanneer we te maken hebben met teksten die zichzelf als ‘non-fictie’ of ‘op ware feiten gebaseerd’ presenteren en die achteraf gedeeltelijk of volledig bij elkaar gelogen blijken te zijn.

Liegen, zo verzekeren psychologen en psychiaters ons, doen we allemaal en daar is op zich niks mis mee. Filosofen als Immanuel Kant mogen dan wel beweren dat een wereld zonder liegen een betere wereld is omdat de leugen het vertrouwen onder de mensen ondermijnt. Een leugentje om conflictsituaties te vermijden of om een gevoel van schaamte of schuld te verdoezelen kan heus geen kwaad. Problematisch wordt het wanneer dit liegen allesoverheersend en pathologisch wordt en het vaak niet duidelijk is of de ‘leugenaar’ zijn eigen leugens gelooft. In de psychiatrie wordt deze ziekelijke vorm van liegen wel eens aangeduid als ‘pseudologia phantastica’ of ‘mythomanie’ – waarbij het volgens sommigen om een zelfstandige psychische stoornis gaat, terwijl het voor anderen eerder een symptoom is van een dieper liggend probleem.

In een essay over Holocaust-mythomaan Binjamin Wilkomirski verderop in dit nummer wordt de Nederlandse psychiater Hans Stoffels geciteerd. Bij de pathologische leugenaar detecteert hij twee belangrijke eigen-schappen: ‘Ten eerste een abnormale geldings- en erkenningsdrang, gemotiveerd door een onverzadigbare wens om de eigenwaarde te doen stijgen; ten tweede een ongewoon sterke fantasie, die vaak zeer origineel is, boordevol frisse ideeën en originele gedachten, vaak ook afgeleid en van buitenuit geïnspireerd door romans en films.’Met een beetje slechte wil zou je Stoffels’ opmerking over de mythomaan ook kunnen toepassen op de schrijver of, meer algemeen, op de kunstenaar. Over de eerste eigenschap valt stevig te discussiëren, maar de tweede is zonder meer een kwaliteit waar menig auteur mee gezegend is.

Deze Deus Ex Machina onderzoekt het snijvlak tussen pathologische mythomanie en literatuur. In wat volgt serveren wij u essays, kortverhalen en gedichten van en/of over mythomanen, fantasten, leugenaars, bedriegers, onbetrouwbare vertellers en literaire personages als Don Quichot en de Baron von Münchhausen.

In twee inleidende essays verkent Michiel Kroese de grenzen tussen fictie, mythomanie, bedrog, waarheid en waarachtigheid in de literatuur. Max Moragie las de biografie van de bekende Nederlandstalige mythomaan Boudewijn Büch en speurt naar mogelijke drijfveren. Gaea Schoeters schreef een brief aan Harry Mulisch. Wim Michiel fileert leven en werk van Holocaust-mythomaan Binjamin Wilkomirski, terwijl Elke d’Hoker reflecteert over het statuut van de onbetrouwbare verteller. Roland Breeur filosofeert over leugen, bedrog en fantasie in Cervantes’ Don Quichot.

Driehonderd jaar geleden werd de (historische) Baron von Münchhausen geboren. Wij vertaalden een kort fragment uit de Münchhausen-versie van Gottfried August Bürger en we vroegen aan zes auteurs om een ‘leugenverhaal’ te schrijven. Geen verhaal met de leugenbaron als protagonist; maar een verhaal ‘waarvan de lezer op voorhand weet dat het gelogen is’. Astrid Haerens, Frederik Lucien De Laere, Aleksandr Skorobogatov, Jonis Hartmann, Nefeli Kavouras en Lubi Barre gingen de uitdaging aan. De zeer diverse resultaten vindt u in dit nummer.

Voor het beeldmateriaal trokken we naar de Karl May-stad Radebeul. In deze vlakbij Dresden gelegen provinciestad beheert kunstenaar en Münchhausen-geestesgenoot Reinhard Zabka (ofte Richard von Gigantikow) al een tiental jaar zijn unieke ‘leugenmuseum’.

De poëzie-bijdragen zijn van de hand van Julio Cortázar (in een vertaling van M. Vanderzee), Léa Festraets, Jolanda Kooijmans en Yerna Van den Driessche. En tenslotte is er nog indringend proza van Uschi Cop en flash fiction van de vijf Vlaamse laureaten van de EACWP-wedstrijd.

De redactie