tonBegin dit jaar sprak Deus Ex Machina 3 curatoren aan om dichters te bevragen naar hun poëtica. Ton van 't Hof, Arno Van Vlierberghe en Mathijs Tratsaert kozen elk vier dichters die net uit de startblokken zijn geschoten of er nog met één voet instaan. Hun bevindingen kan u lezen in Poëtica 2015. Elke poëtica wordt voorafgegaan door een gedicht van de dichter. De redactie van Deus Ex Machina was ook benieuwd hoe de curatoren zelf zich verhouden tot een poëtica.  Ton van 't Hof ging graag in op de (nogal lang uitgevallen) vraag van Jan Pollet. Maar eerst zijn zelfgekozen gedicht:

 

GAVE DER SMAAK

Mijn gedichten zijn uitgegroeid
zo schijnen ze me toe
tot vermaken

der ijdelheid

geheel en al onafhankelijk van het weer
en de seizoenen

hun doel

te worden verkocht

Tegenwoordig
is geld een must en o ja
mocht je ze na aankoop onverhoopt ook nog

monden

bezit dan een uitzonderlijke gave

der smaak

Mijn gedichten zijn als kaviaar

Zeer interessant

Wha ha ha ha ha

ha ha ha

©Ton van ’t Hof

Uit: In weerwil van alle terreur en het economische argument (2011)

 

Jan Pollet:  Onlangs zat ik in de nieuwe Houellebecq te lezen. De hoofdpersoon, François, is een eenzame universiteitsdocent gespecialiseerd in het oeuvre van Joris-Karl Huysmans . In het begin van het boek maakt hij volgende bedenking...


‘Alleen literatuur kan je de indruk geven van contact met een andere menselijke geest, met de totaliteit van die geest, zijn zwakke zijn grootse kanten, zijn tekortkomingen, zijn bekrompenheden, zijn dwangvoorstellingen en zijn overtuigingen; met alles wat hem aangrijpt, interesseert, opwindt of tegenstaat. Alleen literatuur kan je in contact brengen met de geest van een dode, op een directere, completere en diepere manier zelfs dan met een vriend met wie je praat – want hoe diep en hoe duurzaam een vriendschap ook is, nooit geef je je in een  gesprek zo volledig bloot als tegenover een lege pagina, voor een lezer die je niet kent. Dus als we het over literatuur hebben, zijn de schoonheid van de stijl en de muzikaliteit van de zinnen uiteraard van belang, zijn de diepzinnigheid van de beschouwing en de originaliteit van de gedachten van de schrijver niet te versmaden; maar een schrijver is in de eerste plaats een mens, die aanwezig is in zijn boeken, en of hij heel goed of heel slecht schrijft doet er uiteindelijk weinig toe, het belangrijkste is dat hij schrijft en dat hij daadwerkelijk aanwezig is in zijn boeken (het is vreemd dat zo’n simpele, ogenschijnlijk zo weinig onderscheidende voorwaarde in werkelijkheid juist uitermate onderscheidend is en dat dat zonneklare, eenvoudig constateerbare feit zo weinig is onderzocht door filosofen van welke gezindte dan ook: de kwaliteit van het menselijk bestaan mag dan niet voor iedereen gelijk zijn, de kwantiteit is dat in principe wel, en om die reden zijn alle mensen ongeveer in gelijke mate aanwezig; toch is dat niet de indruk die ze op een paar eeuwen afstand wekken, en maar al te vaak zie je in de loop van een tekst waarvan je aanvoelt dat die meer door de tijdsgeest dan door een eigen individualiteit is gedicteerd, de contouren van een toch al vage persoonlijkheid verrafelen en steeds spookachtiger en anoniemer worden).’   Michel Houellebecq, Onderworpen 

Volgens dit personage is het de vent en niet de vorm die de ware literatuur maakt. Het citaat past trouwens perfect bij het objectieve, ietwat saaie proza van Houellebecq zelf, die er zich onlangs over beklaagde dat hij telkens weer een waar gevecht met de correctoren van zijn uitgeverij moet leveren. Die redacteuren vinden namelijk dat hij te vaak dezelfde woorden gebruikt, wat meer aan zijn stijl mag sleutelen etc.

