VOORAF

Ik schaafde en vijlde mijn zinnen. Omdat ze het zonder ziel moesten stellen, stopte ik ze
vol woorden. Het was waardeloos.
Op klompen

Je bent een schrijver. Je breit verhaaltjes aan elkaar, je bedenkt personages, van sommige
hou je zoveel dat je ze zelf wordt.
Waanzinnen

Jammer dat een mens niet alles kan opschrijven! Wat voor merkwaardige boeken zou dat
niet opleveren.
In de piepzak

De in het Frans schrijvende Vlaming André Baillon kreeg tijdens zijn leven – dat eindigde met een zelfgekozen dood in 1932 – weliswaar erkenning en waardering, maar het duurde bijna een halve eeuw voor zijn werk op zijn juiste waarde werd geschat. In België, Frankrijk en ver daarbuiten worden zijn boeken sindsdien opnieuw uitgegeven, vertaald en uitvoerig bestudeerd en becommentarieerd. Nu wordt hij door literatuurcritici als vernieuwer en voorloper beschouwd. Een apart geval, die Baillon, zowel qua stijl, compositie als thematiek.

Bijna een eeuw na zijn (Parijse) debuut (Het boek van Marie, 1921), toen een internationaal succès d’estime, lezen zijn woorden nog altijd even fris als ontregelend. André Baillon wordt in 1875 geboren in Antwerpen in een welgesteld milieu. De rest van zijn levenswandel lijkt op het vergezochte scenario van een soap. Is dat relevant? Nee. Omdat zijn werk staat als een huis. Ook zonder biografische verwijzingen of verklaringen. Ja. Omdat bij Baillon het eigen leven nu eenmaal de heel expliciete voedingsbodem vormt voor al zijn werken. De manier waarop hij zijn bewogen leven in ‘fictie’ dwingt, is ontwapenend en verontrustend tegelijk. En redelijk uniek – of het nu gaat over zijn jeugdjaren (Het neefje van Mademoiselle Autorité) of de ervaringen van en met Marie Vandenberghe, zijn Vlaamse echtgenote en ex-prostituee (Het boek van Marie, Op klompen en Jojo Pingping, Londense straatmeid) of over zijn korte verblijf
in La Salpêtrière (Een doodeenvoudig man, Doodzonde en In de piepzak). Het ganse leven propt André Baillon in zijn teksten: zijn ménages à un, deux, trois, de avonturen met minnaressen, moedertypes en muzes, de kippenfokkerijen in Westmalle –twee keer een fiasco, zijn job als nachtredacteur bij La Dernière Heure, zijn dolle belevenissen in de psychiatrische instelling in Parijs… Het is zoals vertaler en biograaf Frans Denissen schrijft ‘het [wordt] duidelijk dat zijn romans, novellen en verhalen in feite één, grotendeels autobiografisch, boek vormen.’

Zijn wat ongewone, rusteloze en niet bepaald benijdenswaardige leven duikt dan wel voortdurend op in Baillons teksten, maar in de eerste plaats zijn we toch te gast in zijn hoofd. Hij maakt ons bevoorrechte getuigen van zijn worsteling met de valstrikken van de taal. Het schrijfproces, het spel van betekenaar en betekenis, het – soms letterlijke – gevecht met de letters, de woorden, de zin, … zijn alomtegenwoordig. Klinkt saai? Niet bij Baillon. Hij theoretiseert dan ook geen seconde. Hij is een (weliswaar twijfelende, worstelende en reflecterende) schrijver die schaaft tot het juiste woord op de juiste plek valt, veel belang hecht aan ritme en muzikaliteit, maar ook resoluut kiest voor eenvoud en humor: ‘Er zijn geen nobele woorden: er is het juiste woord. Een man die pist, die pist. Tenzij het een waterzuchtige is: die ledigt zijn blaas… Want er zijn nuances.’.

Baillon, een gek? Laten we ervan uitgaan dat hij meer dan gemiddeld last had van muizenissen en zielengepeuter. Neurasthenie, zenuwziekte, neuroses, waanzinnen, psychoses? Wie weet. Maar als hij al gek was, dan was hij het op een ‘weloverwogen manier’, zoals Caroline Lamarche verder in dit nummer terecht stelt. Want zijn gepeuter op papier is zeer geraffineerd, geestig en gelaagd. Wie Waanzinnen, Een doodeenvoudig man, In de Piepzak en Doodzonde leest, weet dat. Een lucide woordenzot, dat wel.

In dit auteursnummer geven we in de eerste plaats het woord aan André Baillon zelf.
Speciaal voor dit nummer vertaalde Frans Denissen zijn enige poëticale tekst: Traité de
Littérature. Een verfrissende tekst uit 1921, die door Geneviève Hauzeur van deskundig
commentaar wordt voorzien. Naast een woordenman was Baillon ook een poezenman. Poeleke, al geschreven in 1917, is een van de twee verhalen die samen de bibliofiele bundel Le pot de fleur (1925) vormen, en krijgt hier voor het eerst een Nederlandse vertaling.

De Italiaanse academica en Baillon-experte Maria Chiara Gnocchi situeert André Baillon in de Franse literatuur van de jaren twintig. De Franstalige Belgische prozaschrijfster en dichteres Caroline Lamarche bezingt dan weer ongeneerd haar liefde voor de auteur en zijn boeken.

Bart Duron en Lieven Jonckheere graven diep in Doodzonde, misschien wel Baillons meest ambitieuze, doorwrochte en gelaagde boek. Ze nemen hoofdpersonage Marcel en zijn verhaal even in psychoanalytische behandeling.

Wouter Kusters vraagt zich af of het ‘de moeite waard was’. Een legitieme vraag met verrassende antwoorden en heel persoonlijke uitweidingen over psychiatrie, waanzin en filosofie.

Elvis Peeters laat zich in Woorden voor een kus inspireren door Baillon en zijn verhouding tot schrijven en het zinnelijke.

David Nolens trakteert ons op Notities van een slapende nachtwacht in een ontwenningskliniek.

Tot slot schetst Frans Denissen een Baillonesk portret van dé grote Baillonverzamelaar Eric Loobuyck, die genereus al het unieke beeldmateriaal leverde.

Naast deze brok Baillon-geweld interviewt Anneleen De Coux dichter Marcel Obiak.
Voor de inzendingen zorgen dichteressen Lies Jo Vandenhende en Meliza de Vries.

De redactie

Dit nummer is verkrijgbaar in de betere boekhandel in Vlaanderen en Nederland of via een privébericht op onze facebookpagina.