Dit nummer werd samengesteld door gastredactrice Sofie Verraest.

Bij wijze van voorwoord: Het liggende gedicht

In 2014 wordt A. L. Snijders, schrijver van ultrakorte verhalen, samen met een handjevol dichters uitgenodigd op Literatuur Late Night in Den Haag. Ervan overtuigd dat hij ‘echt als dichter’ is gevraagd, heeft Snijders ter attentie van het publiek print-outs van zijn ‘stukjes’meegebracht. ‘En die zijn zo.’ Hij toont de bladspiegel aan de zaal en tracht met zijn hand de regels een eindje verder te wuiven. ‘Maar,’ zegt hij, terwijl die hand als een arend boven de zwarte balk tekst blijft zweven, ‘als je ze nu afkapt!’ Hij trekt een paar denkbeeldige lijnen door de tekst, verticaal. De lange rechthoek is nu opgesplitst in een drietal vierkantjes. ‘En zo zet!’ Hij maakt een slepende beweging van rechtsboven naar linksonder, zodat de vierkantjes uiteindelijk onder elkaar lijken te staan. ‘Dan wordt het echt poëzie! Maar er staat precies hetzelfde. En daarom heb ik bedacht, gewoon, vanmiddag’ – wait for it – ‘dit noem ik liggende gedichten.’

Het gevaar bestaat dat dat niet helemaal duidelijk is, dus hij voegt er nog aan toe: ‘Terwijl de meeste poëzie staand is.’ Korte pauze voor het effect. ‘De meeste poëzie is staande poëzie.’

Snijders is in ons taalgebied de koning van het ultrakorte verhaal. Gekroond en gezalfd. Maar het is een geluk dat deze koning met plezier de mantel voor het narrenpak verruilt. Zelfs in eigen land blijft het af en toe improviseren.

Dienovereenkomstig heb ik mijn rol als gastredacteur van dit nummer rond microfictie bescheiden opgevat. Ik arrangeer een kleine ontmoeting met het genre. Tegelijk is dat gevaarlijk: it’s the hope that kills you. Mijn, potentieel dodelijke, hoop is die van de matchmaker:dat ik voor elk wat wils kan oprakelen. Dat iedereen in dit nummer een microverhaal vindt om van te houden. Daarom een greep uit het assortiment – maar dan wel zo goed mogelijk, wat wil zeggen zo breed mogelijk. Met diversiteit als richtlijn. Als een genre zijn plaats in het veld nog niet helemaal heeft gevonden, is de verleiding groot om meteen al in te perken. Je zoekt de meest kenmerkende voorbeelden bijeen en stopt ze in een hokje. Terwijl je van het ene op het andere been verspringt, wijs je ernaar en roept: ‘Dit! Dit is het!’

Dit nummer van Deus ex machina is mijn poging om dat niet te doen. In de bloemlezing vind je zowel Fleur Jaeggy als Grace Paley. In het duistere ‘De steriele kamer’ plaatst Jaeggy de zinnen zo naast elkaar dat ze op mysterieuze manier beginnen te resoneren. Een beetje zoals dat in poëzie gebeurt, begint de vorm van de taal zelf te spreken. Daartegenover staat Paleys ‘Een man vertelde me zijn levensverhaal’. Het eigenlijke verhaal telt twee woorden: ‘Vicente zei’. De rest is Vicente’s leven in de directe rede. Hij vertelt ons in de meest alledaagse taal over zijn meest ingrijpende momenten. In Lydia Davis’ ‘Ei’ verschuift de alledaagsheid naar de momenten zelf. Geen grote keerpunten hier, maar twee baby’s die naar hetzelfde voorwerp op het tapijt gaan kijken en iets brabbelen wat nog net geen woord is. In mijn essay in dit nummer, ‘Drie schrijvers gaan een café binnen’, vind je iets meer over dat alledaagse in het werk van Davis. Zelfs Engelstalige microverhalen hoeven kennelijk niet zo flitsend te zijn als de meest gangbare flash fiction het wil.

‘De herfst’ is nog een ander paar mouwen. Dat komt uit het magistrale Fritz Kocher z’n opstellen, destijds al even magistraal vertaald door Jeroen Brouwers. Wat doet Robert Walser eigenlijk in dit boek? Zogezegd is het een verzameling schoolopstellen van de jonge Fritz. Is het een verhalenbundel? Een experimentele roman? Of – helemaal niet zo experimenteel – gewoon een soort briefroman, maar dan in opstellen? In elk geval komt het uit een fictieboek. Dat kan van ‘De martelaar tegen wil en dank’ niet gezegd worden. Maar dat is Nietzsche dan weer. En hoe verschillend is Kafka’s verhaal niet van zowel Nietzsche als Walser. Wim Michiel klaart een en ander uit in zijn essay over de Duitstalige microfictie van die periode.

De Deense Signe Schmidt Kjølner Hansen brengt ons in haar verhaal van een Franse film recht naar een bouwkraan en van daar recht naar de ‘Dinosaurus’ van de titel. Haar associatieve op-de-tast doet nog het meest denken aan een bepaald soort Latijns-Amerikaanse microfictie. Aan een ander soort lapt de Argentijnse Silvina Ocampo met ‘De geliefden’ rustig haar laars, zoals Bieke Willem uitlegt in haar essay ‘Verrassing!’ Zelfs het stuk van Snijders in deze bloemlezing is een atypisch Snijdersverhaal – wel zo dat het, o ironie, weer in de buurt komt van een gebruikelijker soort microfictie. Daar kan je de tekst van Koen Rymenants op naslaan.

Naast de bloemlezing zoeken dus ook de vier essays de rafelige randjes van de microfictie op. In het rijtje van vier heb ik overigens – alweer hoopvol – de Nederlandstalige literatuur samen met drie solide tradities van microfictie opgenomen die hier vrij goed bekend zijn: de Engels-, Spaans- en Duitstalige. Omwille van de samenhang zijn die in de bloemlezing iets sterker vertegenwoordigd dan de andere taalgroepen. Verder heb ik qua taal en herkomst toch zoveel mogelijk gevarieerd, al blijft het te eurocentrisch (graag iemand die dit corrigeert). Ook moesten minder bekende schrijvers naast grote namen staan. Ten slotte was er een criterium waarvoor ik zonder spijt alle andere liet varen: ik wilde minstens evenveel vrouwelijke als mannelijke auteurs in de bloemlezing.

Het resultaat van die rigide, scrupuleuze omgang met selectiecriteria is… eerlijk? Willekeur. Maar naar ik hoop van een andere aard dan de willekeur die een al te eenzijdig en gesloten genrebegrip aankleeft. Naar ik hoop het soort willekeur dat ontstaat wanneer je iets opentrekt dat het een lieve lust is, wijd, wijd, wijd.

Sofie Verraest – samensteller DEM 166

De microfictie-focus wordt aangevuld door Larissa Viaene die zeven speelse, intuïtieve illustraties maakte bij evenveel verhalen uit de bloemlezing; én door tien ultrakorte teksten van de Nederlandstalige laureaten van de EACWP-wedstrijd. Meer info hierover leest u verderop in dit nummer. En last but not least maken we in deze DEM behoorlijk wat plaats vrij voor de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Manon Smits vertaalde exclusief een achttal korte beschouwingen uit ‘Il Nuovo Barnum’ (2016) over onder meer voetbal, 9/11, de dood van Gabriel García Márquez en vriendschap in het pre-Facebooktijdperk. De vrije inzendingen hebben we opgespaard voor de laatste uitgave van dit jaar.