Enfin, dit brengt me bij mijn vraag die ik je graag wil stellen in verband met je eigen poëtica: Vergis ik me of hanteer je datzelfde principe van Houellebecq in je eigen poëzie? Primeert voor jou de individualiteit op de geraffineerde vorm? Ik merk dat je vaak formele ingrepen aanwendt in je poëzie. Enjambementen worden in je gedichten strategisch, bijna sluw ingezet. Toch heb ik het gevoel dat je een vent-dichter bent. Je gaat voor de inhoud en je aarzelt niet om jezelf op het spel te zetten. Als lezer leven we mee met het leven van Ton van 't Hof. Of vergis ik me en speel je grof spel? Wat me ook altijd opvalt, is de mix van cerebraal en organisch, van beredeneerd en uitbundig. Je bent om één of andere reden niet grijpbaar. Je bent wel te vatten maar dan wel op een onvatbare manier.

Maar wat ik dus wou vragen: wat vind je van Houellebecqs opvatting dat de schrijver ‘in de eerste plaats een mens is, die aanwezig is in zijn boeken, en of hij heel goed of heel slecht schrijft doet er uiteindelijk weinig toe, het belangrijkste is dat hij schrijft en dat hij daadwerkelijk aanwezig is in zijn boeken.’?

 

Ton van 't Hof:  De Amerikaanse dichter Charles Olson (1910-1970) verwoordde in zijn pamflet Projective Verse (1950) wat ik ervaar bij het lezen van een goed gedicht: 'the kinetics of the thing.' Een goed gedicht zit barstensvol energie die bij lezing tot ontlading komt. Vanuit dit perspectief bekeken sta ik als dichter voor de uitdaging om het gedicht op te laden, te voorzien met energie. Omdat Olson geloofde dat de innerlijke drang tot spreken de oerimpuls van elke dichter is of zou moeten zijn, verhief hij Robert Creeley's uitspraak dat 'vorm nooit meer dan een extensie van inhoud is' tot een grondregel van zijn poëtica. Volgens Olson zoekt inhoud zelf naar vorm om tot verwezenlijking te komen, waarbij de dichter als medium lijkt te fungeren. Ik ben van mening, uitgaande van mijn eigen ervaringen, dat de relatie tussen vorm en inhoud anders gevlochten is, dat ze elkaar in het creatieve proces wederzijds beïnvloeden, prikkelen, tarten. Het is aan de dichter om telkens de scherpst mogelijke verhouding tussen die twee te vinden, van waaruit het gedicht kan worden gelanceerd.

Ik heb me nooit veel gelegen laten liggen aan de discussie over vorm of vent; de verhouding tussen vorm en inhoud slokte en slokt nog altijd mijn aandacht op. Ik heb veel geëxperimenteerd, waarbij ik de ene keer vanuit de vorm vertrok en dan weer vanuit de inhoud, maar steeds met het doel om ze in het gedicht een wisselwerking met elkaar aan te laten gaan, die moet leiden tot dat o zo belangrijke spanningsveld dat zich bij lezing kan ontladen. Wat ik wel bespeur, is dat ik in mijn latere werk steeds vaker mijn eigen ervaringen als inhoudelijk uitgangspunt neem. Ik weet niet precies waar dat door komt, maar het lijkt erop dat ik het gesprek met mezelf openlijker wil en durf aan te gaan. Misschien heeft dit ook te maken met de levensfase waarin ik me bevind te maken. Ik ben de 55 gepasseerd en merk dat met de ouderdom ook de gebreken komen. Dat laatste maakt je kwetsbaarder, leidt bij mij tot een grotere behoefte aan zelfreflectie, ook in mijn poëzie. Maar ik sluit niet uit dat dit slechts een fase is, die wordt gevolgd door weer een nieuwe ontwikkeling, waarin zelfreflectie minder belangrijk is. Ik hou er van om steeds andere wegen in te slaan, te ontdekken wat er zoal mogelijk is in het leven en de poëzie.

Dus, al met al ga ik voor zowel vorm als inhoud, en aarzel daarbij inderdaad niet om mezelf op het spel te zetten. Lezers kunnen voor een deel met mijn leven meeleven. Je constatering dat mijn werk tegelijkertijd 'cerebraal en organisch; beredeneerd en uitbundig' is, herken ik: that's me, mijn karakter in een notendop. De vent in mij, die soms ook voor mezelf ongrijpbaar is, schijnt in mijn poëzie onmiskenbaar door. Ik zou ook niet anders willen.

(wordt vervolgd)